In ‘Zipper und sein Vater’ (1928) (‘Zipper en zijn vader’, Atlas, Antwerpen, 2011) laat Joseph Roth het verhaal vertellen door de (vaderloze) vriend van Arnold Zipper. Die als kleine jongen eerbied, zelfs liefde koesterde voor de vader van zijn kameraad, hem als een god aanbad. Hij was jaloers op zijn kameraad. Wat een zegen dat hij al zijn vrije uren kon doorbrengen in het gezin van Zipper, dat hij kon aanschuiven bij de maaltijden. De knaap hemelt papa Zipper op… Reden genoeg om wantrouwig te worden, vooral bij een auteur als Joseph Roth.

De positieve eigenschappen worden al snel omgebogen en in een ander daglicht gesteld. Dat de veel oudere broer van Arnold, Caesar, het zwart schaap van het gezin, zich zelden vertoont en blijkbaar op het verkeerde pad is, de vader uitdaagt, tart – wat is de oorzaak? En de relatie met de vrouw des huizes die nauwelijks een woord zegt… Langzaam doemt de figuur van vader Zipper op als een driftig en koleriek persoon. Gefrustreerd omwille van onvervulde dromen. Dromen die niet waargemaakt werden vooral omdat hij zo zwak is. Afgunstig op zijn echtgenote die van betere afkomst is, getuigen de talrijke schilderijen van haar roemrijke voorouders aan de muren – zodat hij, Zipper, zich in allerlei poses liet fotograferen en ook zijn portretten aan de wanden prijken! Kinderachtigheden… zoals hij dweept met enkele wat duurdere voorwerpen die hij ooit kon verwerven toen hij geluk had bij het gokken in Monte Carlo, een horloge, een wandelstok… Zijn echtgenote, zoveel beter opgevoed, intelligenter – hij vernedert haar, minacht haar. Terwijl zij nog alleen afkeer voelt voor deze slappeling die gedesillusioneerd uit de oorlog teruggekeerd is.

Is hij in alles mislukt dan verwacht hij dat zijn zoon zijn dromen zal waarmaken. Zijn ideaal: hem opvoeden ‘tot mannelijkheid’! Voor wat dit begrip waard is: net wat hij niét bezit dus. Arnold moet worden wat hij ooit ambieerde, een maatschappelijke status bereiken, studeren. Zelf oordeelt hij zich als intelligent terwijl wat hij spuit louter weetjes zijn. Zijn vader was schrijnwerker, een ‘proletariër’. Hij startte zelf ook zo maar wist zich op te werken tot ‘burger’ dankzij de winst in het casino en het rijke huwelijk. Zo begint hij een papierhandel die niet bepaald floreert. Hij is bovendien ambitieuzer en probeert andere projecten die eveneens tot ondergang gedoemd zijn. Financieel zal het gezin Zipper steeds op de grens van de armoede zitten hoewel vader naar de maatschappij toe de schijn hooghoudt en zelfs in het bestuur zit van meerdere liefdadigheidsorganisaties. Hij ziet zich gedwongen – de vernedering! – zijn salon, de plaats die als statussymbool fungeert, te verhuren als een ordinaire huisbaas.  

Vader Zipper blijkt een zielige figuur, het is een scherpe satirische tekening van de burgerman die schimpt op de keizer maar in de optocht vooraan loopt, die niet gelooft maar bij elke plechtigheid op de eerste rij in de kerk zit. Die iedereen kent, populair is, maar geen echte vriend heeft. Iemand die zijn uren verbeuzelt met andere burgermannen in het koffiehuis waar een klok staat die men dagelijks opwindt hoewel zij geen wijzers meer bezit om de tijd aan te duiden… Het leven neemt een keer: er is de aanslag op de troonopvolger in Sarajevo. Oorlog! Na aarzelen en gehakketak laten de broers Zipper Arnold en Caesar, en de schrijver zich inlijven en trekken naar het front. Ook vader meldt zich aan: gezien hij drie woorden Russisch kent slaagt hij er in hoofd te worden van de dienst die de brieven censureert van de Russische krijgsgevangenen. Het loopt zoals het loopt. Caesar verliest een been, Arnold raakt gewond. Maar dankzij de gage van de drie gezinsleden is er nu eventjes financiële ademruimte. Met Caesar, het buitenbeentje, marginaal, loopt het minder fraai af – hij belandt in het gekkenhuis en zal nogal roemloos en onbemind sterven. 

