TRENTINO: Het summum aan vakantie schreeuwt de advertentie. Zon, bergen, meren, cultuur en gastronomie. Het blijkt waar te zijn. Gastvrij Trentino heeft heel wat in petto voor ons. Wandelen in de Dolomieten. Zonnen en zwemmen in Levico. Met het fietsje op pad. Bergie op, bergie af. Kaiserjägerstrasse. M’n moed om te dalen is omgekeerd evenredig aan het klimmen van de jaren. Volgens waaghals Rini Wagtmans is het allemaal niet zo ingewikkeld. Linke bochten zijn altijd voorzien van een vangrail. Zo is dat ook in Italië. Maar die marmeren en bronzen  plaquettes in de bergwand tegenover die vangrails, ter herinnering aan diegenen die er overheen zijn gekukeld, stellen je toch niet altijd even gerust.

Als geestelijk tegenwicht gaan we af en toe wat cultuur opsnuiven. Naar de stad dus. Aan Trento en Verona ontkom je niet. Venetië is sowieso voor elke modale toerist een verplicht nummer. Na een dagje in die waterstad, schiet de terugtocht naar ons vakantieverblijf voor geen meter op. Tussen Padua en Bassano del Grappa vormt elk dorpje een statie van die kruisweg. Blijkbaar moeten alle mama’s voor het avondeten nog gauw even naar de supermarkt. Pieve di Curtarolo heet het gat waar we weer stilstaan voor het zoveelste stoplicht. Wat verveeld en geïrriteerd, met de vingers op het stuur trommelend, kijk ik om me heen. Hé wat is dat. Mijn oog valt op de etalage van een combiwinkel. Herenmode annex wielrenspullen. Halfacht in de avond, het kind in mij ontwaakt! Zo ziet mijn vrouw dat tenminste.

Italië levert zulke oogverblindend mooie dingen. Alles Italian Design. Auto’s, fietsen, meubels, kleding, koerstruitjes. Allemaal om van te kwijlen. Jarenlang heb ik bijvoorbeeld Alfa’s gereden. Oké ze waren wat garagegevoelig maar superb van vormgeving. En àls ze liepen, dan ook als een tiet. Juweeltjes. Een groengele Legnano met een heuse Campagnolo derailleur en hoge Pirelli’s als mijn eerste koersfiets. Je zweefde over de stenen, het pavé. Echt verkwikkend is het om na de maaltijd voorzien van een enkel glas Chianti, gestrekt, met geloken ogen te mijmeren op zo’n superieur gelijnd Italian design driezitsbankje.

Maar deze aanblik, dit is andere koek. Broeken, schoenen, shirts, helmen. De lokroep van dat uitstalraam is niet te weerstaan. Auto aan de kant en naar binnen. Daar ontrolt zich een tafereeltje dat ik niet gemakkelijk zal vergeten. Verzorgde winkel. Achter een kledingrek leest een man ‘n boek met op de kaft het routeschema van de Ronde van Frankrijk. Tegelijkertijd is ie in gesprek met een drietal om hem heen gedrapeerde mannen. Waarschijnlijk over de STAND DER DINGEN. Zoals veel en vaak gebeurd in mediterrane landen.

Mevrouw staat ons te woord. Waarmee kan ik u van dienst zijn. Als antwoord begin ik wat te rommelen in het rek met truien. Of ze ook ZG Mobili truitjes heeft, vraag ik. Want die vind ik zo mooi. Er glijdt plots een grimas over haar gezicht. Een mengeling van opperste verbazing en directe herkenning. Alsof die toevallig passerende argeloze Hollandse toerist een toverformule heeft uitgesproken. De ban lijkt gebroken. ZG Mobili, herhaalt de vrouw, vragend, ongelovig. Ze kijkt in de richting van de man die nu zijn tourboek opzij legt. Zijn gesprekspartners doen discreet een paar passen terug. Blijven wel op gehoorafstand. Uit een kartonnen doos vist de man het ZG Mobili shirt. Legt het zwijgend, met enig gevoel voor pathetiek, op de toonbank. Prachtig shirt, in het voorpand een over de hele lengte doorlopende rits. Zoals de renners in de Tour hebben. Voor warme dagen, berg- en tijdritten. Juist! Dat zoek ik. En wat kost nou zoiets dan wel helemaal? Nee, schudt de man, deze truitjes zijn niet te koop. Nu slaan bij mij de stoppen even door.

Een winkel vol fietsspullen die kennelijk niet te koop zijn. De vrouw acht het moment rijp om in te grijpen. “Direttore Sportivo, domani Tour de France”, zegt ze wijzend op de truitjesuitpakker.

 Directeur sportif, sportbestuurder, ploegleider. Van wie of wat dan wel. Maak dat de kat maar wijs mevrouwtje. Het is 29 juni 1993, drie dagen voor de proloog van de Grande Boucle. Zo iemand moet dan toch zeker regelen, ritselen, telefoneren, faxen. Hotels reserveren, teambesprekingen houden, de VIP-kaartjes uitdelen en god weet wat al niet meer. In ieder geval geen petjes en sokken verkopen in een dorpswinkeltje. Nee, dat gaat er bij mij niet in. Vanonder de toonbank tovert de man een super glossy boekwerk tevoorschijn: Team Professionistico ZG Mobili Bottecchia Selle Italia, Stagione 1993. Samen bladeren we door de pijnlijk fraaie brochure. Jawel hoor daar staat ie. Al meteen voorin het boekje prijkt de foto van il Direttore Sportivo. Na il Presidente, Davide Gregolon,  het zoontje van de baas van de ZG meubelfabrieken, en naast il Team Manager, Gianni Savio, een op het oog archetype van de “latin lover”. Ontkennen is niet meer mogelijk. Hij is het echt. Flavio Miozzo: oud-beroepsrenner, winkelier en ploegleider. Voormalig knecht van Bitossi, De Vlaeminck, Van Impe en Saronni. We bladeren verder. Tussen de ZG Mobili ameublementen, kanteldeuren, koffers en sieraden wordt de complete ploeg voorgesteld. Van elke renner een toegesneden C.V. compleet met sterrenbeeld, gewicht, lengte, bloeddruk en pols. Voor onze begrippen denkelijk wat veel van het goede.

