Op 1 januari 1998 trad het nieuwe muziekdecreet in werking. Dat veroorzaakte een hele omwenteling in de Vlaamse muziekwereld en bracht ook het zo lang verwachte statuut van de uitvoerende kunstenaar in een stroomversnelling. Daarom besteedde ik er destijds uitvoerig aandacht aan in het tijdschrift van de Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid, waar ik toen werkte.

Het nieuwe muziekdecreet is geënt op het decreet op de podiumkunsten. Dat betekent b.v. dat men voortaan voor vier jaar erkend en gesubsidieerd zal worden. ‘Men’ dat is dan niet langer alleen orkesten maar ook concertverenigingen en festivals.
Qua genres is er op papier nooit een specifiek onderscheid gemaakt, maar in de praktijk kwamen tot nu toe enkel zogenaamd “klassieke” orkesten in aanmerking. Ook dat behoort nu tot het verleden, jazz en pop hebben bestaansrecht verworven.
NALEVEN VAN CAO
Dat wil echter niet zeggen dat alle orkesten zo maar tot het decreet zullen toetreden, want het brengt natuurlijk ook verplichtingen met zich mee. Zo zal men de CAO-afspraken moeten toepassen, iets wat vrij logisch lijkt, maar wat tot nu toe in de muziekwereld slechts uitzonderlijk gebeurde. Dat zal een fikse financiële last met zich meebrengen, waarmee de regering op de begroting 1999 rekening moest houden.
De administratie heeft berekend dat de meerkost 100 miljoen zal bedragen, maar de betrokkenen vinden deze schatting aan de lage kant en ook de Inspectie van Financiën en minister van begroting Wivina De Meester uitten hun ongerustheid over de betrouwbaarheid van dit cijfer.
Een audit van de Inspectie van Financiën leverde weliswaar een gunstiger resultaat op dan verwacht wat het percentage eigen inkomsten betreft, maar uiteraard zal dit percentage nu flink zakken. Er is immers geen enkele correlatie tussen de nieuwe betoelaging en de uitbreiding van de muzikale activiteiten. Bovendien liggen deze inkomsten bij iedereen niet even hoog. Het is toch wel erg cynisch in het rapport te moeten lezen “dat voor I Fiamminghi, toch wel het ensemble met de grootste overheidssubsidie, deze dekkingscoëfficiënt relatief laag uitvalt (31,81% in ’96)”.
Overigens raadt diezelfde Inspectie aan om een zogenaamde “bonusperformantie” in te voeren, d.i. een extra subsidie voor wie een buitengewone inspanning levert op het vlak van de eigen inkomsten. Artistiek is dit echter een zeer aangevochten procédé. Als men dan toch parallellen wil trekken met de podiumkunsten, kan ik hiervoor verwijzen naar het Mechels Miniatuur Theater dat een groot deel van zijn inkomsten via een (ooit uitstekend) restaurant wist te realiseren. Men kan zich echter afvragen of dit wel de taak van een artistiek gezelschap is.
Geen wonder dat de volgende paragraaf van het Inspectie-verslag gewijd is aan een inperking van de bevoegdheden van de Adviesraad voor de Muziek. Van artistieke kwaliteit ligt men duidelijk niet wakker op Financiën.
Wél is het goed dat men erop wijst dat teveel in “werkingsgoederen” wordt geïnvesteerd, zeker als blijkt dat koelkasten daar ook toe behoren. Er worden geen namen genoemd, maar insiders zullen zich allicht ook hier de luxe voor de geest halen waarmee de directie van I Fiamminghi zich omringt. De vraag om hier een maximum van 10% toe te staan, is niet weerhouden in het wetsontwerp, maar daar staat wel tegenover dat men expliciet heeft opgenomen dat tenminste 50% van de subsidiëring naar het personeel moet gaan. Dan zal er in de praktijk niet veel méér dan 10% naar luxegoederen kunnen gaan.
Als Inspectie dringend verzoekt àlle subsidies op één hoopje te gooien en dan expliciet “jeugd- en internationale werking” vermeldt, krijgt men ook alweer de indruk dat aan één bepaald orkest wordt gedacht. Zeker als men eraan toevoegt dat dit het gebruik van de titel van Cultureel Ambassadeur niet in de weg staat (als er aan die titel namelijk geen extra-subsidie is verbonden).
