Het zal morgen al vijf jaar geleden zijn dat de Antwerpse schrijver Fernand Auwera is overleden. Ik heb dat echter pas vorig jaar vernomen. Het kan dan ook niet anders dan dat daar destijds in de media niet veel aandacht is aan besteed! (foto Eric Koch van Anefo via Wikipedia)

Fernand Auwera debuteerde in 1965 met “De donderzonen”, gevolgd door “De koning van de bijen”, maar het is pas in 1967 dat hij opgemerkt wordt met “Mathias ’t Kofschip”, een boek met als hoofdpersonage Andreas Richter, een extreem-links personage dat, als-ie uiteindelijk met zichzelf wordt geconfronteerd (Richter als rechter van zichzelf), nogal laf uitvalt. Die thematiek ontwikkelde hij ook in de opvolger, “De nachten van Andreas Richter”. Het manuscript ging echter verloren en dook pas opnieuw op in 1994. Toen werd het prompt uitgegeven bij Meulenhoff/Manteau.
Auwera lokt wel steeds enige reactie uit, wanneer men een boek van hem achter de rug heeft. Zo ook in het geval van “In memoriam A.L.” (1968), een nogal doorzichtig psychologisch detective-gevalletje, dat wellicht enkel de literatuurhistorie zal ingaan omdat er op p.139 over Rik Van Looy gesproken wordt.
Voor mijzelf had het boek echter een speciaal belang omdat er een aantal merkwaardige parallellen inzitten met “Twice upon a time”, de roman die ik samen met Johan de Belie heb geschreven. Het is daarom wel belangrijk aan te stippen dat ik het boek van Auwera pas op 9/10/1976 heb gelezen.
1.Zoals ik reeds zei, het is een psychologische misdaadroman, waarbij de psychologische uitrafeling belangrijker is dan het uiteindelijke raadsel, dat je mits wat fantasie zelf kunt ontdekken.
2.De moord speelt zich af in de wereld van de schilderkunst en de zelfmoord idem (het betreft de schilders Simon Groenzon en Andreas Serskamp).
3.Hieruit kan men ook reeds de eventuele lanceertitel afleiden die zou kunnen luiden: wie vermoordde wie? Een titel die ook op “Twice” zou kunnen slaan, al is het omwisselen van dader en slachtoffer bij “Twice” eerder symbolisch. Of moet het zijn: magisch-realistisch?
4.De beide schilders kwamen heel goed overeen (er werd geroddeld over homofilie) en op de koop toe heeft Andreas een verhouding met Eva, Simons veel jongere vrouw. Door het feit dat Simon Andreas als een zoon behandelde en als schilder in de bekendheid bracht, lokt hij (onbewust) als het ware Eva bij hem in bed. Mits een omwisseling van de geslachten is dit ook al toepasselijk op “Twice”!
5.Het karakter van Eva lijkt nogal op dat van Danièle. Of, volgens Leo Geerts, eerder op Patsy (ik breng even in herinnering dat hij Patsy aansprakelijk stelde voor de verwording van Danièle en zo in feite voor haar eigen dood: wie vermoordde wie?) Een paar jaar voor zijn dood, in 1991 namelijk, schreef Leo Geerts zelf een roman waarin Moord & Doodslag, Droom & Werkelijkheid, maar vooral ook Homo- & Heteroseksualiteit door elkaar lopen, wat al blijkt uit de titel: “Sapfo’s lief”. Het geslacht van dat lief is mannelijk, de ik-persoon namelijk, maar toch ook weer niet: aangezien hij eigenlijk van zichzelf vindt dat hij homoseksueel is (omdat hij verliefd is op een jongetje dat overigens net voor z’n dood een meisje blijkt te zijn) en Sapfo graag de dominerende, “mannelijke” rol voor haar deel neemt, worden de geslachten in de verhouding min of meer omgewisseld. Als de ik-persoon op het einde gecastreerd wordt en zich terug tot het homo-milieu wendt (maar kuis, want ondertussen zijn we in de aids-tijden aanbeland) is de cirkel dus rond. Hier en daar zijn er zeker invloeden van onze roman, maar ze zijn moeilijk met de vinger te duiden. Het is bovendien vijftien jaar na de “feiten”.
6.De enquête wordt niet geleid door de politie maar door kunstcriticus Anton Landwaard (een oude, verburgerlijkte Paul uit “Twice”, zou men kunnen zeggen), die op de koop toe op het einde een verhouding begint met Eva (in memoriam de oude A.L. met de gewoontes van zijn vrouw Nancy). Hiermee verklap ik niks, want dit is reeds na vijf bladzijden duidelijk.
