Vandaag is het zestig jaar geleden dat het Folkloremuseum in Gent verhuisde van de Lange Steenstraat naar het Kinderen Alijnshospitaal op de Kraanlei. Het werd bij die gelegenheid omgedoopt tot Museum voor Volkskunde.
De oorsprong van het Museum voor Volkskunde ligt in 1926. Toen werd de Koninklijke Bond der Oost-Vlaamse Volkskundigen opgericht. De vereniging had als doel de studie van het volksleven te bevorderen. Ze realiseerde dit onder meer door de uitgave van het volkskundig tijdschrift Oost-Vlaamse Zanten, vanaf 1927, en de oprichting van een volkskundige bibliotheek. De collectie van de vereniging, aanvankelijk ondergebracht in de stadsbibliotheek, groeide in de volgende jaren zo sterk aan, dat een nieuwe thuishaven zich opdrong. In 1932 zag het Folkloremuseum dan het licht.
HET HUIS VAN ALIJN
Uit diverse onderzoeken die de afgelopen jaren zijn gevoerd, is echter gebleken dat de begrippen ‘Folklore’ en ‘Volkskunde’ vooral bij jongeren negatieve associaties oproept, zoals starheid en oubolligheid. Daarom werd het ‘Museum voor Volkskunde’ op zijn beurt in 2000 ‘Het Huis van Alijn’.
Het Huis van Alijn op de Kraanlei is dus gevestigd in wat men vroeger het Kinderen Alijnshospitaal of Sint-Catharinahospitaal noemde. De moord op de gebroeders Alijn in de 14de eeuw ligt aan de basis van de stichting van het hospitaal. Twee verschillende versies doen de ronde; een geromantiseerde en een historisch gedocumenteerde.
In de 14de eeuw lagen de Gentse wevers en volders voortdurend met elkaar in de clinch. Een jonge volder, Hendrik Helijn of Alijn, werd verliefd op een zekere Godelieve, een rijke weversdochter. Haar vader weigerde toestemming te geven voor een huwelijk en had voor zijn dochter ene Simon Rijm als partner in gedachten, een rijke patriciër, afkomstig uit het weversambacht. Maar Godelieve bleef ongevoelig voor de avances van de rijke wever. Gekwetst door haar weigering en opgehitst door de haat tegen de vijandige volders, zon Simon Rijm op wraak.
Vergezeld van zijn broer en enkele bendeleden begaf hij zich naar de Sint-Janskerk (de huidige Sint-Baafskathedraal) en vermoordde er tijdens de kerkdienst zijn rivaal Hendrik Alijn, diens broer Zeger en een dienaar. Met bebloede kleren trok hij naar Godelieve en dwong haar met hem te vluchten. Het duurde niet lang of het koppel werd gevat. Simon Rijm en zijn trawanten werden veroordeeld tot eeuwige verbanning uit de stad. Godelieve vond een onderkomen in het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg. (Verder is er in Gent nog het Klein Begijnhof in de Lange Violettestraat en het Elisabethbegijnhof, gelegen tussen Rabotstraat en Begijnhoflaan.) Als boetedoening voor de moordaanslagen zou de familie Rijm dan een hospitium inrichten voor arme zieken.
Volgens een meer historische versie echter behoorde Simon Rijm samen met zijn broer Goessin tot één van de oudste en invloedrijkste families van Gent. In 1352 had hij Hendrik Alijn, schepen van de stad, en diens broer Zeger smadelijk beledigd. Meer details hierover zijn niet bekend. Tussen beide families en hun achterban ontstond een diepe haat, “wanconst, rancuer, nyt ende onminne”. De Graaf van Vlaanderen gaf in 1353 aan de schepenen in hun functie van “paysierders” (vredebrengers) de opdracht beide partijen met elkaar te verzoenen.
De schepenen riepen beide partijen bij zich en gingen over tot een “zoendinc”. Beide partijen moesten verklaren “bi trouwe, bi eede, bi waerheden, ende bi aldien dat zi van Gode houdende waren, als kerstenen lieden”, dat zij wat gebeurd was in het verleden zouden vergeten en de vrede niet meer zouden verstoren, op gevaar af een boete van 300 pond parisis te moeten betalen aan de tegenpartij.
Niettegenstaande deze dure eden trokken Simon en Goessin Rijm vergezeld van enkele trawanten naar de Sint-Janskerk en vermoordden er verraderlijk Hendrik Alijn, terwijl ze Zeger tot op het kerkhof achtervolgden en hem dodelijk verwondden. Ook een knecht werd gedood.
De terreur die Simon en gezellen deed ontstaan (zelfs in kerkdiensten waar zwangere vrouwen aanwezig waren), was zo groot dat ze de oorzaak was van verscheidene miskramen “ende van vare eenighe bedorven syn ende de vrucht die si droughen”. De moord op schepen Alijn werd gepleegd in het begin van 1354. Ze werd bezwaard door heiligschennis en majesteitsschennis, vermits ze in een kerk plaatsvond en een lid van de magistratuur het slachtoffer was. De moordenaars namen onmiddellijk de benen.
De Graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, begaf zich terstond naar Gent. Hij besprak de zaak op 9 mei 1354 in zijn raad en beval het stadsmagistraat de zaak verder te onderzoeken: “daden segghen ende bevelen onsen vorseide scepene van Ghent dat zy tfoseide fait naer de grothede ende horribelhede vorseid corrigieren zouden”.
Vermits de beschuldigden niet opdaagden, werden zij bij verstek buiten de wet geplaatst en er werd bevel gegeven hun woningen te slopen, met verbod ze opnieuw op te bouwen door henzelf of hun nakomelingen. Op het hoofd van de schuldigen werd bovendien een prijs gezet van 100 pond tournois: “wie die enighen van desen vors. personen ter dood bringhen zal ende van desen misdoeners, die zal hebben van onser stede goede honderd pond. torn.”
Op 26 mei 1354 had Pieter Alijn, broer van de twee slachtoffers en echtgenoot van Marie Rijm, zuster van Simon en Goessin Rijm, plechtig beloofd geen wraak te zullen nemen voor de bedreven moorden, op straffe van 1.000 pond tournois boete.
Op 5 mei 1362 riep graaf Lodewijk van Male zijn raad samen in de abdij van Drongen. In het bijzijn van Lodewijk van Namen velde hij volgende uitspraak: beide partijen dienden af te zien van alle represailles. Zij dienden te verzaken aan alle eisen tot schadevergoeding. Simon en Goessin Rijm zouden een jaarlijkse rente van 100 pond parisis samenbrengen waarvan de opbrengst zou gebruikt voor het onderhoud van een godshuis of hospitium. Daar er twee dodelijke slachtoffers waren (de dienaar was klaarblijkelijk “quantité négligeable”, een slachtoffer van “friendly fire” zou men vandaag zeggen), dienden zij een eeuwdurende rente samen te stellen van elk 20 pond parisis om er twee kapelanijen mee op te richten.
Voor het godshuis zelf moest er eerst een degelijk gebouw gevonden worden. Simon Alijn en Catherina Zelverberch, ouders van de slachtoffers, bepaalden nog tijdens hun leven dat het huis dat zij bewoonden nabij de Oudburg langs de Leie als godshuis kon worden ingericht.
Op 23 juli 1363 ratificeerde de abt van de Sint-Baafsabdij, die het patronaatschap had van de Sint-Michielsparochie tot wier jurisdictie het nieuwe hospitium behoorde, het legaat, alsook de bouw van een bedelhuis met klok en toren en de stichting van de twee kapelanijen.
Op 15 augustus van hetzelfde jaar bevestigde de graaf deze schenking en stond aan Simon d’Amman en verwanten van de broeders Alijn toe het huis, de tuin en de aanhankelijkheden van de ouders Alijn tot een godshuis in te richten.
Vanaf zijn ontstaan werd het godshuis door beide families rijkelijk begunstigd met de bedoeling de pijnlijke sporen van hun haat en vendetta uit te wissen. Uiteindelijk verklaarden op 10 november 1364 de Gentse schepenen dat Simon Van der Zickelen de diverse geldsommen bestemd voor het onderhoud van het hospitium en afkomstig van de familieleden in het kader van het “zoengeld” aan de administrateurs van het Alijnshospitaal overhandigd had.
Zonder verwijl (“onverwijld”, zoals de splitsing Brussel-Halle-Vilvoorde) dienden acht oude, arme en zieke personen aangenomen te worden. Ze dienden de opbrengsten die aan het hospitium verbonden waren onder elkaar te verdelen, mits aftrek van de algemene kosten. Al naargelang de inkomsten al dan niet voldeden konden de bestuurders het aantal prebendetrekkers verminderen.
Omstreeks 1513 was het godshuis, waarschijnlijk wegens slecht bestuur, in vervallen toestand geraakt. Het werd toen heropgericht door Lievin Van Pottelberghe en zijn vrouw Lievine Van Steelandt. Dezen deden toen zestien nieuwe huisjes bouwen. In 1529 stichtten ze acht nieuwe prebendes, zes op hun kosten en twee op wat nog overbleef van de oude goederen van het godshuis. Hun zoon François Van Pottelsberghe legde in 1543 de eerste steen van de kapel die nu nog steeds bestaat. Zijn vrouw kwam ruimschoots tussen in de bouw en deed de kapel inwijden op 29 maart 1546 door de bisschop van Doornik. Het torentje werd opgericht in 1549.
Tijdens het Franse bewind stond het Alijnshospitaal onder leiding van de Stedelijke Commissie der Burgerlijke Godshuizen. In 1883 werd het door de Commissie verkocht en verhuurd als beluik. De kapel deed dan dienst als werkplaats en schrijnwerkerswinkel.
In 1913 fungeerde het gebouw als tentoonstellingsruimte tijdens de Gentse wereldtentoonstelling.
In 1941 koopt het Gentse stadsbestuur het gebouw, dat in 1943 tot beschermd monument wordt uitgeroepen. In 1953 wordt beslist om het Museum voor Volkskunde in het Alijnshospitaal onder te brengen. In 1954 wordt gestart met de restauratie naar plannen van Valentin Vaerwijck en sedert 1962 doet het dienst als Museum voor Volkskunde.
Ronny De Schepper