Veelwinnaar Van der Lee wint Houtse wielerkoers kopte het Eindhovens Dagblad. De allereerste wielerwedstrijd, ooit gehouden in Mierlo-Hout (’t Hout zeggen ze daar), werd bij de amateurs een prooi voor Drunenaar Tiny van der Lee. Hij legt ze er allemaal op. Klinkende namen als Mik Snijder, Werner Swaneveld en Piet van As. Burgemeester Krol doet hoogstpersoonlijk de huldiging. Even tevoren had zijn zoontje al de nieuwelingen op pad mogen sturen. Een zekere Munt uit Rotterdam wint. “De plaatselijke favoriet J. v.d. Vleuten kon het tempo helaas niet bijbenen”, aldus onze verslaggever ter plekke. September 1960 schrijven we, de 25e om precies te zijn. Joske van der Vleuten debuteert op de uit de wilgen geplukte fiets van zijn broer Ad. Jos, de vierde in de rij thuis, wilde zun eige best wel us uitkure op dae ding. Het viel zwaar tegen dus.

Tiny Van der Lee droogt de Vleut af

Zowat op de kop af – slechts – vier jaar later, op 4 oktober 1964, weer een memorabel moment op datzelfde Houtse rondje. Jos van der Vleuten rijdt zijn laatste koers als amateur. De H.H.Organisatoren hebben speciaal voor hem, zo laat in het seizoen nog, een criterium belegd. Voorafgaand aan de koers zijn er zelfs al meerdere toespraken en huldigingen. In eigen huis zal Jos de krachtpatser aan wielerminnend Brabant laten zien dat de keuzeheren der KNWU zich schromelijk hebben vergist. Ja, hem zelfs zwaar hebben geschoffeerd. Tokyo, de Olympische Spelen, dat had het moeten zijn in plaats van de ronde van Mierlo-Hout. Hij, de sterkste amateur van Nederland in de selectiewedstrijden, mocht niet mee. Karstens, Zoet en Dolman wel. Een Hollandse kongsi, zoals altijd. Brabo is the nigger of the world.

Mari Voets met Tiny van der Lee in Veldschoten 1959

Vier man zijn weg in de koers. Natuurlijk Jos, clubgenoot Leo van Schalen, Wim Breeuwer en last but not least, net als een tijdje voordien, good old Tiny van der Lee.
Tiny van der Lee, nu: “Jos wilde perse winnen en kwam onderhandelen. Zijn helper Van Schalen was gelost en hij wist hoe rap ik was. We waren bij Capélux nog ploegmaats geweest. Van Breeuwer hadden we geen schrik. Maar ik reed altijd voor de eer. Geen koehandel. Af en toe stonden we haast surplace. Mijn verzorger riep: ‘doorrijden, niet aarzelen en er voor spurten’. Zijn raad volgde ik altijd blindelings op”.
Langs het parcours werd achter de hand gefluisterd dat Van der Lee onder hypnose reed. Onder hypnose? “Ziede d’n dieje doar mî zunnen hoed op?” Die man met een fototoestel in de aanslag, was degene die net zijn poulain had toegeroepen om zich vooral niet in te laten halen door het peloton: “Tiny loat oe eige nie teruzakken”. Mari Voets, snor, pikzwart strak achterover gekamd haar, blinkend van de brillantine, zonnebril op en fototoestel in de aanslag. Mari was deurwaarder bij de belastingdienst, vrijgezelle kostganger, kettingroker, koersfotograaf en bij tijd en wijle ook optredend als hypnotiseur annex waarzegger. Daarbij ook, en vooral, nog masseur/verzorger. De mare ging zelfs dat Jacques Anquetil, die hij begeleid had bij wat vaderlandse criteriums, hem een blanco cheque had voorgelegd om hem een jaar lang te soigneren. Kortom, Mari Voets uit Drunen was een man door vele wateren gewassen.


Hondstrouw aan de raad van zijn mentor spurtte Tiny of zijn leven ervan afhing. Hij won met ettelijke lengtes op Jos. Wat een revanche op d’n bond had moeten worden liep uit op een bittere teleurstelling. De duizenden langs de kant dropen met de staart tussen de benen af. Maar daarmee was de kous nog niet af, want in de Wielersport het lijfblad van wielrennend Nederland ontbrandt dan vervolgens een felle polemiek. Ene H. (“Harrieke”) Verhoeven, onderwijzer uit Drunen en fervent supporter van Tiny, spuugt het Houtse rondecomité op z’n vestje. Uit rancune en kinnesinne zouden ze geen uitslag hebben doorgegeven.
“Als trouw lezer van uw prachtige blad” reageert in een vlammend requisitoir A.L.J. van der Vleuten, de broer van. De damp slaat van zijn repliek af. Een hele kolom krijgt hij van de redactie om alles nog eens uit- dan wel te weerleggen. Nee, de ingezonden brievenschrijvers hebben volgens Ad de ballen verstand van ’t rennen.