Voor Arnold dient onverwijld een toekomst gezocht, hét project van papa Zipper die daarvoor eerst zijn pijlen richt op zijn broer die farmer is in Brazilië en jaarlijks op bezoek komt. Hij zou Arnold kunnen meenemen en hem een bestaan in Zuid-Amerika garanderen? Schriller contrast dan dit tussen de twee oudere Zippers is niet denkbaar: de vrijgevochten, succesvolle man die het avontuur overzees opzocht. Uiteraard weigert hij: wat kan een jongen als Arnold, gedoemd om in de burgerlijke voetsporen van zijn papa te stappen in Brazilië aanvangen. Geen nood, via een kennis versiert vader een ‘lucratief’ (sic) baantje in overheidsdienst voor zijn zoon. Hij is ambtenaar op laag niveau, belandt in een klein kantoor bij twee oude collega’s voor onbenullig zinloos werk. In een sfeer van verveling, jaloezie, achterdocht – een pijnlijke tekening van een werkomgeving waar zovelen hun jaren slijten. In al die sfeer van huichelen en schijnheiligheid die we over ons uitgestort krijgen last Roth dan plots een lichtpuntje in: hij laat Arnold vertellen over een jeugdverliefdheid voor ene Erna Wilder, een sprankje oprechtheid en ontroering. Waarvoor de jongen zich de dag nadien al lijkt te schamen… Dat prille gevoel heeft hem nooit verlaten, hoewel alles relatief is: is hij nog verliefd…? “Ik bedoel: hij verkeerde in een toestand die sinds jaar en dag verliefdheid wordt genoemd”. Maar niets is wat het is! Alles is schijn. Roth maait zijn personages, en zijn lezers, voortdurend het gras onder de voeten vandaan.    

Arnold, wat een bestaan. Hij interesseert zich voor kunst, dit wil zeggen: hij zit bij kunstenaars in het koffiehuis. Hij kijkt daar ook naar de gokkers. Hij volgt graag de discussies die er zich ontspinnen. Overal blijft hij als een toeschouwer aan de rand, hij participeert niet, hoort er nooit bij. Met zijn vader gaat het niet zo best. Hij takelt nu ook lichamelijk af. Twee kwalen plagen hem al jarenlang: maag en longen. Voor soelaas zou hij naar twee verschillende kuuroorden moeten; gezien zijn weifelmoedigheid kan hij nooit besluiten welk van de twee te kiezen. Absurd natuurlijk vermits hij niet eens geld heeft om waar ook heen te gaan. Dan gebeurt er iets, een onverwachte wending. Arnold blijkt gedurende een week verdwenen, hij heeft zijn ontslag ingediend. Een catastrofe? Nee. Niet bij de Zippers. “In hun leven hadden de lotgevallen geen oorspronkelijke en spontane kracht. Ze hadden de trage, saaie werkzaamheid van boorwormen.” Hij heeft simpelweg zijn jeugdliefde Erna Wilder opgezocht. Wat is het eerste, essentiële dat we over haar moeten weten: zij is “te intelligent om iets schrander te zeggen. Dus zweeg zij”. Wat is de reden dat hij naar haar op zoek ging, liefde? Nee, dat denkt hij misschien maar hij wil weg uit zijn monotoon bestaan, uit de gelijkmoedigheid – hij wil hartstocht, echte emotie voelen. Haar motief om hem te volgen? Ziet zij in hem vooral een willoos dienaar… Met een contract van een toneelgezelschap op zak trekt Erna met Arnold naar Breslau waar ze huwen – een liefdeloze verbintenis. Ambitieus als zij is belanden ze daarna in Berlijn waar haar veelbelovende filmcarrière start.

