35 jaar geleden kwam Rod Stewart voor een vierde keer in Vorst-Nationaal en het was de eerste maal dat ik er niet naartoe ben gegaan…

De voorbije zomer was hij immers nog in Oostende geweest en alhoewel mijn toenmalige vriendin mij destijds tot voor de toegangspoort van het strandconcert had gevoerd, had ik toen ook al op het laatste moment besloten om niet naar het concert te gaan, maar linksaf te slaan en de kustlijn naar Frankrijk te volgen om daar wat van de zon te profiteren. Het was nochtans ten tijde van “Every beat of my heart”, een elpee die ikzelf een beetje als zijn “comeback-elpee” had bestempeld nadat hij er een aantal keren toch met zijn pet naar had gegooid. Maar ook de bespreking van die elpee liet ik over aan Johan de Belie.

“Put me on a train in the pouring rain… heaven knows where I belong.” Het is precies tien jaar geleden toen we ontdekten wat de nationale held van Schotland écht betekende. We reden met een boemeltrein de vijf uren durende rit van Inverness tot het helemaal noordelijke stadje Wick. Een weekendtrein waarmee vooral jonge arbeiders naar de talrijke kleine dorpjes terugkeerden, nadat zij een week in het iets meer geïndustrialiseerde centrum van de Schotse hooglanden hun toevlucht hadden gezocht vanuit hun verpauperde geboortestreek. Een sfeer van bierblikjes en sigarettewalm. Met in het treincoupé één cassetterecorder, met zegge en schrijve één cassette: “Never a dull moment” van Rod Stewart, toch al van 1972 daterend. Bijna vijf uur lang die ene plaat, van “Angel” via “I’d rather go blind” tot “Twistin’ the night away”. Het mengsel van stoere jongens en van kwetsbaarheid, van voeten op de bank en rauwe vloeken (er is een Australische rockband met de erg toepasselijke naam The Tourettes die een nummer heeft uitgebracht met als titel “Rod Fucking Stewart”) met gelijktijdig een blik door het raam of het eigen dorp niet in zicht was, dat was Rod Stewart: emotie en imago. En het is die sfeer en die boodschap, uit het leven gegrepen, die ons in de professionele verpakking van Stewart bleef boeien, en de reden waarom we hem nooit iets echt kwalijk hebben genomen, ook niet zijn flirten met de jet-set. Dat was de buitenkant, voor ons bleef Rod de gevoelige jongen van de talloze balladen en van de snelle rock, van Jeff Beck, van The Faces en van zichzelf vooral, met zijn gulden rasp.

Met “Every beat of my heart” is Stewart aan zijn vijftiende elpee toe. En meer dan ooit keert hij terug naar zijn roots. Eén kant rock en één kant ballade, in meerdere Stewart-platen een meestal geslaagde opbouw.
En sterker dan ooit toont Rod Stewart zijn, vroeger soms ontkende maar onderhuids toch steeds aanwezige, kwetsbaarheid. Hij ontkent zelfs het macho-ideaal, spot ermee in “Who’s gonna take me home” dat de ondertitel meekreeg “the rise and fall of a budding gigolo”. Hij bezingt zijn eerste seksuele ervaring, erkent daarin zijn jongensdroom (“bed like a football pitch”) en bekent zijn schroom en angst, maar blijft ook het fier over podium stappend haantje, kraaiend om een verovering in Parijs, in “Red hot in black”.
Maar vooral vinden we naast de nogal Amerikaanse single “Love touch” (speciaal geschreven voor de film “Legal eagles”) de Schotse Rod terug in de sfeer van “Ten days of rain” en in de heimwee-song “Every beat of my heart”. In alles blijft hij zijn Schotse afkomst verraden. Hij speelt ermee, dweept ermee, gebruikt het ook vaak in zijn muziek en imago.
En nu zingt hij het dan letterlijk uit, het heimwee naar het geboorteland, de eenzaamheid van de belastingbanneling. “Where’s my family and my country”, de hemel weet waar ik echt thuishoor, “seagull carry me over land and sea”. Hij is “lost and alone in the dark”, hij keert naar huis terug. Eerlijk, met de oprechte sentimentaliteit van de doedelzakken, “to the northern lights and the swirling pipes, how they make a grown man cry”… De kwajongen is thuisgekomen, klaar om met de buurtjongens een partijtje voetbal te spelen.
Op 10 augustus 1986 was Rod Stewart top of the bill van het rockfestival in Oostende. Het werd een tegenvaller (*). Nochtans had hij ons tot dan toe met zijn live-optredens nog nooit ontgoocheld: met perfectie weet hij zijn publiek te bespelen, uitzinnig te maken met zijn rockend heupwiegen, muziek en erotiek tot uniek samenspel te brengen. Om even later alle registers van het sentiment open te trekken, en een massa aanstekers te laten meewiegen op b.v. “Sailing” of “I don’t want to talk about it”.
Maar Rod Stewart moet je wellicht ontmoeten “in his own crazy way”, op een trein die langzaam zijn weg zoekt door het Schotse landschap, terwijl de regen van het raam sijpelt. Simpel en uniek, met hem thuiskomen, keuvelend over voetbal en over rockidolen. Misschien zou hij dat ook plezant vinden: opnieuw de volksjongen die, bijna a cappella, de Beatles nazingt: “In my life I’ve loved them all”. De rede voorbij, uitsluitend het gevoel aan het woord latend…

Referentie
Johan de Belie, Rod Stewart in Oostende: de rede voorbij, De Rode Vaan nr.32 van 1986

(*) Aangezien ik niet binnen ben geweest, kan ik dat eigenlijk niet weten natuurlijk, maar ik baseer me hiervoor op krantenartikels en vooral op een mailtje van niemand minder dan Bart Peeters, die zich weliswaar als Rod Stewart-fan outte, maar tegelijk zei dat het optreden in Oostende op niks trok.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.