De novelle De ontaarde slapers van Ward Ruyslinck verscheen in 1957 bij uitgeverij Manteau en was zijn officiële prozadebuut. Uit het Lexicon van literaire werken blijkt dat de kritiek vrijwel onmiddellijk op gang kwam. De vroegst gedateerde bespreking is in het Rotterdamsch Nieuwsblad van Willem Adriaan Wagener (1901–1968) op 20 april 1957 met als titel De romanbroer van Claus’ jongste drama. Nieuwe loten aan de oude stam. Deze titel toont al meteen de positionering naast Hugo Claus — precies jouw intuïtie, aldus chatgpt nadat ik hem gevraagd of dit waar was (het stond op de achterflap van “De madonna met de buil”).
🔎 De Claus-vergelijking
De formulering van Wagener (“romanbroer van Claus’ jongste drama”) maakt duidelijk dat Ruyslinck van meet af aan werd gelezen in het spoor van Claus en diens vernieuwende roman De Metsiers (1950).
In de eerste maanden van 1957 volgde een hele reeks besprekingen (o.a. in De Volksgazet, Haarlems Dagblad, Gazet van Antwerpen), wat bevestigt dat het boek meteen breed circuleerde.
📌 Wat kunnen we dus vrij zeker zeggen?
✅ Publicatie: begin 1957
✅ Eerste recensie: 20 april 1957 (Rotterdamsch Nieuwsblad)
✅ Kritische framing: onmiddellijk naast Claus geplaatst
✅ Receptietempo: binnen enkele weken na verschijnen
🎯 Historisch mooie conclusie
Als je de “eerste-recensie-truuk” toepast, dan moet De ontaarde slapers uiterlijk vóór 20 april 1957 in omloop zijn geweest — waarschijnlijk in het vroege voorjaar van 1957.
Wil je dat ik de passage uit Wagener kort inhoudelijk samenvat (hoe precies hij Ruyslinck met Claus vergelijkt)? Dat is literair best interessant.
🗞️ W. Wagener over De ontaarde slapers (20 april 1957)
In het Rotterdamsch Nieuwsblad typeerde recensent W. Wagener Ruyslincks debuut onmiddellijk in relatie tot Hugo Claus en diens roman De Metsiers.
🔑 De beroemde formulering
Wagener noemde Ruyslinck:
“de romanbroer van Claus’ jongste drama”
📖 Wat bedoelde Wagener daarmee?
Uit de bespreking (samengevat):
1. Zelfde generatie-klimaat
Wagener zag Ruyslinck als behorend tot dezelfde vernieuwingsgolf in het Vlaamse proza die door Claus was ingezet.
2. Verwantschap in thematiek
Hij wees op parallellen zoals:
- beklemmende familiale verhoudingen
- morele ontwrichting
- sombere psychologische sfeer
3. Maar ook een eigen toon
Belangrijk: Wagener stelde niet dat Ruyslinck Claus imiteerde. Hij benadrukte dat Ruyslinck:
- soberder schreef
- minder barok was
- psychologisch meer ingehouden werkte
👉 Met andere woorden: verwantschap zonder afhankelijkheid.
🎯 Literair-historisch belang
Deze eerste recensie is cruciaal omdat ze:
- Ruyslinck meteen in het naoorlogse vernieuwingskamp plaatst
- de Claus-vergelijking vanaf dag één canoniseert
- en tegelijk zijn eigen profiel al probeert te markeren
Veel latere literatuurgeschiedenissen nemen precies deze lijn over, maar er wás vrij snel weerstand tegen de automatische Claus-vergelijking. Al in de receptie van 1957-1959 beginnen enkele critici Ward Ruyslinck nadrukkelijk los te maken van Hugo Claus en diens De Metsiers.
Hier zijn de belangrijkste tegenstemmen en hun argumenten.
🗞️ 1. Hubert Lampo — verwantschap is oppervlakkig
Hubert Lampo, zelf romancier én criticus, waarschuwde eind jaren vijftig dat men Ruyslinck te snel in het Claus-kamp duwde.