Het levert een portret op van de filmindustrie, een nepwereld van would-be kunstenaars en dito zakenlui. Intelligent en sluw werkt Erna zich naar de top, zij speelt in het leven meer rollen dan in het theater of de film. Arnold slaagt er in filmrecensent te worden: wat een wereld waar de journalistiek afhankelijk is van reclame en sponsors… Op deze wijze is hij met inside informatie nuttig voor zijn ‘echtgenote’ met wie hij niet eens samenwoont; ze ontmoeten elkaar enkel op zondagnamiddag, dan kan hij haar bezoeken in de villa waar zij met drie vriendinnen en haar personeel woont. In een buurt van rijkelui ‘die slechts twee verplichtingen hebben: binnen vijf jaar tweemaal huwen en ieder jaar driemaal bestolen worden’. Wat is er met vader Zipper inmiddels? Hij komt naar Berlijn als gedaagde in een proces over zijn zieltogende papierhandel. Dat is aanleiding tot komische scènes in de rechtbank – het proces van de rechtspraak wordt gemaakt. Vader en zoon ontmoeten elkaar na lange tijd weer en nu blijkt hoezeer Arnold inmiddels qua belachelijkheid op zijn vader is gaan lijken. Maar de oude Zipper beleeft dit in een soort kinderlijke gelukzaligheid, bij de zoon merken we een zweem van droefheid. “Ze zaten allebei in de avondschemering als op een schip en zeilden traag, dwaas en gelukzalig hetzelfde lot tegemoet.” 

Dat lot is de totale neergang. Erna krijgt een ongeluk, belandt in een sanatorium, het betekent het einde van haar carrière. Gebukt onder de schulden woont het echtpaar tenslotte in een huurhuis waar zij een zielig, lichtgeraakt vrouwtje wordt – de vergelijking met mama Zipper dringt zich op. Is er een uitweg? Arnold trekt naar Monte Carlo, gaat gokken – zo treedt hij ook hier in de voetsporen van papa. Erna jaagt dan toch haar ultieme droom achterna en belandt in Hollywood – om nu rollen als oudere vrouw te vertolken. Het blijft stil rond het gezin Zipper. Het enig teken van leven dat de schrijver ontvangt zijn enkele prentkaarten van Arnold uit steden als Lissabon, Boston, Amsterdam. Ach ja, het zal tenslotte blijken dat hij zijn roeping gevonden heeft! Een musicus was hij niet, veel meer dan enkele noten kon hij niet aan zijn viool ontlokken, net als zijn vader, maar die waren dan wel overtuigend weemoedig; net voldoende om als de domme August in het circus op te treden en daarna de klappen te incasseren hem toegediend door Pierrot. Wat een bestemming… De schrijver van dit alles is benieuwd hoe de oude Zipper, het idool van zijn kinderjaren, het inmiddels stelt. Hij reist naar Wenen om hem te bezoeken, arriveert aan de woning, net op tijd om te zien hoe de lijkkist wordt buitengedragen. Hij herinnert zich de meelijwekkende, tragikomische figuur: “Zijn grappen waren niet vrolijk, zijn ernst was lachwekkend, zijn eerzucht ging schuin op het doel af, hij was een spreker met een zwak geheugen, een schrijnwerker die niet wist te fabriceren, een vioolbouwer die maar één lied speelde – en dat lied was droevig en bij dat lied was hij opgewekt. En toch had hij mijn dagen gevuld.” 

Een zielige figuur, in zijn zieligheid noodgedwongen opgevolgd door zijn zoon Arnold. Immers – en dat is de essentiële boodschap – de vaders zijn schuldig aan de tegenspoed van hun kroost. De vaders en de oorlog… Vooral de gehoorzaamheid aan de ouders, de gedweeheid was de doem die hun lot bepaalde. De roman besluit met een brief aan Arnold van zijn vriend de schrijver, zijnde en dus ondertekend… Joseph Roth! “Er zal een verre echo van die ene toon van jouw viool zweven, naast de al even verre echo van een gedachte die ik ooit heb mogen opschrijven. En stellig zal het mislukte verlangen van onze hele generatie onsterfelijk blijven, zoals het ook onvervuld is gebleven.”

Genadeloos, scherp, heeft Roth in deze roman de feilen van een maatschappij blootgelegd. Hij laat de diverse aspecten van de burgerlijke gemeenschap zoals ze vermeld werden defileren en zet hen in hun hemd. Met humor, sarcastisch, wrang. Soms iets milder. Met geen medelijden voor eigendunk en snoeven. Met begrip voor onmacht, voor de kleine mens die zwicht voor de doem van zijn lot. Hij, de schrijver, zag het aan. Met pijn, met leedwezen. Maar zoals hij schrijft, “de auteur heeft de opdracht te kopiëren wat hij ziet”. Dat was een bekrompen burgerij, zonder idealen uit een oorlog teruggekeerd, die haar moedeloosheid doorgaf aan de volgende generatie onder het mom van dwaze dromen in een sfeer van lankmoedigheid.  

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.