Op 22 april 1952 stelde Eerste Kamerlid Willem Carel Wendelaar (1882-1967) vragen over een gedicht van Jan Hanlo. De VVD’er vond het gedicht een “onaanvaardbare uiting van kunst”. Wat Wendelaar vooral stak was dat het in zijn ogen onzinnige gedicht in een door de Staat gefinancierd blad was verschenen. (foto van de Eerste Kamer door CC BY 2.0 – Minister-president – wiki)

Willem Carel Wendelaar (1882-1967) – archief Eerste Kamer

Maar welk gedicht maakte de tongen in de Eerste Kamer precies los? Dit is het gedicht met de bijzondere titel Oote oote oote boe (ook wel kortweg Oote). Niet alleen de titel van dit gedicht is ‘bijzonder’. In het hele gedicht is namelijk geen normaal woord te vinden. Het bestaat volledig uit klanken. Wat de dichter daarmee precies wilde zeggen, was velen een raadsel. En die dichterlijke vrijheid werd dus niet door iedereen gewaardeerd.

Hanlo zelf stelde dat het om een zogenaamd ‘klankgedicht’ ging, met een soort ‘kinderbrabbeltaal’. Het gedicht verscheen in 1951 in het door het Rijk gesubsidieerde tijdschrift Roeping. Nadat weekblad Elsevier hier aandacht aan had besteed, besloot VVD-Kamerlid Wandelaar de zaak politiek te maken. In de Kamer las hij op 22 april 1952 enkele zinnen uit het gedicht voor:

„ Ah ach ah ach ach ah a a
Oh ohh ohh hh hhh (etc.)
Hhd d d
Hdd
D d d d da
D dda d dda da
D dda d dda da
D da d da d da d da d da da da.”.

Hierna legde de VVD’er uit wat hem precies stak in dit gedicht.

“Ik zal maar niet doorgaan; ik denk, dat de meeste heren het gelezen hebben en ik ben bang, dat ik de Kamer er te veel mee zou ophouden. Laat mij daarom alleen zeggen, waar ik heen wil. Het zou geen zin hebben, dergelijke uitingen van decadentie — als men ze ernstig neemt — of van onbeschaamde uittarting van ons, arme lezers — als men ze niet au sérieux neemt — hier te bespreken, ware het niet, dat dit gedicht oorspronkelijk gepubliceerd is in Roeping, een door den Staat gesubsidieerd, maar mij verder volkomen onbekend tijdschrift. En nu vraag ik den heer Staatssecretaris: is het cultuurbevordering, dergelijke lectuur, als waarvan ik hier een staaltje gaf, te helpen financieren?”

In de moeilijke tijden waarin het land zich bevond, had men volgens het Wendelaar behoefte aan een wat meer verheffende kunst. Ook kunstenaar moesten verantwoordelijkheid nemen.

“Romain Rolland laat Jean Christophe zeggen: C’est le róle de l’artiste de créer le soleil lorsqu’il n’y en a pas! Dat er artisten zijn, die deze taak vergeten en daarentegen door hun infantiel gebazel ons aller rampzaligheid nog dieper doen gevoelen, tant pis; maar laat de Staat zich er zorgvuldig van onthouden hieraan enigen steun te geven.”

Jo Cals (1914-1971) was op dat moment staatssecretaris van Cultuur. In zijn beantwoording hield hij zich redelijk op de vlakte. Cals was van mening dat het niet direct aan hem was om te bepalen wat een kunstenaar wel of niet kon doen. Kunst en politiek moesten wat de bewindsman betreft gescheiden blijven. (Met dank aan de redactie van historiek.net)

Jan Hanlo was overigens ook verder niet onomstreden, zie hiervoor mijn eigen bijdrage op deze blog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.