In 1969 (!) gaf Auwera het boek “Schrijven of schieten” uit, dertig interviews met dertig Vlaamse, Nederlandse en zelfs Zuid-Afrikaanse auteurs, waaronder zegge en schrijve één (1) vrouw! Reeds bij een eerste oppervlakkige kennismaking met het boek valt op dat we hier te maken hebben met een vrij vervelend werkstuk waarin oninteressante mensen oppervlakkig handelen over zaken waar ze in feite geen benul van hebben. De uitzonderingen bevestigen uiteraard alleen maar de regel. Wat b.v. gezegd over Hugo Raes die stelt: “Arbeiders zijn dom; zij streven enkel naar een hoger salaris; de ‘betere’ literatuur kan hen gestolen worden”? Hierin zitten al meteen twee foutieve premissen die eigenlijk in het boek aan bod hadden moeten komen:
1.wat engagement betreft: waarom zijn arbeiders ‘dom’? Wie houdt hen dom? Wat is de rol van de syndicaten? Wat is de uiteindelijke bedoeling van deze manipulaties? enz.
2.wat de schrijfact betreft: waarom noemt men z’n eigen producten ‘betere’ literatuur? Waarom slaat deze literatuur niet aan bij de arbeiders? Is dit (enkel) de schuld van de arbeiders?
Ik wil de fout dat deze vragen onbeantwoord zijn gebleven Auwera niet aanwrijven. De man worstelde blijkbaar met een ernstige invraagstelling van zijn bestaan, dat hij een sociale functie wil geven zonder al te veel aan zijn levensstijl te moeten wijzigen (een probleem voor ons allemaal).
Anderzijds is hij ook niet vrij te pleiten, want zijn zogenaamde beleefdheid om het gesprek in die richting te laten gaan, die de geïnterviewde aangeeft en niet de interviewer (met als ‘verschoning’ zijn onbekwaamheid op dit gebied) is hier noch min noch meer een toegeven aan imago-vorming van vele van die schrijvers die o zo graag voor links doorgaan. Want, natuurlijk, zij achten zichzelf niet dom en toch zoeken zij geen antwoord op, neen, stellen zelfs niet de voor de hand liggende vragen, die ik hoger heb geformuleerd. Waarom dan niet? Om zich niet te compromitteren, om zich niet als systeem-instandhoudend individu te moeten blootgeven.
Een verademing in de doorgaans saaie boel was het interview met de gebroeders Heeresma. Beiden even knettergek-rechts, maar beiden ook de enigen die profetisch de vinger in de etterende VMO-wonde leggen. Misschien zit hierin een tip voor latere hernemingen (“Schrijven of schijten” b.v.) van dit ‘experiment’: de interviewrelatie (1-1) laten schieten voor de debatverhouding (1-x). (Heere Heeresma is ook de auteur van “Dames-ondergoed”, een TV-drama, waarin een zekere Jorus, gespeeld door Paul Hoes, huisarrest krijgt omdat bij hem een stapel gestolen dameslingerie wordt gevonden. Hij krijgt daarvoor een psychologe op bezoek, gespeeld door Willemijn van de Ree, die echter helemaal géén ondergoed blijkt te dragen! In diezelfde reeks zag ik op 15/7/96 ook “Een moederhart klopt aan”, over een onnozele trien die per se een kind wil van haar bierzuipende echtgenoot en deze maakt haar wijs dat dit enkel via een draagmoeder, zijnde de sexy buurvrouw, zou gaan.)
Verder heb ik een rangschikking opgemaakt volgens informatieve belangrijkheid van de overige twaalf interviews die ik heb gelezen (want natuurlijk las ik er dertien). Jef Last gaat met de palm lopen, omdat wij hier de Köstler-Orwell-tragedie op ‘binnenlands’ vlak meemaken. Het Stalin-trauma en het afgewezen worden door Nieuw Links laat deze man enkele merkwaardige schizofrene uitspraken doen over Marx o.a.
