In de richting van het venster beweeg ik me. Bewegen? Schuifelen, sloffen, sluipen, behoedzaam, voorzichtig, geluidloos indien dat mogelijk ware. De kleine lamp op het bureau heb ik uitgeschakeld. De duisternis is vreedzamer. Veiliger. Helemaal donker is het niet. Van ginds, de wereld, dringt een schijn van licht de kamer in. Onvoldoende om schaduwen te werpen. Te gering om meubels, voorwerpen een identiteit te verlenen. Mijn geheugen kent alles een eigen plaats toe, een vorm, een kleur, een functie zelfs. Dat zou kunnen volstaan. Maar dat alles wordt nu onbelangrijk. Verdwijnt langzaam achter mij. Wordt verleden. Seconde na seconde. Steeds definitiever. Het raam komt dichterbij. Zo laat ik alles achter. Het verzinkt. Aarzelend speur ik naar waar vandaan de lichtstralen zo kalm, niet echt opdringerig maar toch onmogelijk te weerstaan bezit nemen van de ruimte die ik achter mij laat.

Het zou de hardnekkige schijn van de straatlantarens kunnen zijn. Aaneengerijd op wacht, stram, strak, roerloze alleenheersers. Soldaten zonder wachthuis. Genadeloos hun lichtvlekken strooiend op het rimpelige verweerde voetpad. Het onkruid tussen de voegen belichtend, iedere passant meedogenloos herleidend tot een bewegend schaduwspel waarvoor hijzelf wel moet wegvluchten. Paniek strooiend tussen de bladeren van de bomen met hun grillige gebaren die de meest absurde patronen tekenen aan hun wortels. Dat licht – is het de maan die bolrond roerloos op mij neerkijkt, dreigend – mij bezwerend nooit de ogen voor haar te sluiten. Terwijl ik haar aanblik nauwelijks weet te verdragen. Soms – er doen zich zulke nachten voor maar ik weet nooit wanneer – is zij anders. Dan blijkt zij een magere bijna tot uitsterven gedoemde sikkel. Oogt zij, nee niet vriendelijker, wel ongevaarlijker. Ik weet niet waarom – het is wellicht slechts schijn, bedrog. Haar stralen, het witte licht dat zij mij toewerpt, dat hier binnendringt kent geen genade, het is hard, onverbiddelijk. Het kunnen ook de sterren zijn, die bundel, dat veelvoud van lichtende punten waarin ik me in andere tijden mijmerend, dromend, verlangend zelfs, durfde te verliezen. Het zou minder hinderlijk zijn dit vertrouwde, onschadelijk ogende licht toe te laten. Het te omarmen, te verwelkomen, de kamer en alles wat zich er bevindt toe te vertrouwen aan dit spel van miljoenen stralen. Heeft dit nog enig belang? Heb ik niet besloten, toen ik daarnet die eerste aarzelende stap zette, alles achter me te laten, de kamer, en wat haar toebehoort. Me te richten tot het raam en te kijken, te zien, eindelijk te zien.