Dan is er nog Bertus School uit Herpen, amateurwielrenner met licentienummer 445 (sic), die zich in het debat komt mengen; en passant nog wat zout in verse wonden strooiend. Fijntjes herinnert hij eraan dat Jos eerder dat jaar het hoofd moest buigen – ook in eigen huis – voor Theo Rutten. Hoe zat dat alweer? Jos had Theo Rutten aan het janken gekregen door hem pal voor de deur van café Van den Hurk de zege in de ronde van Zesgehuchten (Geldrop) af te snoepen. Theo vreej mî Zusse, de dochter van de kastelein. En Theo had zijn Zus de bloemen beloofd. Mooi niet dus, De Vleut ging ermee lopen. Maar Theo haalde zijn gram op Het Hout. Voor de poort van zagerij en houthandel Van der Vleuten droogde hij Josse af. Total loss, maar de schande van Zesgehuchten was gewroken. Het sluitstuk van talloze legendarische duels tussen twee telgen uit Rijke Roomsche gezinnen. Bij de Vleut hadden ze er negen, bij de Rut vijftien.

De wraak is zoet voor Theo Rutten


Andere tijden, terug naar de onze. Tiny van der Lee, 75 inmiddels, sukkelt wat met de gezondheid. Jos woont al weer een tijdje mî ons vrouw, een frisch Zeeuwsch meisje, ginds in dat wijdse, winderige land. Theo en Zus zijn binnenkort een gouden paar. En Mari Voets mag op gezag van Petrus af en toe wat goed doorbakken zondaars, die hun schulden en boetes hebben ingelost, uit het vagevuur ophalen.

De zwarte bladzij met als laatste regel Mierlo-Hout wordt gauw omgeslagen. Jos rijdt datzelfde najaar nog zijn eerste koers bij de beroeps. Te Zele (B) in een Flandria-Romeo shirt.
In Wijk bij Duurstede, ’s avonds na de nationale clubkampioenschappen, had ie zijn profcontact getekend. Joop Middelink de bondscoach had nog gesoebat: “Jos, blijf nog even amateur, ik heb je volgend jaar nog nodig voor de ploegentijdrit”. Bekijk het maar dacht De Vleut; hij had zijn neus vol van die mooie praatjes. Nota bene van de man die hem had genegeerd voor Tokyo. De woorden: “laat ze toch allemaal verrekken”, van Peter Post en Piet Libregts galmden nog na in zijn oren. Zonder aarzelen zette hij zijn handtekening op een blanco “overeenkomst”, een maagdelijk wit vel papier. Post had beloofd dat het allemaal dik in orde zou komen. En hij hield woord. Joske kreeg een jaarwedde van honderdduizend Belgische franken. “Alleen de klank al, honderdduizend frank, bij mijn baas verdiende ik als elektricien achtentwintig gulden in de week”.

Joske, links met beugel in 1952


Hij mag nu, bij wijze van spreken, met de grote jongens buiten spelen. Ooit was dat in letterlijke zin heel anders geweest. Als zevenjarige werd Joske getroffen door kinderverlamming. Toentertijd een gevreesde en nogal eens voorkomende ziekte. Zijn rechterbeen wilde niet meegroeien en hij kreeg daarvoor een beugel aangemeten. Met alle sores van dien. Onzekerheid ook over de toekomst. Maar voor een kind geldt allereerst de werkelijkheid van alledag. En die realiteit was niet mis. Toen Jos op school verscheen met zijn beugel was hij op de speelplaats meteen de risee van de club. In een grote kring stonden ze met z’n allen om hem heen. Spottend en sarrend in een meedogenloosheid, die kinderen soms eigen is. Totdat op een gegeven moment meester Smolenaars, die zelf een oorlogsverminking had, tussenbeide kwam. “Hij viet unnen bessem en vèègde er us flink onder. Ze stoven uit mekare en noit heb ik nog last gehad”
Jos overwint de polio. Mentaal weerbaar en fysiek sterk geworden gaat hij voetballen, als keeper en voorstopper. Later handballen bij Swift. Sporten had de dokter gezegd, veel sporten. Verloren terrein inhalen was het motto. Ze gingen echt niet meer lachen met dat manneke van de Parallelweg.
“Het rennen trok me wel natuurlijk. Ik was vaak mee geweest met onzen Ad. Je moet niet vergeten dat er bij een gewoon dorpscriterium echt veul volluk kwam kijke; duuzende. Dat was andere koek dan anderhalve man en een paardenkop aan toeschouwers bij het handballen.
Toen onze Ad als marinier naar Nieuw-Guinea moest, heb ik maar – zogenaamd – zijn renfiets geleend. Oké, in een peloton die rondjes afjakkeren was even wennen. Maar erger was dat ik die fiets in puin reed. Een jaar lang heb ik voor dag en dauw de krant moeten rondbrengen om dat kreng af te betalen.”
Moeder Van der Vleuten was er niet voor. Ze jammerde altijd al zo als zoonlief Ad met kapot gevallen knieën thuiskwam. Maar vader Sjef vond het wel prachtig en had er veel voor over. Jos: “Toen ik bij de Capélux amateurploeg reed, vertrokken we vanuit Schijndel met de bus naar Leeuwarden voor de Ronde van Friesland bijvoorbeeld. In alle vroegte achter op d’n brommert van onze vadder met de fiets op mijn nek. Zo pruttelden we samen van ‘t Hout naar Schijndel. ‘s Avonds laat hetzelfde ritueel maar dan omgekeerd. Echt pas heel laat viel je dan hondsmoe in bed. Maar de volgende dag weer even vrolijk aan de start in de ronde van Veldhoven of Liempde”.