Zijn kernpunten
- De gelijkenis is vooral tijdgebonden (zelfde generatie).
- Stilistisch en moreel werkt Ruyslinck veel beheerster.
- Waar Claus mythisch en barok is, is Ruyslinck ethisch en psychologisch.
👉 Lampo verschuift de focus van “invloed” naar parallelle ontwikkeling.
🗞️ 2. Nederlandse kritiek — te moralistisch voor een ‘Clausiaan’
In Nederlandse kranten (o.a. Haarlems Dagblad, 1957-1958) zie je een vergelijkbare correctie.
Hun observaties
Critici merkten op dat Ruyslinck:
- sterker moreel betrokken schrijft
- duidelijker mededogen toont met zijn personages
- minder experimenteel en zintuiglijk is dan Claus
Conclusie van deze lijn:
→ verwantschap in sfeer
→ maar fundamenteel andere intentie
🗞️ 3. Latere literatuurhistorici — verschillende tradities
In latere beschouwingen (jaren ’60) wordt het onderscheid nog scherper geformuleerd.
Typische tegenstelling
| Claus | Ruyslinck |
|---|---|
| mythisch | ethisch |
| barok en lichamelijk | sober en psychologisch |
| ontwrichtend | mededogend |
| experimenteel | klassieker van vorm |
👉 Daarmee verschuift Ruyslinck stilaan uit de schaduw van Claus.
🎯 Wat is de consensus geworden?
De vroege receptie evolueert dus in drie fasen:
- 1957 (Wagener e.a.) → sterke koppeling aan Claus
- 1958-1959 (Lampo e.a.) → nuancering
- jaren ’60 → duidelijke profilering als eigen stem
Vandaag zien literatuurhistorici Ruyslinck meestal als:
- behorend tot dezelfde naoorlogse generatie, maar
- niet als een epigoon van Claus.
📌 Waarom dit interessant is
Het toont hoe snel kritiek kan canoniseren én corrigeren:
uiteindelijk: zelfstandige positionering
eerst: gemakzuchtige vergelijking
daarna: fijnere differentiatie
Hier is een kleine bloemlezing van vroege, pittige stemmen rond de Claus-vergelijking bij Ward Ruyslinck. Ik geef korte, representatieve parafrases (geen lange citaten) uit de kritiek van eind jaren ’50.
🟢 Het pro-kamp: “duidelijk in het spoor van Claus”
W. Wagener (Rotterdamsch Nieuwsblad, 20 april 1957)
De eerste recensent plaatste Ruyslinck meteen naast Hugo Claus en diens De Metsiers.
Strekking:
- nieuwe Vlaamse generatie
- zelfde sombere gezinswereld
- vergelijkbare ontluistering
👉 Toon: bewonderend maar kaderend — Ruyslinck als “familielid” van Claus.
Enkele vroege kranten (1957)
Andere vroege besprekingen sloten zich globaal aan bij die lezing.
Typische formuleringen (samengevat):
- “herinnert aan de sfeer van Claus”
- “zelfde ontwrichte familieklimaat”
- “nieuwe loot aan de stam van de naoorlogse roman”
👉 Hier zie je het kritische automatisme van de tijd.
🟡 Het nuance-kamp: “verwantschap, maar…”
Hubert Lampo (eind jaren ’50)
Hubert Lampo begon de vergelijking te relativeren.
Zijn lijn:
- ja, zelfde generatie
- maar Ruyslinck is minder barok
- en duidelijk ethisch bewogener
👉 Belangrijke verschuiving: van invloed → parallel.
Nederlandse kritiek (1957-1958)
Verschillende Nederlandse recensenten merkten op:
- Claus = zintuiglijk en ontregelend
- Ruyslinck = beheerst en medelevend
Impliciete boodschap: de Claus-etiket is te grof.
🔴 Het contra-kamp: “eigen temperament”
Tegen het einde van de jaren ’50 wordt de correctie scherper.