Het venster. Ik kijk. Bomen. Zo vaak al ving mijn blik deze bomen in deze, mijn straat. Ik noem haar mijn straat omdat zich hier mijn kamer, en vooral mijn raam bevindt – het raam waar doorheen ik naar deze straat, daarom mijn straat, kijk. Zij hoort mij toe omdat zij onverbrekelijk verbonden is met mijn raam. Van hieruit wordt zij zichtbaar. Is dit werkelijk de enige wijze waarop zij zich weet te manifesteren. Ik vermoed het wel. Zonder mijn blik, zonder mijn blik vanuit dit raam, een peilloze afgrond, een eeuwige duisternis zonder zin, betekenisloos. Mijn raam verleent bestaansrecht aan de straat en wat zich daar bevindt, aan elk atoom, aan iedere minuscule beweging. De bomen. Het zijn nooit dezelfde bomen. Dat mag vreemd lijken. Misschien is het dat ook. Ik weet het niet. Ik stel vast. Evenmin heb ik een idee waarom het telkens andere bomen zijn. Noch aan welke wetmatigheden ze onderworpen zijn om te veranderen, of er wel zulke opgelegde procedures bestaan. De Japanse kerselaar bijvoorbeeld, hij staat er niet in de lente als hij mooi dient te bloesemen, nee soms daagt hij op in de winter en dwarrelen zijn roze blaadjes net als de sneeuw. Samen met de witte vlokken. Dan staan er plots treurwilgen in de straat. Om de volgende dag vervangen te zijn door pruimelaars. Die een week later het veld ruimen voor populieren. Onlangs werd de straat ingepalmd door een dennenbos. Het waarom van dit alles? Tot heden kon ik geen regelmaat in al die wijzigingen ontdekken, geen reden, geen oorzaak. Evenmin enig gevolg, geen voor- of nadeel. Iedereen lijkt het te aanvaarden. Of, wie weet, merkt zelfs niemand het op. Wie tenslotte heeft enig belang bij het bestaan van de bomen in de straat.

Kijk. Toch. De hond. Hij wel. Hij ruikt. Hij snuffelt. Hij draait om de boom heen. Het is een oude hond. Vel over been. Schurftige huid. Halfblind. Hij loopt moeizaam. Hoort nergens thuis. Straathond. Van onder meer deze straat. Hier leeft hij, voorlopig nog. Soms ligt hij te slapen in de zon. Als het regent duikt hij weg in een portiek. Af en toe strompelt hij het voetpad over, de huizen langs, de bomen besnuffelend. Zoals nu. Men verjaagt hem niet. Hij hoort hier. Hij is hier thuis. In de straat. Hij is de straat. Net als de bedelaar die ginds op de hoek zijn plaatsje vond. Steevast. Ik heb een afkeer van de man. Niet omdat hij bedelt. Evenmin omdat hij er vuil en verwaarloosd uitziet. Noch wegens zijn hongerige blik. Ook zijn nu eens smekende dan weer eisende ogen, of zijn mondhoeken die bitter omlaag wijzen, of ook de agressie die hij vaak uitstraalt, nee. Het is een fysieke gruwel die diep in mij wortelt en geen oorzaak weet te duiden. Irrationeel. Afschuw. Misschien ooit, nee zeker wellicht, zal ik deze man, deze uitwas moeten verwijderen uit de straat. Uit mijn straat. Al bevindt hij, deze schandvlek, zich reeds op de hoek, nog nauwelijks zichtbaar vanuit mijn raam. Uitrukken moet ik hem. Wegvlakken van het netvlies van de straat.

Niet zo hoeft de muzikant te vergaan. Al lijkt hij hinderlijker. Af en toe, steeds onverwacht, dwaalt hij de huizen van de straat langs. Ik weet nooit wanneer. Het kan de vroege ochtend zijn, het vallen van de avond, terwijl de maan hoog staat, of de zon in het zenith. Bij stormweer, hittegolf, bliksem, hij daagt op zonder, zo lijkt het, zich bewust te zijn van tijd, omgeving, medemens. Terwijl hij, met zijn slepende stap, zijn tempo begeleidt op de fluit. Steeds dezelfde melodie. Kan het wel een melodie genoemd worden, deze enkele nauwelijks elkaar opvolgende noten. Die hij aan zijn rudimentaire blokfluitje weet te ontlokken. Er is wel, heb ik vastgesteld, één constante, in zijn verschijnen, hij daagt steeds op wanneer de straat verlaten is. Nooit zag ik hem terwijl zich iemand gelijktijdig in de straat bewoog. Voor wie was zijn muziek bedoeld. Aan wie offerde hij zijn rudimentaire klanken. Wie had behoefte aan het geluid dat hij eentonig tegen de gevels opstuurde in de richting van de hemel. Hijzelf? Al die blinde ramen waarachter zich misschien, wie weet, talloze onzichtbaren schuilhielden? Vermoedelijk weet hij het zelf niet. Hij komt, hij verdwijnt. De klank van de fluit gaat hem vooraf. En blijft nog – hijzelf is reeds geruime tijd verdwenen – zinderen boven het plaveisel. Hij is mij sympathiek. Waarom. Ook dat weet ik niet. Mogelijk is het zijn eenzaamheid. Zijn behoedzame traagheid. De nutteloosheid van zijn melodie. De vergeefsheid van zijn spel. Het immorele van zijn eenzaam bestaan.