Tot slot stelt de heer Algoed (afdelingshoofd) dat een regering natuurlijk niet anders kan dan de wet naleven wat het statuut van de artiest betreft, dat ze met andere woorden “als bedienden worden beschouwd, ook al zullen de meeste van deze musici nooit van het systeem kunnen genieten, zeker voor wat de buitenlanders betreft”.
NAAR EEN STATUUT VAN DE ARTIEST?
Het ingaan van het decreet betekent uiteraard niet dat de werking er ook onmiddellijk zal aan worden getoetst. Dat gebeurt pas na een jaar. Toch wordt er nu al op aangedrongen (door Jean-Pierre Grootaers van de Beethoven Academie in De Standaard van 8/10/1997 b.v.) dat er dringend moet werk gemaakt worden van een statuut van de artiest. Daarmee bedoelen orkestleiders dan vooral de mogelijkheid om als zelfstandige te worden erkend, want het is duidelijk dat de orkesten de beloofde bijkomende subsidie voor het toepassen van de CAO wantrouwen en liever de verplichtingen voor de sociale bijdragen op de musici zelf zullen afwentelen.
Op dit ogenblik zijn artiesten zoals gezegd per definitie werknemers, desnoods in dienst van werkgevers van één dag, met name de concertorganisatoren. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat men wel verplicht is deze federale wet na te leven, maar dat men bij een eventuele wijziging de keuze om te opteren voor één van beide statuten vrij wil laten, zij het dat de minister zijn voorkeur uitspreekt voor werknemerscontracten van korte duur.
Ook het nog altijd niet ter stemming voorgelegde wetsvoorstel van Peeters & Peeters (SP) ging uit van het principe dat podiumartiesten werknemers moeten blijven, precies omdat je anders de mogelijkheden creëert om bij grote instellingen (Ballet van Vlaanderen, Vlaamse Opera, Filharmonisch Orkest van Vlaanderen enz.) ook met schijnzelfstandigen te gaan werken. In de herwerking van dit voorstel door Ghislain Vermassen en Danny Vandenbossche wordt echter, op aandringen van ZAMU, de vereniging van Johan Verminnen die zich vooral inzet voor wat dan heet “de lichte muziek”, de zelfstandigheidsverklaring wel ingeschreven.
Uit een audit die door de administratie cultuur werd uitgewerkt, blijkt nu dat het mogelijk is om musici voor bepaalde producties te engageren met een arbeidsovereenkomst van beperkte duur. Nu al zijn de werkgevers (verenigd in de VDP) met de vakbonden aan het onderhandelen om een afwijking te voorzien op de regel dat dergelijke overeenkomsten als “geschakelde contracten” worden gezien en dus onvermijdelijk worden omgezet in arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur.
Evenzeer zal men erop aansturen dat tweejaarlijkse baremaverhogingen niet in deze CAO zullen worden opgenomen. Dat wordt o.m. als reden aangehaald, waarom grote orkesten zoals het voormalige BRTN-orkest en het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen niet in het decreet worden opgenomen (ondanks het feit dat zelfs Joachim Coens van de CVP zich daartegen keert in de plenaire vergadering van het Vlaamse parlement van 16/12/1998, Handelingen p.26). Daar gelden deze regels immers wél. Het orkest van de Vlaamse Opera blijft uiteraard ook buiten het nieuwe decreet, aangezien de opera een eigen decreet heeft, dat reeds als uitzondering op het decreet van de podiumkunsten was voorzien.
De weigering om over te gaan tot vaste aanstellingen wordt ook soms artistiek geargumenteerd. Zo verklaarde Jos Van Immerseel, de leider van Anima Eterna, in ons vorige nummer: “Ik geloof in het feit dat een vaste aanstelling elk menselijk wezen kwaliteit doet verliezen op lange termijn. En ook vind ik dat we de juiste mensen moeten kunnen aantrekken al naargelang van de literatuur die wordt gespeeld.”
