Op zondag 5 oktober 1986 had op de campus van de Vrije Universiteit van Brussel het feest van de Brusselse communisten plaats, dat een leemte wou opvullen die was ontstaan nu het traditionele feest van de rode vaan naar de lente was verschoven.

Het is een voor iedereen gekend gegeven dat de Brusselse KP voornamelijk franstalig getint is, maar alvast wat het artistieke programma betreft mogen de Vlamingen zeker niet klagen: naast de Braziliaanse hoofdvedette Nazaré Pereira vinden we immers twee vaste waarden van resp. het Nederlandstalige chanson en de Vlaamse rock terug, namelijk Johan Verminnen en De Kreuners. Na wat de leider van deze laatste groep, Walter Grootaers, aan Mike Verdrengh over de kommer en kwel van de Vlaamse artiesten had verteld, leek het ons dan ook geen slecht idee om deze twee tenoren rond de tafel te verzamelen om daarover van gedachten te wisselen. Helaas, typisch genoeg kon Walter zich niet vrijmaken, niet omdat hij zoveel optredens heeft, maar wel omdat hij nu een café uitbaat om zich althans toch van een inkomen verzekerd te zien. Vandaar enkel een gesprek met Johan Verminnen, maar daarom niet getreurd, want niet alleen timmert deze bard nu reeds meer dan vijftien jaar aan de weg, bovendien heeft hij het ook allemaal meegemaakt. Vroeger joeg hij immers de pastoors de schrik op het lijf door in hun parochiezaal met een heuse rockgroep te verschijnen (met op diverse tijdstippen het kruim van de Vlaamse rockers, die we nadien nog terugvonden in groepen als TC-Matic of de LSP-band, om Raymond van het Groenewoud niet te vergeten), nu daarentegen doet hij het kalmer aan met enkel ouwe getrouwe Tars Lootens aan de toetsen. Een artistieke keuze, jawel, maar toch niet helemaal ontdaan van praktisch-financiële overwegingen…