Het is onvoorstelbaar dat mijn kleine fluitspeler zou opdagen terwijl mijn straat zich overlevert, wat zij soms met duidelijke tegenzin doet, aan de mensenmassa. Zij vult zich, of wordt gevuld als bezeten door een immense honger. Met individuen die bij nadere beschouwing niet eens als dusdanig kunnen herkend noch erkend worden. Mannen, jonge mannen met snelle tred of slenterend, bejaarden die zich krampachtig, zich verzettend tegen de luchtdruk die hen dwingt steeds opnieuw de rug te rechten, verder strompelen. Mannen in pak, met das. Anderen vermomd als arbeider. Niemand bereid de ware gedaante te tonen. Allen een spel spelend. Een zichzelf toegemeten rol opvoerend. Ook de vrouwen. Winkelend? De stoep poetsend. Het imago. Het zelfbedrog. Waaraan ook de kinderen niet lijken te ontkomen. De schijn waarmee zij spelen. De eendracht. Het geluk. Daar reppen ze zich naar school. Om ginds, voorbij de hoek, te verdwijnen, op te lossen. Het luchtledige. Zo verdwijnen ze allen. Tenslotte. De straat veegt zichzelf schoon. Reinigt zich. Ontdoet zich van de luizen. Schurkt zich behaaglijk tegen zichzelf aan. Komt tot rust.

Mijn blik glijdt over de gevels. Ze lijken van bordpapier. Een decor. Of niet. Beweegt zich iets achter die levenloze ogen, die ramen die nietszeggend, inktzwart en stom-zwijgend de ijlte tegemoet staren. Luister. Hoor. Daar. Tik. Tik. Een klok. We nemen het geluid waar. Daar tikt de klok. Een ordinaire koekoeksklok. Seconden, minuten wegtikkend. Wachtend op. Op wat, wie. Aan de tafel. Keukentafel. Een vrouw. De vrouw. Een bloemetjesschort. Aardappelen schillend. Hoor. Luister. De plons van de aardappel in het water. Het water in de kookpot. De koekoeksklok. Het bloemetjesschort. De naakte geschilde aardappel. Op de tafel een gebloemd tafellaken. De geluiden plons, en tik/tik. De banaliteit. In de kamer ernaast tikt een wekker. Op een nachttafel. Naast een oude man. Naast een oude man in een bed. Tikt zijn uren weg. Zijn minuten. Hij sterft. Is aan het sterven. Terwijl daar, de vrouw. Schilt aardappelen. In haar bloemetjesschort. Hij sterft. Binnenkort. Hij weet het niet. Zij? Wij weten het. Wij wel. Tik. Tik. Kijk. Een andere gevel. Of niet. Alle gevels lijken op elkaar. Zijn elkaars gelijke. Groeien uit tot één geheel. Eén langgerekte eentonige gevelrij. Terwijl achter deze, toch zo verschillende… nee. Zie, dat is hij. Voorover gebogen. Het hoofd steunend in zijn ene hand. De vingers van de andere geklemd om een schrijfstift. Observeer hem met mij. Roerloos zit hij. Dan ontsnapt een zucht zijn borst, verlaat via de luchtpijp, strottenhoofd, mond, neusgaten het gekromde lichaam. Voor hem op het bureau liggen verspreid de boeken. Dikke boeken. Zware boeken. Volumes. En papieren. Heeft hij daar alles genoteerd. Dit kriebelen. Nog eer wij hem observeerden, eer wij spioneerden. Straalt hij wanhoop uit. Boven al deze wijsheid. in het aanschijn van wat hem mateloos irriteert, hem opwindt. Wat zijn bestaansreden is. Zijn huidig levensmotto. Hij kreunt onder de last. De opgelegde bestaanstaak. We laten de student aan zijn lot over. Liever schouw ik de gevel tegenover mij. wat zich daar bevindt.

