Het voorbije decennium is er al heel wat inkt (en speeksel) gevloeid over mobiliteit. Raar toch dat men daar zo’n probleem van maakt. Honderden, duizenden jaren heeft het schepsel mens genaamd zich op eigen kracht voortbewogen. Aan zo’n vijf kilometer per uur, soms misschien wanneer hij op jacht was of telkens een of ander monster hem op de hielen zat iets vlugger. Het werd wachten tot zo ongeveer 1880 na Christus eer we ons ietwat sneller zouden kunnen verplaatsen. Goed, ietwat eerder waren we al op de idee gekomen om op een paard of kameel te kruipen die op de sintelbaan een betere indruk zouden maken, en een slimme Romein had eerder zelfs een zeilwagen uitgevonden. Terwijl het over het water ook enigszins vlotter ging. Maar in verhouding tot al die vele eeuwen…

En nu dus maar zeuren. Over alles! Met op kop het fileleed. Het is een open deur natuurlijk, die files doen we onszelf aan. En dan oorlogje spelen. Automobilisten onder elkaar. De opwinding, de stress, het sakkeren en schelden, de bloeddruk, de agressie. Geen voorrang. Bumperkleven. Richting niet aangeven. Te traag. Te snel. Rijvakje wisselen. Oh wat zijn ze talloos de kleine ergernissen. Terwijl daar de fietser opdoemt. Een doem jawel. Dat flitst tussen de wagens door. Dat staat in de weg. Dat kruist de baan. Dat heeft het lef een fietsersbond op te richten. Om te klagen dat er te weinig eigen paden zijn, dat auto’s parkeren op de hun voorbehouden in Dali-coloriet geschilderde banen. Dat autodeuren opengegooid worden zodat ze er met hun gehelmde kop tegenaan rijden en als een Picassofiguur in het ziekenhuis weer in elkaar moeten gepuzzeld worden. De zwakke weggebruiker, al wie zich op normale wijze zoals door de natuur voorziene wijze wenst van a naar b te begeven, hij komt al helemaal in de verdrukking. Struikelend en strompelend over bergen en dalen, in de volksmond voetpaden genaamd, tracht hij zich, amechtig naar O2 snakkend die nog met mondjesmaat voorradig is, tussen de uitgestote gassen van zijn doodsvijand toch te verplaatsen. O wee telkens hij, na het ontwijken van talloze obstakels die het trottoir omvormen tot een labyrinth of, voor de optimisten, een attractie in een pretpark, het overmoedig zou overwegen om – wat de absurde reden ook mag zijn die hem tot dergelijk naar zelfdoding neigend waagstuk noopt – de straat over te steken! De straat, het absolute domein van de auto, waar dat ronkende monster alleenheerser is, tiran, wetgever, rechter en openbaar aanklager tegelijk. Indien hij er in slaagt het record van 9,58 seconden van Usain Bolt te evenaren heeft hij misschien een kans heelhuids de bakker te bereiken die gevestigd is aan de verkeerde kant van de boulevard. Zo niet… misschien ontwaart hij een kilometer verder een verkeerslicht dat hem een veilige overtocht zou moeten verzekeren. Hopelijk is de laan niet te breed, en het licht niet te voet-onvriendelijk afgesteld: veel kans dat hij anders halfweg geblokkeerd raakt en zich minutenlang midden de nachtmerrie van aan alle kanten voorbij stormende objecten bevindt alsof hij door een boosaardige IT-er gedropt is in een videogame als ‘Burnin’ Rubber’. Ik, slapjanus, sukkel, behorend tot de minoriteit van tot de ondergang gedoemden, hoorde het met lede oren aan, dat gezeur. Terwijl ik gelaten de woede en het razend voorbij stormen van al die zeurpieten dagelijks moest verduren.
Toen begon ik te dromen en vroeg ik me af hoe mobiel ik gedurende mijn ganse leven, inmiddels zo’n zeven decennia lang, was geweest. Een historische terugblik als het ware, een soort persoonlijk Gallo-Romeins Museum van mijn vervoer. Aan mijn eerste transportmiddel bewaar ik geen herinneringen, wel bestaan er onomstotelijke bewijsstukken. Enkele foto’s laten mij als dikke, weldoorvoede baby zien in een kinderwagen die qua model lijkt op een Russisch pantservoertuig al oogt hij niet qua uitvoering maar wat materiaal betreft minder robuust. Ik lig veeleer in blik opgeslagen en loer vertwijfeld over de rand om te zien of iemand mij uit die knellende positie wil bevrijden. Vermoedelijk hotste en botste het vooroorlogse ding, gered uit de puinen van de tweede wereldoorlog, zodat mijn prille fontanel klapperend open en dicht ging als een mossel die net xtc degusteerde, en zich vermoedelijk nooit meer wist te herstellen met definitieve hersenbeschadiging tot gevolg. Daarna moet ik allicht, niets menselijks was noch is mij vreemd, mijn weg kruipend over het aardoppervlak gezocht hebben. Om later over te gaan tot de vertikale stand en tenslotte het finale doel te bereiken: stappen. Kon het sneller? Jawel. Ik kwam in het bezit van een heuse racewagen, zo eentje waar ik net in paste en die ik bij middel van het ritmisch bewegen van mijn voeten aan mijn ouders de haren ten berge rijzende snelheid kon laten rijden en telkens bijna tegen een of andere muur laten knallen met hospitalisatie en maandenlange revalidatie als resultaat. Bijna… het dramatisch ongeval werd ontweken dankzij mijn ongeëvenaarde rijkunst waar zelfs Jacky Ickx, toen nauwelijks drie jaar ouder dan ik, een punt aan kon zuigen. Maar eerder moet ik de wereld, enfin de straten van de stad, verkend hebben gezeten op een troon zijnde het ‘stoeltje’ dat zich bevond op de fiets van mijn moeder, waarmee zij mij vervoerde richting kleuterschool en, gelukkig, telkens ook weer naar het veilige huis. Tot ik de genadige leeftijd bereikte om de lagere school te frequenteren en mij het genot van een eigen transportmiddel verschaft werd.
Het is niet bij benadering te zeggen hoeveel kilometers ik ermee afgelegd heb maar ongetwijfeld kan ik de evenaar ermee rond. Mijn trottinet! Ook wel autoped genaamd. Zij heeft mij niet alleen over vele wegen geleid, zij zorgde ook voor enkele levenslessen. Zo reed ik bijna, in volle vaart een hoek omslaand (op het voetpad natuurlijk, de verplichte rijplaats voor mijn bescheiden transportmiddel), een ouder echtpaar van de sokken en ander bijhorend schoeisel. Met gesakker en gevloek tot gevolg. Les 1: oude echtparen vermijden. Tweede les: mijn stuur brak af terwijl ik onbewust en onschuldig een vrolijk liedje zingend trottinettend onder ’s Heren blauwe luchten reed. Bam, plots bevond ik mij, mijn kin als eerste, een meter lager op het daartoe zeer ongeschikte plavuis. Getuige daarvan voor de rest van mijn lange leven: een putje in mijn kin, dat sinds mijn twintigste gecamoufleerd is door een grillige, niet fraaie maar gestadige baardgroei.