00

“Een cultuurbeleid dat iedereen aan zijn lot overlaat”
Johan Verminnen : Ik heb altijd met veel mensen gewerkt en ben al die tijd ook beschouwd geweest als hun werkgever. Sommigen van mijn muzikanten waren zelfstandig, anderen waren part-time bij mij ingeschreven, zo zat het eigenlijk in mekaar. Maar in tegenstelling tot Walter wil ik geen kruisvaarder meer spelen op dit gebied. Dat heeft niets met lafheid of zo te maken, maar gewoon met het feit dat ik nu al zestien jaar door de overheid wordt beschouwd als een commerçant. Goed, als dat dan hun manier is om de zaken uit te filteren, om te zien wie de sterkste is die overblijft, O.K. dan zal ik me daaraan aanpassen en ik zal overblijven, dat is mijn redenering. Ik redeneer niet : ik ga hier het systeem veranderen. We zijn met te weinig muzikanten om enige pressie uit te oefenen om een statuut te bekomen. Dat is nodig, maar er zijn reeds zoveel mensen die zich daaraan in vergaderingen hebben vergaloppeerd, er zijn reeds zoveel artikels over geschreven en denk je nu echt dat er al één minister is geweest die daarmee rekening heeft gehouden ? Als het over acteurs gaat dan wordt er een theaterdecreet gemaakt, omdat zij veel meer in getal zijn en tot een vakbond behoren. De muzikanten hebben ook een vakbond, de UMEB, maar wat heeft die in te brengen ? Ikzelf ben daar overigens niet bij want ik ben werkgever (lacht smakelijk) ! Neenee, om eerlijk te zijn, op dit moment ben ik geen werkgever meer, maar ik ben wel zelfstandige.
— Je ontgoocheling begrijp ik maar al te zeer, want het zal nu zowat acht jaar geleden zijn dat we met de rode vaan zelf nog een poging heb ben gedaan om muzikanten en vakbonden met elkaar in contact te brengen en daaruit dan iets te doen groeien maar helaas de vakbonden stuurden hun kat. Toch begrijp ik die redenering niet. Er zijn te weinig muzikanten zeg je, maar hoeveel beroepsrenners zijn er in ons land ? En toch is Sporta erin geslaagd een stevige vakbondswerking op poten te zetten wat dat betreft (zie rv nr 35). Meer zelfs : Maurice Lippens van Sporta vertrok na dat interview op kosten van de vakbond naar Colorado Springs. Dat bedrag alleen al konden de renners met hun kleine maandelijkse bijdrage niet eens bij elkaar krijgen ! Men lijdt dus verlies, maar men doet dat graag precies omwille van de publicitaire waarde. Nu valt er met muzikanten toch ook heel wat publiciteit te rapen dacht ik zo ?
Johan Verminnen :
Ja, maar laten we nu eens normaal redeneren. Je mag daarin ook niet overdrijven, want anders kan je tegen elke kleine winkelier die het moeilijk heeft zeggen : ga bij de vakbond, dan zal je wel een statuut krijgen. We moeten de zaken durven zien zoals ze zijn. Muzikanten die succes hebben verdienen enorm veel geld…
– Maar dat is hier in België dan toch eerder uitzondering dan regel..
Johan Verminnen :
Toch, toch. Degene die destijds bij The Wallace Collection de muziek heeft gecomponeerd voor « Daydream », die heeft een boel geld verdiend !
— Dat was dan eigenlijk Peter Tsjaikovski, maar ga verder…
Johan Verminnen :