Treft men daar niet, zittend op de grond, het kleine meisje aan. Zij speelt. Poppen. Vier, nee vijf in getal. Gegroepeerd heeft zij hen; rond een doek. Waarop uitgestald een servies. Een poppenservies. Bordjes, kopjes, schoteltjes. Het moet dus etenstijd zijn. Voor de poppen. Niet voor het meisje. We horen haar praten, mompelen. Toch niet. Het zijn de poppen. De poppen, vijf in getal, die praten. Bij monde van het meisje. Zij converseren. Een beschaafde conversatie. Een theekransje op hoog niveau. De kat – is het de kat van het meisje – drentelt de kamer binnen. Kennelijk stond de deur open. Op een kier. De kat, van het meisje?, glipte binnen. Een lenige grijze kat. Onverstoorbaar nieuwsgierig sluipt zij naderbij. Plant haar poten midden het doek. Het doek met het servies. De poppen blijven roerloos, onaantastbaar. Het meisje grijpt de, haar?, kat. Tilt haar op. Gooit haar in de hoek van de kamer. De poppen kijken zwijgend toe. De kat…

In het huis ernaast is alles bewegingloos. Desondanks is er geluid waarneembaar. Een gelijkmatig op- en neergaand geluid. Een gelijkmatig ronken. Snurken. Kijken we nauwgezetter toe. Merken toch iets als een beroering. De borstkas trilt lichtjes. De buik rijst en daalt. Ruggelings slaapt hij. Natuurlijk. Wij dringen binnen in de namiddag. Dan slaapt hij. De bakker. Een ganse nacht gemengd, gekneed, in de oven geschoven, het druppelende zweet gewist. Hij verlangt naar rust. In zijn hoofd botsen dromen nu urenlang tegen elkaar. Mooie visioenen. Over zeeën en eilanden en palmen en jonge vrouwen. Nachtmerries, angstdromen, paniek die hem achtervolgt; demonen, moord, vreemde wezens. Afgronden om in te storten. Af en toe kreunt hij. Stokt zijn ademen. Terwijl onwetend van dit alles, zich niet bewust van zijn bestaan, achter alle gevels gegeten wordt van zijn brood. Zijn koffiekoeken verslonden worden. Men genotvol hapt in zijn taartjes. Hij slapend beseft het niet. Enkele meters bij hem vandaan rijst zwijgend het nieuwe deeg. Levend. Waakzaam.

Enkele gevels verder ontmoet ik de visser. Kom mee. Kijk. Ja hij draagt een heuse jekker. En op het hoofd een zuidwester. Zei ik het niet. Een visser. Zijn kamer verraadt het ook. De schouw, scheepjes in flessen. Aan de wanden foto’s van vissersboten. Een schilderij  van een storm op zee. Reproductie. Naast een heel oude hangklok hét oog ‘God ziet mij, hier vloekt men niet’. Een visser. In mijn straat is geen zee te bespeuren, geen rivier, geen beek, geen fontein zelfs. Wat meer is, deze ganse stad moet het stellen zonder zee, rivier, waterloop. Er is geen vis te bespeuren kilometers in de nabijheid van mijn straat. Toch zit hier de visser. In zijn jekker. Met zijn zuidwester. Hij wacht.