De groei naar de volwassenheid werd niet alleen in een lichamelijke evolutie zichtbaar, ook in mijn modaliteit qua verplaatsing school een evolutie. Alweer bij de genade van mijn letterlijk fortuinlijke peter met zijn milde nieuwjaarsgiften. Na de autoped, en ooit een elektrische trein (ook een vervoermiddel maar dan louter als hobby), verscheen er nu een blinkende fiets. Ah waar heeft dat zilverkleurig frame die eenzelvige tiener, die zelden uit zijn leeshoek weg te krijgen was, al niet heen gevoerd vanuit de Wase hoofdstad. Naar Lokeren om broerlief in zijn werkzaamheden te betrappen, het Donkmeer om over het water te staren met trieste blik, naar stille mijmerplaatsen als ‘de Mierennest’ waar hij dan urenlang naar de wolken kon kijken en mediteren. De grens over, Hulst, de wallen bewandelen, de vesting bewonderen. Afstand noch hete zomerzon konden een belemmering zijn, en al arriveerde ik wel eens geveld door een hitteslag, de volgende dag besteeg ik mijn blikken ros met frisse moed.

Naar school, inmiddels het middelbaar, bleef ik de ‘benenwagen’ hanteren – op loopafstand, en veiliger. Dat werd bewezen toen ik me toch fietsend in het autogewoel stortte, gesandwicht werd tussen geparkeerde wagens en een tientonner. Even vond ik me tussen hemel en aarde, om tenslotte tot de conclusie te komen dat ik niet veel beter was dan ieder menselijk product en dus gevoelig voor de wetten van de zwaartekracht. De boosdoener, chauffeur van het vehikel, zag mij als oorzaak van het ongeval zodat we bij de rechtbank belandden, ik zeventienjarige snotneus. En ja mijnheer de rechter, die knaap reed mij rechts voorbij tussen de auto’s, en nee ik reed niet te snel, hooguit 40/uur. Een minzame glimlach van de juge: dat ik dus meer dan 40/uur reed om die vrachtwagen voorbij te rijden, dat hij mij een toekomst in de Tour voorspelde! De uitspraak was duidelijk.
Terwijl ik vrolijk langs ’s Heren wegen fietste deed in de marge van mijn leven de auto zijn intrede. In de gedaante van die foeilelijke R4, niet de ring rond Gent maar de Renault 4. Ziet er uit als een mislukte stationcar. En het exemplaar dat door mijn vader aangekocht was en zich dus vaak voor onze deur manifesteerde was bovendien oranje. Wat hem de verdiende scheldnaam appelsienkist opleverde. Spuuglelijk ja, maar hij voerde pa wel het Waasland rond. En daar was hij een bekwame gids in, een erfenis van de oorlog toen hij ambtshalve alle wegen diende rond te hossen. We hebben het geweten. Waar we ook heen moesten in dat oogverblindend ding, de weg van a naar b bleek nooit een eenvoudige rechte lijn; overal waren er zijwegen, boerderijen, akkers, een fascinerende treurwilg. Zodat een rit van drie kilometers uitgroeide tot een daguitstap.

