Iemand die dagelijks, gehuld in een overall, in zijn lap grond, tuin genaamd, het onkruid wiedt, kan ik nog begrijpen. Ook voor de man die driedagelijks zijn geliefde auto in het sop zet heb ik enig begrip. En zelfs voor wie zich vermeit rond het biljartlaken of zich voor het dartsbord positioneert heb ik mededogen. Met enig van medelijden tot sympathie zwevend gevoel bekijk ik de solitairen die zich buigen over een kruiswoordraadsel, zij die in hun eentje kaartspelen en naar hartenlust zichzelf bedriegen met patience ofte solitaire. Dezen die uren slijten op hun duivenhok, dezen die zich suf staren op de avonturen van de papegaaivis en de sluierbella in hun tropisch aquarium. Zelfs, ja zelfs de fanaten die wekelijks joelend vergaderen rond een plein waar tweeëntwintig knullen elkaar het bezit van een bal betwisten, zelfs hen zou ik nog groothartig kunnen omarmen. Maar er zijn mensen voor wie ik, hoe empathisch ik ook ben, geen sympathie kan voelen. Omdat ik hun beweegreden niet snap – of mij er niet mee kan verzoenen. Het zijn de individuen die zichzelf verliezen in het ‘genot’ van gezelschapsspelen! 

Het begint al met de kinderen. Het perfecte alibi… Pedagogen vlooiden natuurlijk uit dat er veel redenen zijn om kinderen onledig – zij beweren ‘nuttig bezig’ – te houden met gezelschapsspelen. Goed voor de concentratie, het leren samenwerken, communicatie, logisch leren denken, emotionele vaardigheid (o.m. tegen verlies kunnen), fijne motoriek ontwikkelen; afhankelijk van de soort ook taalontwikkeling, herkenning van vormen, kleuren. Jaja, en vooral me dunkt hen bezighouden op regendagen. Want nu het jonge grut de laatste jaren nog nauwelijks zo’n speldoos een blik gunt maar zich liever urenlang blindstaart op tiktokkende en aanverwante schermen, moeten ze wel uitgroeien tot idiote eenzelvige nietsnutten, beroofd van de onmisbare educatieve waarde van de eerste stap naar hun universiteitsdiploma en een succesvolle carrière: het gezelschapsspel!

Toch worden ze nog wel dankzij de voor hen in het leven geroepen feesten als sinterklaas, kerst en verjaardagen, in combinatie met de wanhoop van (groot)ouders en andere verwanten of ouders van vriendjes die op verjaarfeestjes genodigd zijn (welk geschenk moeten we nu nog verzinnen?) begiftigd met zo’n spellendoos die Ravensburger, Jumbo, Mattel of Hasbro graag onder hun neus duwen. Een neus die vertelde dat dit cadeau niet duur was en wel groot, dus leuk om in de begeerlijke kinderhanden te stoppen. Het verderfelijke gevolg zou zijn dat deze spelen hoe dan ook, uit nieuwsgierigheid of om niet al te ondankbaar te wezen, minimaal één keer de doos zullen verlaten. Het reglement zal gelezen worden. De gegadigden zullen zich willens nillens rond het spelbord scharen en de strijd kan losbranden. Jolijt? Soms. Ergernis? Ook soms. Zal het spel nog vaak het licht zien? De kans is gering. Een donkere kast lonkt, en later belandt het misschien in een kringwinkel in de hoop op een tweede even kortstondig leven.