De vuurdoop bij de profs was goed verteerd. Kort maar krachtig weliswaar. In ’65 moest het echt gaan gebeuren. “In de winter trainde ik altijd barbaars. Hardlopen, crossen. Zwemmen deed ik ook heel graag, alleen dat mocht niet. Voor een renner was dat taboe, net als ijs en friet eten. Hardlopen eigenlijk ook, alhoewel ik dat grote onzin vond. De rest ook trouwens, mar ja ge houwt oew eige d’rtoch un bietje an. Vast onderdeel vormde het omzetten van grote stapels gerooid hout in de Lieropse bossen. Fikse boomstammen een eind verder opnieuw opstapelen. Argeloze wandelaars vroegen zich af of ut in munne kop was geslage. Het zweet dreef dan over mijn rug. Of bij bosbouwer Willemke van Westerloo bomen omhakken, op de nek vatten en versjouwen. Een dubbeltje per stuk leverde dat ook nog eens op. Ha, ha, ik deed Ut Hout alle eer aan”.

Vertrek club cross van wielerclub Buitenlust te Helmond bij de Zuid Willemsvaart. Jos op de laatste rij met blauw petje en zonder handschoenen. Toen hadden we nog winters !! Ik denk dat het winter 64-65 was.


Het Spartaanse regiem wierp al meteen zijn vruchten af. Achter Depauw en Reybrouck, kleppers in die dagen, derde in de Omloop Het Volk. Fred Debruyne, de fameuze BRT reporter, vroeg zich af wie dat Hollandse vechtersbaasje eigenlijk was. Joske was sowieso opvallend aanwezig met zijn lange zwarte broek (als enige), witte helm en priemende felblauwe kijkers.
De eerste echte confrontatie met het circus beroepsrennen komt daarna al gauw. Parijs-Nice is een uitdaging en Jos vliegt er, barstend van de energie en courage, vol in. Zoals hij het als amateur gewend was. Een “rookie” die de pikorde komt verstoren. Killing natuurlijk. Jan Janssen het vaderlandse boegbeeld in zijn regenboogtrui vond het kennelijk maar niks. “Twee ritzeges heeft hij me door de neus geboord, die lelijkerd. Ik had het hele spel toen ook nog niet zo goed in de gaten hoor” dixit Jos
Die Koers naar de Zon bleek de eerste statie van een regelrechte kruisweg. Een aaneenschakeling van mislukking en pech. In de Ronde van Nederland maakt hij, zowat voor zijn huisdeur, een doodsmak.

Opgeraapt voor oud vuil verdwijnt hij naar het ziekenhuis. Maar dat was buiten de waard gerekend. Tot verbazing van vriend en vijand, alsmede de Helmondse medische stand, stapt Jos de volgende dag – recht uit het ziekenhuisbed – weer op. Ergens in de buurt van Moerdijk gaat het licht toch uit. De wilskracht kon het niet winnen van het malheur. Retourtje hospitaal. Goed en wel opgeknapt slaat hij in de GP Gazelle in Dieren tegen de vlakte. ”Een klein ventje stak plots voor me over. Weer al mijn knoken kapot”. De Acht van Chaam spant de kroon. “Vijf man weg. Post, Lute, Karst, Van Espen en ik. Ik zit in de slag met Post en Lute tegen de Televiziers. Beresterk reed ik, moeiteloos 56×13 draaiend. Rij ik op een sintelpaadje lek. Weg kans. Kreeg ik ook nog een stomp in mijn oog van een in de weg staande fotograaf. Thuis heb ik de fiets in de verste hoek van de schop gesmeten”. Het was Helmond kermis en drie dagen lang laafde Joske zich meer dan rijkelijk aan de colacognac. Zijn kop stond niet meer naar het fietsen. De kroegentochten in het Oostbrabantse werden een verleidelijk vertier. Totdat iemand in café Moeke Peerbooms in Uden een hatelijke opmerking maakte:” Kèk doar d’n dieje, daenoemt z’n eige nog coureur”. Zoiets moet je niet tegen De Vleut zeggen. Twee dagen later al staat hij aan het vertrek in Zichem. Al zijn opgekropte frustraties spuiend, rijdt hij het hele zootje op tweeënhalve minuut. Daarna brengt hij nog vijf zegepalmen mee naar huis. De ban is gebroken. Joske is back in business. Weer gewend aan het wedstrijdritme, de mores van het metier geaccepteerd. Tot en met 1973 zal hij dat zo blijven volhouden.

Theo Buiting

Foto Theo Buiting

Een gedachte over “Theo’s Buitelingen (43): de Vleut, wilskracht en courage (1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.