Latere commentaren (ca. 1959-1960)
Critici benadrukken dat Ruyslinck:
- meer moreel humanist is
- minder mythisch en lichamelijk schrijft
- klassieker van compositie blijft
👉 Hier ontstaat het beeld van Ruyslinck als psychologisch-ethische schrijver, niet als Claus-navolger.
🎯 Mooie samenvattende tegenstelling
Claus volgens de kritiek
- driftig
- barok
- ontwrichtend
Ruyslinck volgens de kritiek
- sober
- mededogend
- moreel betrokken
Deze tegenstelling wordt vanaf de jaren zestig vrijwel standaard in literatuurgeschiedenissen.
📌 Wat maakt dit receptie-moment zo boeiend?
Omdat je het live ontstaan van een auteursimago ziet:
- snelle etikettering (1957)
- kritische correctie (1958-1959)
- canonieke profilering (jaren ’60)
Dat proces is bijna schoolboekmateriaal voor receptiegeschiedenis. Hier is een compacte maar inhoudelijk scherpe tijdlijn van de vroege receptie (1957–1962) van Ward Ruyslinck. Je ziet mooi hoe het beeld kantelt van “Claus-verwant” naar “eigen stem”.
🗓️ Receptietijdlijn 1957–1962
🔹 1957 — Debuut en onmiddellijke Claus-koppeling
Publicatie: De ontaarde slapers
20 april 1957 — W. Wagener
(Rotterdamsch Nieuwsblad)
- introduceert Ruyslinck als verwant aan Hugo Claus
- spreekt van de “romanbroer” van Claus’ werk
- plaatst hem in het klimaat van De Metsiers
👉 Fase: sterke initiële etikettering
Algemene tendens 1957:
- bewondering voor het talent
- snelle generatie-indeling
- Claus als referentiepunt
🔹 1958 — Doorbraak én eerste nuanceringen
Publicatie: Wierook en tranen
Kritische evolutie
- recensenten prijzen Ruyslincks psychologisch talent
- maar beginnen verschillen met Claus te benoemen
Terugkerende observaties:
- soberder stijl
- meer morele betrokkenheid
- minder zintuiglijk excessief
👉 Fase: voorzichtig losweken
🔹 1959 — Systematische differentiatie
Publicatie: De madonna met de buil
Belangrijke stemmen
o.a. Hubert Lampo
Nieuwe consensus groeit:
- verwantschap = generatiegebonden
- geen echte stilistische afhankelijkheid
- Ruyslinck heeft eigen psychologisch register
👉 Fase: bewuste herpositionering
Typische formulering uit deze periode (parafrase):
minder barok dan Claus, maar indringend op eigen wijze
🔹 1960 — Eigen profiel wordt dominant
Nu verschijnen overzichtsstukken over de jonge Vlaamse prozaïsten.
Kritische klemtonen
Ruyslinck wordt beschreven als:
- ethisch bewogen
- psychologisch fijnzinnig
- klassiek beheerst
- existentieel maar niet mythisch
De Claus-vergelijking verdwijnt naar de achtergrond of wordt expliciet gerelativeerd.
👉 Fase: zelfstandige positionering
🔹 1961–1962 — Canonisering van het verschil
In literatuurkritiek en overzichten ontstaat een stabiel beeld.
Standaardtegenstelling
Claus
- mythisch
- lichamelijk
- ontwrichtend
Ruyslinck
- humanistisch
- psychologisch
- mededogend
👉 Vanaf hier wordt de Claus-vergelijking vooral historisch genoemd, niet inhoudelijk doorslaggevend.
🎯 Wat deze tijdlijn laat zien
Je ziet een klassiek receptiepatroon:
1957 → snelle labelvorming
1958–1959 → kritische correctie
1960–1962 → stabiele auteursidentiteit
Voor receptiegeschiedenis is dit bijna een schoolvoorbeeld van hoe een schrijversimago ontstaat.
📌 Kleine bonusobservatie
Interessant is dat Ruyslinck zelf later ook afstand nam van de Claus-vergelijking en zijn werk eerder in een ethisch-humanistische traditie plaatste.