Wat dacht je dat Urbanus verdiende ? Of Will Tura ? Maar let op, ik heb daar niets tegen, hé ! Ik vind dat terecht. Trouwens, hebben schilders een statuut ? Die moeten ook BTW betalen op het werk dat ze verkopen ! Laten we dus samenvatten dat het proces dat moet gemaakt worden, niet dat van de vakbonden is, maar van een cultuurbeleid dat iedereen aan zijn lot overlaat. Van een liberaal cultuurbeleid dus. Wat zegt minister Dewael ? « Zoek sponsors ! ». Mijn antwoord daarop is : sponsors zijn enkel geïnteresseerd in Anderlecht, Club Brugge, Will Tura, Festival van Vlaanderen… maar niet in Johan Verminnen of in theater Tentakel, ik zeg zo maar iets. Daar komt te weinig volk naar kijken, dus te weinig publiciteit voor hen.

00


« Als individualist hoor je nergens thuis »
— Daartegenover staan dan echter meestal subsidies en daar zet Walter Grootaers zich óók tegen af…
Johan Verminnen :
En terecht. Ik moet ook geen subsidies hebben ! De organisatoren moeten subsidies hebben. Dat wil zeggen : als ze muziek programmeren die niet onmiddellijk de grote massa aanspreekt. Want je mag daar ook niet in overdrijven. Organiseren is immers een beroep en een organisator moet er dan ook voor zorgen dat er volk in de zaal zit.
— Maar waarom zou je zelf geen subsidies aanvaarden ? Zeker in jouw geval nu je een beetje de theaterweg opgaat ?
Johan Verminnen :
Eigenlijk is dat waar, ja. Het probleem is echter dat ik in geen enkele categorie pas. Zoals dat al heel mijn leven het geval is trouwens. Kijk naar de vakbond. Dat is het probleem van al die grote instellingen. Dat is gemaakt voor de massa. Als individualist hoor je nergens thuis. Het probleem is echter dat je wel getaxeerd wordt als individualist.
— En als je dan als werkgever getaxeerd wordt, is de enige oplossing meer vragen. Méér vragen betekent echter minder optreden, want een aantal organisatoren haken dan af. Na het fameuze proces rond het orkest van Eddy Smets in 1978 voorzag het toenmalige vakblad « Billboard » dan ook reeds dat artiesten om dat te voorkomen gemakkelijker naar playback-banden zouden teruggrijpen. En niet zo lang daarna is er dan die rage van playback-shows gekomen die mij de lijn nog lijkt door te trekken : dan hoef je namelijk de artiest zelf ook al niet meer te betalen !
Johan Verminnen :
Dat zou ik zo niet stellen. Die playbackshows zijn eigenlijk gegroeid uit dat TV-programma en de soundmix is gewoon een veredelde crochet-wedstrijd, een voorbijgaande rage dus. Maar het andere is wel waar : artiesten treden steeds meer op met backing tracks, orkestbanden, gewoon omdat ze een orkest niet meer kunnen betalen. Dat is trouwens ook een reden waarom ik enkel nog met Tars optreed. Al is het niet de enige reden, want dát zou verschrikkelijk zijn. Maar zangers die muzikanten te werk stellen zouden zoals theaters moeten kunnen genieten van een zekere tegemoetkoming, inderdaad.
— Walter Grootaers heeft ook nog even het voorbeeld van Canada aangehaald, waar men de eigen muziek wel stimuleert. Maar over de BRT heb jij alvast niet te klagen ?
Johan Verminnen :
Neen, maar het is wel zo dat op dit ogenblik de platenindustrie nog weinig geïnteresseerd is in lokaal talent. En dat is ongetwijfeld mede veroorzaakt door het wegvallen van programma’s zoals « Hitring ». Dat was een zeer goede formule. Er waren internationale artiesten naast mensen uit eigen land die dan nog eens waren opgesplitst in Nederlands-, Engels- en zelfs Frans-zingenden. Gevolg : een grotere verkoop en een grotere interesse, zowel van het publiek als van de platenbonzen. Dat programma is nu al geruime tijd verdwenen en nog altijd is er niets anders in de plaats.