God ziet hem. Kijkt hij ook neer op de vrouw achter gindse gevel. Zij dooft net haar sigaret. Duwt haar tussen het hoopje peuken in de bronzen asbak op de schrijftafel. Wat bevindt zich daar nog meer. Links van haar enkele duidelijk reeds beschreven vellen. Rechts een hogere stapel blanco papier. Onder haar hand een blad – indien we willen lezen we de zinnen die zij geschreven heeft. Is zij het die hen geschreven heeft. Vermoedelijk wel. Vier, vijf zinnen. Groene letters op een wit blad. Ook nu daalt haar hand, eerder weifelend me dunkt, naar het papier. Aarzelt. Bereikt het toch. Twijfelt. Dan, daadkrachtig vormen zich streepjes, krullen, voegen zich tot woorden. Zij schrijft. Wat in haar hoofd ontstaat weet ik niet. Misschien is het wat gestalte krijgt op het voorheen witte blad. De groene letters die uit de groene inkt lijken te vloeien via haar hand, arm, schouder. Ik kijk minutenlang. Tot zij het hoofd opricht. Peinzend vooruit blikt. De pen ligt op de schrijftafel. Naast het pakje sigaretten. Marlborough light. De schrijfster vlamt een sigaret aan. Even, kort, is haar gelaat sterker verlicht. Ook het deels beschreven vel papier lichtte feller op, een seconde. Net als het glas, halfvol – water? De staander waarin potloden, pennen bleef in het halfduister. Net als het bakje met gom en paperclips. De gsm. Ze vangen een bescheiden straal van de bureaulamp, daar buiten het creatief veld van het papier. De rook van de sigaret neemt het licht mee. Verdwijnt ermee, slokt het op. De schrijfster strijkt vermoeid een losgekomen haarlok uit haar ogen.

Mijn blik dwaalt in de verte. Ginds is de stad. Maakt mijn straat deel uit van de stad? Mijn raam. Hoort ook mijn raam toe aan de stad. Wat betekent dat alles ginds. Daken. En verder boven alles uit, een kerktoren. Een fabrieksschouw. Een watertoren. Zijn het signalen. Een wereld. Een maatschappij. Een beschaving. Aan het einde van de straat weet ik een kerk. Sinds het begin der tijden. Sinds het begin van mijn straat. Misschien is de straat daarom de straat. Omwille van de kerk. Ooit. Een oude verweerde kerk. Kathedraal bijna. Beelden in de gevel. Soms, heel af en toe, ben ik zo’n beeld. Heel oud. En verweerd. Net als de kathedraal. Roerloos ook. Observerend. Toekijkend wat zich afspeelt. Wat gebeurt onder mijn verweerde voeten. Niets deert mij. Geen felle zon. Geen wind, geen sneeuw, geen regen, geen kou. Steen, versteend ben ik. Gevoelloos. Teveel gezien. Teveel gehoord. Teveel mensen. Teveel dagen, maanden, jaren, eeuwen. Teveel roerloosheid. Onbewogen kijk ik het aan. Graag zou ik ooit mijn mond in een grimas toveren. Om dit alles. Om de mens. Eén keer slechts. Eén grimas. Helaas. Steen. Versteend. Roerloosheid.

Het raam. Starend in de leegte van de straat. Geen bewegen. Levenloos. Sssst. Stilte. Luister. Hoor. Het onhoorbare. Zwijgende geluidloosheid omringt. Een toonloos zoemen. Een melodie zweeft ongrijpbaar door de lucht. Flarden dialoog waaien aan, dreigend. Verre donder. Onzichtbare klanken. Remmende auto. Tram knarsend in de bocht. Doffe dieselklank van startende vrachtwagen. De trein – aanzwellend, zich weer verwijderend – zijn denderend lawaai blijft heel even boven de stad aarzelen. Bang te definitief te vertrekken. Zoemen van vliegtuig. Verstoord door klokgelui. Eén, twee, drie, honderd klokken. hels kabaal overwoekert stad, straat. Dringt binnen door mijn gesloten raam. Illusie. Bedrog. In de nachtelijke stilte huilt een baby, krijst een vogel, jankt een hond, gilt een man. Onecht. Bandopname. Alleen de stilte, het ongeluid is reëel in de duisternis.