Dat dit meestal geen Vlamingen zijn, speelt ook al niet in het voordeel van onze internationaal befaamde orkesten die op (kopieën van) historische instrumenten spelen, zoals La Petite Bande of Anima Eterna. Nochtans treft hen geen schuld: “Omdat er zo’n gebrek is aan onderwijs op dat vlak zijn wij uiterààrd verplicht mensen te gaan halen in landen waar ze dat wél hebben,” ging Van Immerseel verder. “In ons geval is het zo dat ik erom sméék om met meer Belgen of Vlamingen te kunnen werken, want ten eerste worden we al niet gesubsidieerd zoals het hoort en ten tweede moeten wij onmogelijke uitgaven doen om mensen naar hier te halen en te logeren. Dat kost ons ontzettend veel geld.”
MEER VOOR MINDER
Nochtans verwachtte Van Immerseel heel veel van het nieuwe decreet: “Dat ensembles die aan research doen en bijna met een dubbele kost zitten, juist met een aalmoes naar huis worden gestuurd, terwijl ensembles die gewoon gladgestreken partituurtjes voor de honderdduizendste keer aframmelen, heuse fortuinen krijgen, dat is toch absoluut absurd!”
Bovendien worden deze orkesten vanaf nu verplicht om Vlaamse muziek uit te voeren, daar zij, gezien hun aard, moeilijk aan de andere opschortende voorwaarde, namelijk het brengen van hedendaagse muziek, kunnen voldoen.
Ondanks het feit dat de kwaliteit en de uitstraling van onze historische orkesten door minister Martens gewaardeerd werd met een substantiële verhoging van hun subsidies (gemiddeld van 3,5 naar 10 miljoen), ziet de toekomst er voor hen dus niet zo rooskleurig uit, ook al omdat er in het kader van het principe “meer voor minder” (meer geld voor minder orkesten) soms wordt geopperd dat we “te veel” historische orkesten hebben. Net alsof het denkbaar zou zijn dat La Petite Bande en Anima Eterna zouden samensmelten b.v.!
Of nog erger: vaak wordt ook gewezen op een overaanbod van muziek uit de 19de eeuw. Waarbij dan helemaal geen verschil wordt gemaakt tussen de aanpak van Anima Eterna en die van, ik zeg zo maar iets, het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen b.v.
Dat wil echter niet zeggen dat het “meer voor minder”-principe waardeloos is. Integendeel. Men moet het alleen met omzichtigheid hanteren. Een bekend politicus heeft b.v. ooit gezegd: “Eigenlijk is Vlaanderen toch maar één grote stad. Heeft een stad meer dan één opera? Meer dan één symfonieorkest?” Maar het antwoord hierop is: ja, in Londen alleen al is er Covent Garden en The English National Opera; The London Philharmonic, The New Philharmonia, The London Symphony Orchestra en de Londense afdeling van het BBC-orkest. En er zijn nota bene ook BBC-orkesten in Wales en Schotland, mijnheer De Graeve!
PROJECTSUBSIDIES
Jean-Pierre Grootaers van zijn kant werpt nog een andere grief op tafel: de overheid blijft met kalenderjaren werken, terwijl voor de sector het seizoen in september begint. Deze discrepantie zal wellicht niet worden opgelost, aangezien het decreet natuurlijk samen met de rest van de staatshuishoudkunde dient te worden begroot.
Tenslotte bekritiseert Grootaers ook nog het feit dat “jonge ensembles nu aan productiedwang kapot kunnen gaan” en “soms jaren zullen moeten wachten voor ze in aanmerking komen”. Dat tweede is inderdaad juist, maar in afwachting kunnen ze wel in aanmerking komen voor projectsubsidies, net als de afgewezen groepen trouwens (hiervoor is – samen met het Steunpunt Muziek, zie verder – twintig miljoen voorzien).