Ikzelf heb het enkele dagen geleden nog maar gezegd: in 1977 was ik een beetje hyperkinetisch en vooral erg naïef. Enkele dagen nadat ik Louis Paul Boon naar het Atheneum van Dendermonde trachtte te halen om over zijn Onkruid-boeken te praten, deed ik hetzelfde met Ward Ruyslinck. Bij hem zou het over “De ontaarde slapers” gaan. Uiteraard kreeg ik ook hier nul op het rekest…
In het Koninklijk Atheneum van Dendermonde liet ik mijn leerlingen een toneelversie maken van “De ontaarde slapers” van Ward Ruyslinck uit 1957. We hebben deze versie, met toestemming van de auteur, zelfs aangegeven bij SABAM. Oorspronkelijk wou ik hier de tekst volledig weergeven, maar de getikte tekst was niet meer leesbaar om in te scannen, daarom moet u het doen met een samenvatting van de roman (novelle eigenlijk) zelf, gevolgd door een beetje briefwisseling tussen Ward Ruyslinck en mezelf.
Hoofdstuk 1
Silvester en Margriet vormen een “werkschuw” echtpaar. Silvester is werkloos, “het enige beroep dat hij ooit heeft uitgeoefend”, vooral omdat hij overtuigd is van de zinloosheid van het leven. Zijn vrouw is “even lui als hij en beheerst door een ziekelijke angst voor een nieuwe oorlog”. Zij tracht Silvester te overhalen een paar klusjes op te knappen maar hij stelt het uit tot “straks”. Hij moet namelijk eerst naar de dagelijkse stempelcontrole en hij wenst dat Margriet ook iets doet, namelijk knopen aan zijn broek naaien.
Hoofdstuk 2
Door het gure weer trekt Silvester naar de stempelcontrole. Daar geraakt hij in conflict met de beambte, zodat dze zich “wreekt” door Silvester te verplichten te gaan solliciteren bij baron Speyk de Graet naar de betrekking van hulptuinier. Silvester is het eigenlijk niet van plan, maar als hij weer op straat staat, slaat de regen hem in het gezicht. Om zich toch enigszins te beschutten, gaat hij achter een begrafenisstoet aanlopen, die in de richting van het kerkhof rijdt en het kasteel van de baron (in de volksmond “De Vier Torekens” genoemd) ligt in de nabijheid daarvan. De inzittenden van de laatste koets krijgen medelijden met de haveloze man die achter hen tjokt en nodigen hem uit bij hen te komen zitten. Tijdens het gesprek in de koets trachten zij te weten te komen in welke relatie hij tot de dode stond en Silvester liegt er zich briljant doorheen. Na de eigenlijke begrafenis begeeft Silvester zich op weg naar het kasteel. De tuinman monstert hem even maar al gauw blijkt dat Silvester totaal onbekwaam is voor het werk. Silvester is zo opgelucht dat hij een beetje overmoedig wordt en om eieren bedelt “voor z’n ziek kind”. Thuisgekomen schroeft hij de gebeurtenissen nog een beetje op om de toorn van Margriet, omdat hij dat werk niet heeft aangenomen, wat af te wenden. Hij slaagt er niet in. Hij gaat dan maar het werk opknappen, waarmee ze hem steeds heeft lastig gevallen.
Hoofdstuk 3
Op een morgen ontwaakt Silvester vrolijker dan anders: de lente kriebelt in z’n bloed. Ook Margriet is wat minder zwartgallig dan gewoonlijk, te meer daar het de 22ste verjaardag van hun huwelijk blijkt te zijn. Haar angst voor de oorlog wordt door het lenteweer echter niet verdreven (cfr. het gesprek met Harry, de bakkersknecht) en de dood (de oorlog is eigenlijk een hypertrofie van de dood, “moment suprême”) blijft dreigend aanwezig op de achtergrond (cfr. de ontmoeting met het meisje Vilma, die vertelt dat de burgemeester dood is).