Comfortabel zat je er ook niet op die dunne linnen zitting, nauwelijks meer dan een vaatdoek. Die uiteindelijk niet bestand zou blijken tegen het fors gewicht van de pater familias toen hij tijdens zo’n rit, eentje die hij in zijn eentje georganiseerd had, tegen een varken dat de verkeersregels aan zijn krulstaart hing opbotste, door het doek scheurde en met zijn derrière op de bodem van de R4 belandde. Hij arriveerde voor onze garage gezeten op een plank die rustte op de buizenconstructie van de ‘zetels’ – de plank was een zoenoffer van de eigenaar van het varken. Dat beest? Geen probleem, overleefde het met enkele kneuzingen.

Daarna kwamen er betere auto’s met ietwat meer standing. En ik… ik werd achttien, rijp voor het rijbewijs. Dat je toen, gezegende tijden, verkreeg na het afleggen van een poepsimpele theoretische test. Het verkeersreglement. Deed ik dus. Zo ben ik officieel nog steeds toegelaten tot de horde der zondagrijders al heeft geen mens ooit mijn rijstijl een blik waard bevonden. Leerde ik ooit de pedalen indrukken, het stuur draaien op het gepaste ogenblik? Jawel, onder de hoede van een buurvrouw die er, vrees ik, een hartkwaal, drie depressies en levercirrose aan overhield. Bezat ik ooit een wagen? Jawel. Gedurende ongeveer 48 uren.
Papa schafte zich een nieuwe wagen aan, ik was toen 21 denk ik, de R4 was reeds ter ziele en dit zou nummer drie worden. In al zijn goedhartigheid en gulheid schonk hij wagen nummer twee aan mij. Niet dat ik daar zo’n behoefte aan had. Ik pendelde met de NMBS dagelijks naar Gent, verplaatste mij binnen de stadsgrenzen te voet of fietsend. Maar goed, ik werd tot autobezitter gebombardeerd zonder bovenmatig trots te zijn. Dag 1. Toen volgde dag 2 en vader diende ’s avonds naar een vergadering van de toneelvereniging te gaan. De spiksplinternieuwe wagen bevond zich veilig tussen de muren van de garage, “of hij misschien toch niet nog even de oude auto mocht gebruiken?”. Mijn auto dus! Hoe kon ik dat nu weigeren… Helaas. Een begrip als Bob bestond nog niet toen, en al had het zich vertoond dan ware zijn boodschap ijdel geweest. In het holst van de nacht knalde een auto tegen een geparkeerde broeder en herleidde zichzelf tot schroot; de bestuurder kwam er met de schrik en een roes vanaf. En ik werd opnieuw wat ik twee dagen voordien was, autoloos. Dat ben ik sindsdien ook gebleven, een zwakke weggebruiker. Die gretig gebruik maakte van het openbaar vervoer.

De NMBS, wat was ik reeds sedert mijn kinderjaren dol op de trein, een ook romantische liefde. En de autobus. Niet alleen deze van de De Lijn. Ook voor onze vakanties verplaatsten we ons graag in de luxueuzere uitvoeringen. Richting Frankrijk, Italië, Spanje. Dat was vooral te wijten aan de vliegangst van mijn echtgenote. Uiteindelijk liet zij zich wel een drietal keren overhalen om in dat gevleugelde monster te stappen – enfin zes maal dus want we dienden nog huiswaarts te keren. Ik hield er steevast een blauwgeknepen arm aan over. Twee in feite, al was de linker al veeleer geelgroen verkleurd bij de terugreis; ter afwisseling zorgde ik er wel voor dat onze positie gewisseld was bij het terugreizen, om de rechterarm ook wat liefdevolle knijpjes te gunnen. Ik was dol op het vliegen, de busreizen konden mij ook bekoren, vooral de nachtelijke ritten met hun stop voor de wisseling van chauffeur, en voor ons een sigaret en een beker hete koffie of chocomelk. Wat een herinneringen…
Je wordt oud. Ooit huppelde je door de straten. Volwassen haastte je je tussen de mensen door, gejaagd. Later mocht het bedachtzamer, het kon in wandelmodus. Om tenslotte vast te stellen dat het gebruik van een derde been wel eens nuttig zou wezen; eer je het beseft heb je een wandelstok in handen. En ligt er een wat langere afstand in het verschiet dan propt een liefdevolle hand je onverhoeds in een rolstoel, want “zo gaat het toch te moeizaam en te traag éh papa”. En dan: “Heb je dat gezien op tv opa, in Benidorm bastards, die elektrische wagentjes, zou dat niks voor jou…? Toch leuk, hoe ze de mensen bijna van hun sokken rijden! Scootmobiels heten die.” De oude dag. Het ouwemannetjeshuis, sorry het WZC, het is etenstijd, de gang: file! Aanschuiven, mijnheer met de wandelstok, mevrouw in de rolstoel, madame met haar rollator, mijnheer in de scootmobiel… Mobiliteit, het is me wat.       

Johan de Belie 

Een gedachte over “Het hoekje van Opa Adhemar (76)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.