In het land van de dottore’s zo te zien een must. John van den Akker heeft een bloeddruk van 110/75 en een rustpols van 42. Wat moet ik daarmee. Eigenlijk is de bloeddruk van de ploegleiding, het management, zeker zo interessant.

Zowat alle coureurs geven heel saai en risicoloos “musica” op als hobby. Musica, flarden van Patti Pravo’s La Bambola uit de jukebox van café-zaal Lugano in Valkenswaard drijven mijn herinnering binnen. Maar ik verman me. Het gaat hier om hogere doelen: een ZG Mobili shirt. John van den Akker is bij de hobby’s een vreemde eend in de bijt. Hij houdt van calcio oftewel voetballen. Niemand noemt fietsen als passie. Kan daar wel een beetje inkomen, met al die rotbulten waarover ze heen gejaagd worden.

Heer Miozzo vraagt of ik John van den Akker ken. Uit Veldhoven. Nou ken ik Van den Akker amper, maar oud-Veldhoven des te beter. Begin daarom flink breed uit te pakken over dat wielermekka. Wereldberoemd waren ze immers ter plekke, de gebroeders Theo en Frans Kees, Cor en Gerard Tabak, de rappe Jan Stolk en de beresterke Frans van Geffen. De hoogst gewaardeerde klassieker van Nederland, de Omloop der Kempen is het pronkstuk van wielerclub Tempo. Zo dicht onder de rook van het Vaticaan laat ik niet na om voor pastoor Vekemans, die een tijdlang voorzitter van Tempo was, wat bonus punten bij elkaar te sprokkelen; altijd leuk om de aflaat wat bij te spijkeren. En dan Van Herk de fameuze koersfietsen constructeur alias “d’n Drèijer”, de ome Nol van de (ex-) vrouw van Jan Gisbers. Er gloort een blik van herkenning in z’n ogen. Gisbers kent ie. Jan Raas ook. Die heeft Erik Dekker van hem afgesnoept. Zegt-ie. Vertel hem dat Knaven bij Priem heeft getekend. Knaven, nooit van gehoord. Ja, Priem wel hoor. Het ijs begint te breken. Ik waag nog een poging. Het truitje ligt nog op de counter. Hoeveel moet dat kosten? Mevrouw Miozzo fluistert wat in z’n oor. Hij aarzelt. De reus begint te wankelen, staart even naar het plafond. Dan toch weer een moedeloze nee-knik. Het kan niet, het mag niet. De sponsor weet u wel. Een petje, dat is het enige wat hij voor me kan doen. Gratis voor niks. En het boekje over de ploeg. Mag ik ook zo meenemen. Ik ruik m’n kans. Trek nu echt alle registers open. Vertel over onze persoonlijke bijdrage aan de Italiaanse economie. Vijfentwintig jaar geleden al togen we in een Fiatje 600 naar de koers.

Een trendy racenummer op de portieren geplakt. 69, pikant ja zelfs risqué toentertijd. Vandaag accepteert zo’n Johnny van den Akker dat klakkeloos als rugnummer voor de Tour van ‘93.

Miozzo lacht minzaam. Dan, lichtelijk overmoedig geworden, overspeel ik m’n hand. In WielerRevue, de Nederlandse tegenhanger van Bicisport, schrijf ik stukjes. “Giornalista”. Hij bekijkt me nog eens goed. Natuurlijk, na een dag sjokken in het stratenlabyrint van Venetië ben je niet meer 100% okselfris. Gewogen en te licht bevonden. Rien ne va plus. Het truitje verdwijnt resoluut opgevouwen in de doos. Mijn vrouw en ik verlaten het pand met knikkende knieën, koersklakske, 2000 lire korting op een paar sokken, de prima de luxe brochure onder de arm geklemd. Op de valreep, net voor het buitenstappen, komt ie nog met een suggestie. Terug in Holland moet ik John van den Akker maar ‘ns om een ZG Mobili truitje vragen. Opgelucht nemen we afscheid. Komt ’t toch nog goed. Allengs begin ik in de auto over dat ultieme voorstel na te denken. Wat bedoelt ie daar nou in hemelsnaam mee. En zo ja weet John van den Akker zelf ook al dat ie straks, volgend seizoen, die truitjes niet meer aan mag. Hoe het ook zij, ik stuurde nog een berichtje aan J. van den Akker. Wil ruilen: paar nauwelijks gedragen voetbalschoenen maat 43 tegen ZG Mobili koerstruitje maat 4. Nooit antwoord gehad.

Echt gebeurd. Ben bereid het te zweren, en anders m’n vrouw wel.

Theo Buiting (uit mijn reisdagboek van juni ’93)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.