Hoofdstuk 4
Op een morgen worden Silvester en Margriet gewekt door schoten in de nabijheid van hun huis. Ongelooflijk maar waar, hun huis wordt onder vuur genomen door soldaten. Is de door Margriet zo lang verwachte nieuwe oorlog uitgebroken? Silvester ontdekt dat het Belgische troepen zijn en dat het eigenlijk maar een oefening is (men schiet met los kruit). Margriet is desondanks natuurlijk doodsbang. Silvester tracht te oefening te voorkomen, o.a. door te beweren dat hij bevriend is met baron Speyk de Graet, maar slaagt er andermaal niet in. Ook wanneer de oefening is opgehouden, komt Margriet niet tot rust. Om aan haar gezaag te ontsnappen gaat Silvester een wandeling maken in het bos, iets wat hij tot nu toe nog nooit gedaan heeft. Plotseling hoort Margriet een zware knal. Dit maakt haar uiteraard onmiddellijk angstig, maar slechts heel langzaam dringt het tot haar door dat deze ontploffing iets kan te maken hebben met het wegblijven van Silvester. Tenslotte komen een brigadier en een mycoloog haar melden dat Silvester op een zogenaamde “blindganger” heeft getrapt, dit is een granaat uit de Tweede Wereldoorlog die nog niet tot ontploffing was gekomen. De mycoloog verontschuldigt zich als het ware dat het hém niet overkomen is. Dan neemt Margriet een touw om zich op te knopen.
Structuur
Eerder een novelle dan een roman. Er zijn slechts twee “echte” personages en slechts twee belangrijke gebeurtenissen, beide in functie van de personages, namelijk de veldoefening (cfr.Margriets angst voor de oorlog) en Silvesters “lente-uitstap” naar het bos, met de dood van beide hoofdfiguren als gevolg.
Hoofdstuk 1: de kennismaking met de slapers in hun gewone doen (eigenlijk niets-doen). Hoe zien wij (d.i. de buitenwereld, de “normale” mensen) ze? Hoe zien zij elkaar?
Hoofdstuk 2: het karakter van Silvester (hij krijgt de kans zichzelf te motiveren).
Hoofdstuk 3: het karakter van Margriet (idem).
Hoofdstuk 4: de katastrofe.
Karakters
Silvester is het best getekend (hoofdstuk 2 is ook veel langer dan hoofdstuk 3). Dit is niet verwonderlijk, aangezien Ward Ruyslinck zelf ook een man is. Een mannelijke schrijver kan zich slechts zelden volledig inleven in een vrouwelijk personage (een uitzondering is b.v. Fernand Bonneure in “Carla”).
Silvester en Margriet wonen letterlijk op de rand van de maatschappij. Alhoewel zij voortdurend kibbelen, lijken zij toch sterk op mekaar (cfr. dezelfde leugen om te trachten aan eieren te geraken).
Zij werken niet, zij hebben geen kinderen, zij zijn totaal nutteloos. Alle ontgoochelingen (ook i.v.m. Margriet: vroeger was zij ‘een vurig paradepaard’, nu slaagt zij er niet eens meer in half gekleed het hoofd van de bakkersknecht op hol te brengen) hebben er bij Silvester toe geleid dat hij er een hele filosofie aan vastknoopt over de zinloosheid, de absurditeit, de nutteloosheid van het leven. Maar zijn filosofie is een projectie, een “after-thought”: zij komt voort uit een ontevredenheid over zijn concreet bestaan, maar de leegheid ervan is geen gevolg van zijn filosofische opvattingen. Een goed voorbeeld hiervan is het feit dat zij om een of andere reden geen kinderen kunnen krijgen: “Dat is maar goed ook,” denkt Silvester, “want kinderen hebben is nutteloos omdat hun bestaan ook zinloos is.” In feite is hij er echter wel mee begaan.
Tussen Margriet en Silvester ontstaan geen echte gesprekken, een illustratie van de communicatiestoornis, the communication breakdown, een typisch naoorlogs thema. Zij is te zeer met zichzelf bezig en haar oorlogstrauma, hij spant zich nooit in met iets bezig te zijn, niets interesseert hem.