Er rees bij mij de vraag welke onverlaat ooit op de onzalige idee kwam een gezel bij zich te nodigen en iets uit te knobbelen dat als gezamenlijk tijdverdrijf dienstig zou moeten zijn. Dat de soldaten bij de gekruisigde Christus vrolijk zaten te dobbelen weten we, maar blijkbaar waren zij lang de eersten niet. Heel wat vroeger zou men zich reeds met behulp van zaadjes, steentjes of houtjes nogal primitief beziggehouden hebben in Mesopotamië en Egypte. Waren dit de voorlopers… in Jordanië bleek rond 6900 voor X een spel genaamd mancela te bestaan. Een ietsepietsie later, 5000 voor X, werd er in Turkije blijkens een ontdekking in de buurt van de stad Siirt schaak gespeeld. Toen reeds. Een spel met een baard dat ook roots bleek te hebben in Syrië en Irak. Terwijl in dit laatste land zo rond 4800 toch vooral het ‘koningsspel’ populair was, in Ur werd deze voorloper van ons backgammon verwoed gespeeld. De Egyptenaren lieten zich niet kennen. In 3050 speelden ze senet op een bord met dertig vakjes; wie als eerste zijn pion op het dertigste vakje wist te plaatsen was de winnaar. Een soort paardjesspel. Dat hier ook een religieuze betekenis meekreeg en zelfs als voorspeller gebruikt werd. Het werd aangetroffen in het graf bij Toetanchamon, uiteraard – in het hiernamaals kon hij over veel vrije tijd beschikken. Het spel zou uitgevonden zijn door Toth, de god van de wijsheid! Dat men voor al deze spellen de reglementen wist te ontcijferen moet een hele klus geweest zijn. De handleidingen werden telkens wel ergens opgediept maar in vergelijking met wat in onze dozen ter lezing ligt was het een puzzelen om bijvoorbeeld hiërogliefen om te zetten in een hanteerbare leidraad. Hoewel ik moet bekennen dat het mij bij het lezen van de instructies van sommige moderne spelen gaat duizelen en mij zozeer in de war brengt dat ik mij van pure ellende op een spel patience stort.

De Romeinen beschikten over meerdere favoriete speeltjes. Populair was o.m. het ludus duodecim scripta dat met drie dobbelstenen en vijftien pionnen per speler moest gespeeld worden. Zeno van Byzantium, de Oost-Romeinse keizer bleek dan weer verslingerd aan alea of tabula, een oerversie van backgammon. Dan was er nog het ludus latrunculorum dat met zwarte en witte glazen stenen de voorloper van ons dammen was. Dobbelstenen zoals we die nu kennen werden in 1775 gecreëerd door Elizabeth Mortimer bij het door haar uitgevonden ‘The Mansion of Happiness’ dat geïllustreerd werd door niemand minder dan de beroemde schilder William Blake. Al claimen ook anderen de auteursrechten van het spel.

Tot mijn ontzetting, mijn verbijstering, moest ik vaststellen dat in de zo populaire soap ‘Thuis’ de highttech-nerds Bob en Lowie zich vaak, gedwongen door de scriptschrijvers, bezondigen aan een rondje gezelschapsspel en daarbij hun huisgenoten medeplichtig maken. Ontstellend. Is dit de wijze waarop onze nationale zender aan volksopvoeding meent te moeten doen. Het volk stimuleren zich onledig te houden met dergelijke nonsens… Dat het favoriete spel het vraag en antwoord-gedoe Trivial Pursuit is, dat is geen excuus – die dwaze weetjes die daarin opduiken. Wie wil nu weten hoeveel ezelinnen melk moesten geven om het bad van Cleopatra te vullen? Hadden die twee zich dan nog aan het schaakspel bezondigd, dat vergde toch iets meer van hun intelligentie. Het schaken, in zijn definitieve vorm ontstaan in 500 na X in India (na de Turkse oerversie) onder de naam chaturanga en via Perzië waar het zo gewaardeerd werd dat het herdoopt werd tot shah, de koning, en zo in de elfde eeuw Europa zou bereiken, shah werd schaak…