Gerard Walschap wordt slechts met een neuslengte geklopt, want in hem toont de BSP zich in al zijn verrotte glorie. Jan Wolkers op drie, deels wegens zijn zelfgeschreven biografietje, waarin hij horoscopisch een mysterieuze dood zal sterven in een afgelegen land (mis poes!) en waaruit ook blijkt dat hij geen enkel plan had voor “Turks Fruit” (wat de orgastische explosie nog beklemtoont), maar wél toen al met “De Walgvogel” bezig was. Maar voornamelijk geef ik hem de bronzen medaille wegens de bijzonder knappe tekst. Zo knap dat ik sterk het mondelinge karakter ervan betwijfel.
Op vier Breyten Breytenbach: de enige die consequent durft te zeggen dat als puntje bij paaltje komt hij het schrijven zal laten voor wat het is en het geweer opnemen (nou ja, Geeraerts zegt dat ook maar bij hem is het zoals steeds eerder uit avonturierszucht).
Vijf Marcel Van Maele die blijkt in Korea te hebben gevochten, wat samen met zijn ‘kraam’-anijs mijn mening over dergelijke tiepen nog maar staaft.
De zesde plaats is voor een bijzonder menselijke Hugo Claus, die hier (wellicht) linkser overkomt dan hij in feite is (net als Geeraerts). En dan verder in volgorde: Daniël Robberechts, Hubert Lampo, Piet Van Aken (2x BSP), Harry Mulisch, Jef Geeraerts en Ward Ruyslinck. Deze drie laatsten vertellen blijkbaar in alle interviews hetzelfde, met de zwammende Ruyslinck dan wel als absoluut dieptepunt.
Als goede Maoïst (we schrijven 25/2/75) heb ik deze dertien ook gerangschikt volgens écht engagement. Van links naar rechts zijn dat dan: Breytenbach, Wolkers, Mulisch, Claus, Robberechts, Van Aken, Geeraerts, Ruyslinck, Last, Lampo, Van Maele, Walschap en Heeresma.
Terloops nog opmerken dat in het geval van Lampo Auwera terecht het magisch-realisme met de vinger wijst en dat Lampo zich evenmin als Johan de Belie met hevig gekronkel kan redden uit de beschuldiging. Misschien is Daisne dan toch nog de oprechtste?
Het antwoord op de vraag “Schrijven of schieten?” gaf Auwera overigens zelf in 1970 met “Geen daden maar woorden”.
In de jaren zeventig schreef hij ook nog “De weddenschap”, dat voor de BRT werd verfilmd door Anton Stevens over een wel zeer ondernemend galerijhouder die dacht dat alles te koop is, ook de vrouwen. Fernand Auwera is een eigenaardige schrijver. Hij weet altijd te boeien maar blijft artistiek toch steeds ondermaats. Deze verfilming had net dezelfde kwaliteiten en gebreken als het oorspronkelijke werk, zodat men geneigd zou zijn de regisseur “boven alle verdenking te plaatsen”. Nochtans had deze door zijn ver doorgedreven aanpassing nog heel wat ‘literaire’ fouten kunnen vermijden. “Si non e vero, e bene trovato” zat ik de hele tijd te denken. Maar waarom iets onwaarachtigs zo realistisch trachten weer te geven? Vooral wanneer de vertolking dermate te wensen overlaat (bij iedereen) dat de personages toch geen mensen van vlees en bloed meer konden worden. Jaak Vissenaken b.v. had in een meer fantastische bewerking als een soort Mefistofeles zeker meer impact gehad (01/08/1978).
In 1983 volgde “Uit het raam springen moet als volkomen nutteloos worden beschouwd” dat als “Springen” door Jean-Pierre De Decker tot een heuse bioscoopfilm werd omgetoverd.
Tijdens een uitzending van “Wie schrijft die blijft” van 8 mei (jaar?), mocht de Antwerpse auteur Fernand Auwera lucht geven aan zijn ergernis. Voor hem was dat: in de rij staan voor een winkelkassa. Vooral als je maar een doosje smeerkaas hebt gekocht en er vlak voor je een vrouw staat met een winkelwagentje dat afgeladen vol is. “Toen ik haar vroeg of ik niet even voor mocht, keek ze me aan alsof ik haar gevraagd had me daar terstond te pijpen,” kloeg Fernand. Wel Fernand, ook hier heeft de medaille twee kanten. Uiteraard kunnen we je ergernis begrijpen, anderzijds begrijpen we niet waarom je voor een doosje smeerkaas per se naar een grootwarenhuis moest hollen. Zijn er soms geen gewone winkels meer in je buurt? Of wou je een halve frank uitsparen? Dan moet je dat wachten er natuurlijk maar bij nemen!

Een gedachte over “Fernand Auwera (1929-2015)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.