00

“Het cultuurimperialisme van de Angelsaksische wereld”
— Een veel gehoorde opmerking tegen dat soort « protectionisme » is wel : als het groepje van de om hoek dat ook Engelse liedjes wil zingen niet zo goed is als een groep uit Liverpool of Californië, waarom zouden we ons daar dan over druk maken ? Ik kan daarin komen, maar daar staat tegenover dat iemand die in het Nederlands wil zingen misschien wel mag beschermd worden omdat die nu eenmaal niet in concurrentie kan treden met mensen die dat doen in wereldtalen zoals het Engels of het Frans, wat afzetmogelijkheden en dus ook investeringen in productie en publiciteit betreft…
Johan Verminnen :
Dat is inderdaad een probleem, ja. Eigenlijk bevinden wij ons in een marginale positie. Op onze platen zou eigenlijk moeten staan : « Deze plaat is niet digitaal maar marginaal opgenomen ». En een Prince b.v. is misschien ooit een even marginale persoonlijkheid geweest als Johan Verminnen, maar hij behoort nu eenmaal tot een taalgemeenschap die een imperium heeft uitgebouwd. Ik heb het altijd over het cultuurimperialisme van de Angelsaksische wereld. Ik haal dan altijd het voorbeeld aan van Brazilië waar fantastische muziek wordt gemaakt, dat staat nu toch niet ter discussie als zelfs Stevie Wonder en alle jazzgroten erdoor beïnvloed zijn! Welnu, in Brazilië stonden tot voor een paar jaren bij de eerste tien platen op de hitparade vijf á zes eigen producties. Nu is dat nog één, de rest is Angelsaksisch materiaal. Dat is imperialisme ! Maar ja, wat doe je ertegen ?
— Wel, zoals in Canada b.v., de multinationals verplichten hun winsten gedeeltelijk in lokaal talent te investeren.
Johan Verminnen :
Dat zou kunnen, ja. Het is alleszins compleet onaanvaardbaar dat een multinational alleen maar ingevoerd werk zou verspreiden. Een ander positief initiatief is in de schoot van SABAM ontstaan : de BAP, Belgische Artistieke Promotie. Helaas beschikt men nog over een al te krap budget, maar toch wil men projecten steunen om de eigen mensen aan werk te helpen. Anders heeft die auteursvereniging trouwens geen reden van bestaan meer. En in die zin hebben er onderhandelingen plaats met de BRT, met platenfirma’s, met muziekuitgeverijen. Eenzelfde bekommernis vind je trouwens ook terug in de ons omringende landen. In Nederland verdeelt de stichting Conamus b.v. een elpee met uitsluitend Nederlandstalig werk via de scholen en de BAP is dat nu ook van plan in ons land. Maar begrijp me anderzijds a.u.b. ook niet verkeerd : ik zou het vreselijk jammer vinden indien men Prince b.v. zou willen verbieden op te treden in Vorst-Nationaal. Dat gevaar zit er hier nog niet in, maar de muzikantenvakbond in Engeland heeft b.v. wél een grote macht. Waarom dat bij ons niet zo is, is misschien te wijten aan het feit dat het de verkeerde mensen zijn die bij de UMEB de touwtjes in handen hebben. Waarom bij het opstellen van zo’n statuut b.v. niet gedacht aan jonge muzikanten, zoals K 13, A Noh Rodeo of The Woolfbains ? Zouden die mensen niet wat meer moeten gehoord worden ? Willen zij eigenlijk wel een statuut ? Willen zij zich wel verenigen ? Zijn ze niet te veel individualist ? Enzovoort. Maar dat terzijde gelaten, zou het toch aangenaam zijn mochten er in de grote vakbonden specialisten zijn om dat probleem eens van naderbij te bekijken, zodat niet alleen wielrenners of voetballers een zekere bescherming genieten. Want het is niet gemakkelijk. Ik heb nu zestien jaar gespeeld en ik heb zestien jaar moeten vechten en toch kom ik nog altijd te kort. Dat lijkt misschien niet zo voor de lezer die me vaak hoort of ziet en dan soms zelfs in een Casino met een glas champagne, maar dat komt dan toch enkel omdat het me geoffreerd werd.
“Traag is mooi”
— Laten we het tot slot nog even over jezelf hebben. Ik heb me laten vertellen dat er een nieuwe elpee op komst is ?
Johan Verminnen :
Zeer zeker. Die plaat zal waarschijnlijk « Traag is mooi » heten en ze zal liedjes bevatten die in het nieuwe programma « Zeilers ver van huis » zitten. We hopen van ze klaar te krijgen in december.
— En ? Een diversiteit van stijlen ?
Johan Verminnen :
Neen, ik denk dat ik met de single « Ik wil de wereld zien » heb aangegeven wat ik nu wil brengen.
— Maar dat is precies wat ik bedoel : je zou op een elpee diverse van die exotische stijlen die je allemaal blijkbaar nauw aan het hart liggen kunnen tentoon spreiden.
Johan Verminnen :
Wat Paul Simon op z’n nieuwste elpee heeft gedaan, bedoel je ? Je ziet, iedereen op de wereld denkt aan hetzelfde, alleen heb ik het geld niet van Paul Simon om twee jaar Afrika te doorkruisen en fantastische dingen op te nemen met geweldige artiesten. Eigenlijk heb ik dat idee op precies hetzelfde tijdstip gehad, dus twee jaar geleden. Toen wilde ik een elpee maken met uitsluitend muziek van Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse culturen. Maar ik beschik natuurlijk over geen budget daarvoor.
— Wil deze plaat, net zoals je voorgaande, een trouwe weergave zijn van je podiumwerk, m.a.w. met een minimale orkestratie ?
Johan Verminnen :
Dat wil zeggen, ik ga altijd een minimale orkestratie hebben, omdat ik alles veel kleinschaliger zie dan vroeger. Maar toch zal ik op de plaat een aantal gastmuzikanten hebben, net zoals op « Ik wil de wereld zien », waar Tars bijna al het werk doet, maar waar ook een solist op is. Zelfs nog iets meer dan dat, ik denk dat ik af en toe ook met een ritmesectie zal opnemen. De bedoeling is alleszins om op 15 november voor veertien dagen de studio in te duiken.
— En op de planken doe je verder met « Zeilers ver van huis » ?
Johan Verminnen :
Inderdaad, want daarmee hebben we zeker nog niet iedereen bereikt die we kunnen of willen bereiken.
— Maar in Brussel zal dat niet het geval zijn ?
Johan Verminnen :
Ha nee, daar breng ik een tour de chant natuurlijk, overwegend in het Nederlands, maar ook een aantal Franstalige liedjes zoals ik dat onlangs ook in Canada heb gedaan.

Referentie
Ronny De Schepper, “Zestien jaar vechten en nog te kort komen”, De Rode Vaan nr.40 van 2 oktober 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.