Wat een stompzinnig gedoe. Hoeveel mentale inspanning kostte het om jouw pion als eerste in veiligheid te brengen wanneer je glimmend van trots winnaar was van het eeuwig populaire ganzenbord ofte paardjesspel, tot ons gekomen uit duistere tijden en definitief ontwikkeld in de 16de eeuw door de Orde van de Tempeliers. Misschien was dit de schat die ze nagelaten hebben, die nog steeds onvindbaar heet te zijn. Met de productie van dit spel moeten inmiddels toch fortuinen verdiend zijn! Een spel dat ook nog de naam ‘mens erger je niet’ meekreeg. Nou moe! Net zo lief opteer ik voor nog dwazere dingen als het vlooienspel – met een grote fiche druk je op de rand van kleinere om hen in het speelveld te laten belanden. Je moet een Engelsman zijn, Joseph Fincher heten en in 1880 tot de jaren van verstand (sic) gekomen zijn om dit uit te vinden. Enfin dit kan door driejarigen al gespeeld worden. Iets meer denkwerk was nodig voor de oerversie van Risk, ‘La conquête du monde’, waar de Fransman Albert Lamorisse in 1935 mee boven water kwam. Het startsein voor al die versies en betwiste centen.

Er is zoveel op de speelgoedmarkt, voor elk wat wils. Voor jong en oud. De kleintjes kunnen kwartetten, vier-op-een-rij-en, memory spelen, pimpampetten, mensen elimineren in ‘wie is het?’. Dat volwassenen die je ervan mag verdenken dat ze tot de jaren van verstand gekomen zijn zich urenlang onledig houden met zoiets als Risk waar ze elkaars land betwisten, dat is toch te gek voor woorden. Of nog erger, stratego, met bommen en spionnen spelen – het leven is nog niet erg genoeg. Ooit speelden de Chinezen ‘Jungle’, toen bekampten dieren elkaar, maar nee, in het Westen zou men daar vlug een ‘humane’ versie van verzinnen… Het populaire ‘Kolonisten van Catan’ is dan tenminste minder gewelddadig. Net als Monopoly, kunnen we hieruit nog iets opsteken. We worden spelenderwijs opgeleid tot beursgoeroes. Al vrees ik dat zelfs de meest verslaafde speler even arm zal blijven als Elizabeth Magie die in 1904 met haar ‘The Landlord’s Game’ botving bij de fabrikanten. Hetzelfde overkwam in 1934 Charles Darrow met zijn erop gebaseerde versie ‘Monopoly’ die hij toen maar zelf op de markt bracht. Succesvol, zodat in USA én in Engeland de producenten wel interesse kregen en de werkloze monteur als multimiljonair zou sterven. Al bouw je nog zoveel hotels in de Nieuwstraat of – als nieuwbakken huisbaas – in je huur van al die huizen in de Antwerpse Meir, of dat jou in de werkelijkheid tot een notoire huisjesmelker met dikke portefeuille zal maken betwijfel ik. Misschien ‘Splendor’ eens proberen, daarmee bevinden we ons in de renaissance en handelen we in edelstenen en… kunst. Wil je het écht ludiek dan wacht ‘Drink & Think’ op jou. Gênante vragen gekoppeld aan telkens het ledigen van het glas: ad fundum; lol gegarandeerd – het summum van het gezelschapsspel me dunkt.

De laatste jaren zijn al die plaatseisende, stofverzamelende dozen in feite overbodig geworden. Een scherm en een toestelletje dat in de hand past volstaan om gezellig vanuit de zetel de helden van de naast je zittende medespeler, naar de andere wereld te helpen. Een wereld die zich kan bevinden in het era van de holbewoner, van de kruisvaarder, in de loopgraven van WO II of in de vlakte van Mars. Je zit dan met twee verwoed op knoppen te drukken, met een drankje, een potje popcorn, een zakje chips binnen bereik… gezellig. Het kan anders. Hoevelen leveren zich solitair niet over, gezeten voor een beeldscherm aan een of ander spel waarmee zij in concurrentie gaan met vreemden, met mensen die ze slechts ontmoeten via de gril van hun pc, van het spel, van de wondere wereld van het IT. Op deze wijze wordt dan hun gezelschap opgebouwd. Er wordt voor hen een gezelschap gecreëerd. Kan het nog gekker? Is dit dan het begrip gezelschap van de huidige tijd… Iedereen kruipt in zijn eigen spellendoos, deksel erop, en halleluja!                         

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.