Boven de daken glimt een zeldzame straal. Laat zich vangen door mijn raam. Laat zich weerkaatsen. Tracht mij, eeuwig blinde, te verblinden. Poogt de kamer, ver achter mij, binnen te dringen. Tracht de kamer schaduwen op te dringen, contouren te ontlokken. Dreigt de ochtend? Dreigt de zon? Het café opent zijn deur. De geur van oude sigaretten, jaren geleden opgesmeuld. De stank van verschaald bier, ooit gemorst over toog, tafels, vloer. Het aroma, het bouquet van zweterige lichamen, reeds vergaan. Dat alles stroomt uit de opening ontstaan nu de deur werd opengegooid. Het rolluik ratelt omhoog. Zie de prijslijst, vergeeld. Een bierreclame. Kijk nauwkeurig toe. Binnen veegt de herbergier, vergeefs, het stof onder de tafels vandaan. Wanhopig blinkt hij een laatste maal de tapkraan glimmend.

Terwijl ginds drie werklieden reeds verzameld staan. Rond de put in het wegdek. Gemeentearbeiders? Waartoe een put. Welke functie. Nut. Waarheen. Hoe diep. Zullen deze drie hem vullen. Of verdiepen. Belang heeft het niet. De put is er. Zelfstandig. Hij is. Dat moet volstaan. Zijn plotse aanwezigheid rechtvaardigt het bestaan van de drie die hem aanschouwen. Verbaasd. Bewonderend. Vragend. Laat ik de ogen sluiten. Heel even maar. Blind worden voor de dageraad. Voor het heden. Een ogenblik bij mijn raam vertoeven zoals het ooit, in het verleden was. Welke aanblik deze, mijn straat toen bood. Waren die gevels inderdaad die gevels. Die deuren, die deuren? Die daken… Die stoepen… Die ramen… Mijn raam…

Wat heeft zich afgespeeld in deze straat. Wat is voorgevallen onder mijn raam. In tijden dat mijn raam nog mijn raam niet was. Welke verhalen weet deze straat mij te vertellen. Wat heeft dit raam gezien. Beleefd. Meegemaakt. Ondergaan. Oorlogen. Twisten. Burenruzies. Feesten. Bruiloften. Geboorten. Doden. Myriaden levens. Mirakels. Wonderen. Kan ik het vragen. Zal de straat antwoord geven. Mag ik verwachten verklaringen te ontvangen. Duizend vragen heb ik. Over het verleden. Over de toekomst. Over de zin. De zin van de straat. De zin van de stad. De zin van het raam. De zin van mijn raam. Natuurlijk blijft de straat stom. Zij kan antwoorden. Maar zij weigert. Zij wéét. Maar zwijgt.

Nu sta ik aan de overzijde. Bevind ik mij tegenover mijn raam. Kijk naar het raam. Naar mijn raam. Een gewoon raam. Een ordinair raam. En voor dat raam sta ik. Ik kijk naar de straat. Ik zie dat ik naar de straat kijk. Naar de gevels. Naar de stad. Me dunkt dat ik – zo zie ik terwijl ik aan de overzijde naar mijn raam kijk, naar mijn raam waar ik sta – dat ik heel vluchtig, een wat droeve glimlach op mijn gelaat tover. Of toch niet. Mogelijk was het de reflectie van de eerste zonnestraal. Was het alles, ook deze lach, bedrog, een weerspiegeling van wat nooit bestond.     

Johan de Belie

Illustratie: Henri de Braekeleer, De man aan het venster

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.