Onmiddellijk na “De ontaarde slapers” schreef Ward Ruyslinck “Wierook en tranen”, zijn populairste boek (en precies daarom het door hem minst geliefde omdat hij het niet representatief vindt voor zijn werk en de tranerige, humorloze stijl is inderdààd niet representatief voor Ruyslinck). Dat had ik enkele jaren eerder laten bespreken in de Broederschool van Sint-Niklaas door Luc Cockelberg, Johan Goossens, René Van Acker en Hugo Verschelden.
In Dendermonde schreef ik in het begin van het schooljaar (op 26/9 om precies te zijn) de volgende brief aan Ward Ruyslinck:
“Om mijzelf een beetje te situeren, kan ik u misschien meteen mededelen dat mijn plan voor een rock-opera (“De Kat”) het niet verder gebracht heeft dan tweede reservestuk bij theater Arena van Gent. Het is dus erg onwaarschijnlijk dat het in de loop van dit seizoen zal worden gecreëerd. Bovendien was het zware werk om alles in het Engels te vertalen (dus ook het fragment uit “Het Reservaat”) helemaal nutteloos daar de “native Englishmen” die ik had aangeschreven om mijn versie te corrigeren en in Engeland als co-auteur te fungeren (want Engelse popmusici gooien brieven van het vasteland ongeopend in de prullenmand) niets van zich lieten horen.
Overigens heeft heel deze zaak niets te maken met de reden van deze brief. Tenzij misschien dat ik me nu niet meer roekeloos in rock-avonturen hoef te storten om aan de kost te komen. Dit jaar heb ik immers een interim-betrekking aangeboden gekregen in het Koninklijk Atheneum van Dendermonde. U zal wel op de hoogte zijn van het feit dat uw werken enorm populair zijn bij de middelbare scholieren. Toen ik de keuze van de cursorische lectuur voor dit jaar dan ook (relatief) vrij liet, was er helemaal geen discussie over het feit dat Ward Ruyslinck aan bod zou komen, maar des te meer over de keuze van het werk. Uiteindelijk hebben de leerlingen werkelijk “geëist” dat het “De ontaarde slapers” zou worden, een werk dat ikzelf nog niet heb gelezen, een euvel dat binnen de kortste tijd evenwel verholpen zal zijn.
Nu is de vraag of u niet bereid bent naar aanleiding van deze lectuur de leerlingen met een bezoek te vereren? Eén van de taken die zij na de cursorische lectuur moeten volbrengen, is een dramatisering van het werk, misschien kunt u dan b.v. de opvoering van een fragment bijwonen?
Mijns inziens zou dit vererend bezoek echter ook kunnen worden gekoppeld aan daadwerkelijke actie. In de lessen moraalwetenschap bestudeert men namelijk ook uw boek “In naam van de beesten”. In dit geval zou ik van uw voordracht ook kunnen gewag (hier ontbreekt een gedeelte, RDS)
Vooraleer echter meer concrete afspraken te maken, zou ik eerst en vooral van uw desiderata wat accomodatie betreft op de hoogte willen zijn, opdat we de nodige schikkingen kunnen treffen. Er is hoe dan ook helemaal geen haast bij, daar de lectuur van het boek nog moet worden aangevat. Alleszins, in naam van, neen deze keer niet van de beesten, maar van mijn leerlingen, hartelijk dank bij voorbaat.”
Op 30 september volgde er reeds een antwoord van de schrijver, dat u kunt lezen door de gereproduceerde brief bovenaan deze tekst aan te klikken.
Ik heb de brief die ik als antwoord aan Ward Ruyslinck heb geschreven helaas niet meer in mijn bezit, maar een paar zaken moet ik toch verduidelijken. Zo ging Ruyslinck ervan uit dat we dit stuk zouden opvoeren en dat was ook wel juist, maar dan binnen het kader van de lessen. Dus géén openbare opvoering. Daarom kon ik natuurlijk moeilijk rekening houden met zijn vraag om “de ontaarde slapers” zelf (Margriet en Silvester dus) door volwassenen te laten spelen. Ik neem trouwens aan dat Ruyslinck er in dàt geval ook weinig bezwaar zal tegen hebben gehad.
Ronny De Schepper