De erkende organisaties zouden echter niet meer uit een apart projectenvaatje kunnen tappen. In het oorspronkelijke ontwerp was dit wél voorzien, in de tekst zoals hij naar de RvS gaat niet, maar in de memorie van toelichting is het toch blijven staan. Misschien gebeurde dit per vergissing, want zo kunnen we nog een paar voorbeelden citeren, o.a. wat het sociaal passief betreft: in de memorie wordt gesteld dat orkesten de mogelijkheid moeten krijgen er één aan te leggen voor het uitbetalen van ontslagvergoedingen, in het ontwerp staat dat dit wordt opgevangen door uiterlijk zes maanden voor het begin van een nieuwe vierjaarlijkse periode de beslissing tot eventuele stopzetting van subsidiëring bekend te maken.
Hoe dan ook, ook het nieuwe decreet sluit niet alle misbruiken uit. Hoe gaat men beletten dat een orkest door een andere minister wordt betoelaagd b.v., zoals dit nu met I Fiamminghi gebeurt? In zijn nota aan de Vlaamse regering geeft minister Martens (foto Paul van Welden via Wikiportret) reeds aan dat “subsidies voor internationale activiteiten steeds projectmatig gelinkt zullen blijven aan concrete concertreizen”. Ik vertaal: de minister-president zal nog steeds het orkest van zijn keuze kunnen meenemen op reis.
HET STEUNPUNT MUZIEK
Daarnaast komt er dus een zogenaamd Steunpunt Muziek, dat aan wetenschappelijk onderzoek zou moeten doen, een gemeenschappelijke promotie voeren voor de Vlaamse muziek uit alle genres en als documentatiecentrum fungeren. Een aanzet hiervoor zou kunnen worden gevormd door de muziekbibliotheek van de BRTN, maar het is nog onduidelijk hoe ver de onderhandelingen daarover staan, mede omdat die ook gelieerd wordt aan de discussie over de nieuwe standplaats van het orkest zelf en zoals men weet is daarover het laatste woord nog altijd niet gezegd.
Er is lang over gediscussieerd of het Steunpunt een privé-initiatief of een overheidsinstelling zou worden. Sommige privé-organisaties waren immers al kandidaat: ZAMU b.v. of het VTI, dat reeds een dergelijke functie vervult op het vlak van de podiumkunsten. Ook circuleerde er reeds een naam van een mogelijke directeur… Dries Sel, de ondernemende manager van I Fiamminghi.
Uiteindelijk werd geopteerd voor een vzw met regeringsparticipatie, omdat het beheer van een patrimonium “niet zonder meer aan de wisselvalligheid van een privé-organisme (kan) worden toevertrouwd,” maar “anderzijds hoort de uitvoering van de promotionele taken eerder thuis in de privaatrechterlijke sfeer dan in deze van de overheidsinstelling”. Vandaar dus deze tussenoplossing.
INSPECTIE
De inspectie zal gebeuren door de administratie én de Adviesraad, maar met een nadruk op de eerste component, in die zin dat men op de eerste plaats zoveel mogelijk “objectieve en controleerbare maatstaven” wil aanwenden. De raad zelf zal zich dan over de kwaliteit moeten uitspreken. Erg belangrijk voor ons als sociaal-culturele koepel vinden wij het feit dat cultuurspreiding – zoals blijkt uit de memorie van toelichting – ook als kwalitatief element werd behouden, naast originaliteit en diversiteit.
Alles bij elkaar is het misschien nog wat voorbarig om het reeds zo uitvoerig over het nieuwe decreet te hebben, want veel zal ook afhangen van de uitvoeringsbesluiten, die een veel groter gewicht krijgen toegekend dan meestal het geval is. De reden is dat de bevoegde minister de kans wil aangrijpen een eigen beleid te voeren.
Terwijl de Raad van State zich nu over het decreet buigt, worden de uitvoeringsbesluiten gemaakt, zodat alles te samen naar het parlement kan gaan. Het is ongebruikelijk dat ook uitvoeringsbesluiten aan het parlement worden voorgelegd, maar aangezien het een “raamdecreet” betreft, waardoor criteria verschuiven naar de uitvoeringsbesluiten zal het parlement ook hierover inspraak willen.

Referentie
Ronny De Schepper, Het nieuwe muziekdecreet: een nieuw geluid, maar ook een nieuwe lente? De Hoogste Tijd, december 1997

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.