Op 15 december 1939 gaat in het Grand Theater van Atlanta “Gone with the wind” (Victor Fleming), de eerste grote Amerikaanse blockbuster in kleur, in première. Noch de vroegere pogingen met twee kleuren (tegelijk met de klankfilm), noch de tekenfilms in kleur hadden het grote publiek met dat fenomeen kunnen verzoenen.

In 1935 was op 3 juni reeds de eerste film “in technicolor” te zien, maar de personages in “Becky Sharp” van Rouben Mamoulian (naar Thackeray’s “Vanity Fair”) zagen er (met de woorden van een contemporaine recensent) uit als “gekookte zalmen die in mayonaise waren ondergedompeld”. Mamoulian had de film geërfd omdat de oorspronkelijke regisseur aan longontsteking was gestorven, een ziekte die hoofdrolspeelster Myriam Hopkins ook bijna fataal werd.
De film werd opgenomen op drie afzonderlijke kleurennegatieven. Op een paar uitzonderingen (die zegden dat de kleurenwarreling voor hoofdpijn zou zorgen) na reageerde de kritiek doorgaans nochtans positief: hopelijk zou door de introductie van kleur het “gebabbel”, waarop men sinds het tot stand komen van de klankfilm zo verzot was, opnieuw wat meer naar de achtergrond verdringen, ten voordele van het “beeld” zelf. “A star is born” van William Wellman krijgt in 1937 dan ook de eerste oscar voor kleurenfotografie. Toch zou de grote internationale doorbraak van de kleurenfilm nog op zich laten wachten tot de ontdekking van de hypergevoelige kleurenpellicule (Eastmancolor), want Jan Publiek had net zoals Clark Gable hiertegen “Frankly, my dear, I don’t give a damn” gezegd.
Overigens, Will Hays, je weet wel: de man van de Hays Code, zorgde hier weer voor problemen: “Frankly my dear, I don’t give a damn” kon volgens hem niet door de beugel. Selznick hield gelukkig voet bij stuk. Voor “I’ve never held fidelity to be a virtue” gaf hij in ruil wél toe en knipte deze bekentenis van Rhett Butler eruit.
“Gone with the wind” is, na “Birth of the Nation”, een tweede “blockbuster” over de Civil War, die opnieuw de discussie over het racisme in Hollywood aanzwengelt. Niet minder dan acht oscars vielen de film immers te beurt, waarbij ook één voor Hattie McDaniel als beste bijrol, die hiermee de eerste zwarte werd om een oscar te behalen. Zij was ook de eerste zwarte die aan het oscar-banket mocht aanzitten i.p.v. het te bedienen. Nochtans was dat precies het soort rollen dat ze vooral zou spelen, waardoor ze vanuit de zwarte gemeenschap wel veel kritiek kreeg. McDaniel zag het anders: “Nu krijg ik zeven duizend dollar per week om de rol van een meid te spelen. Als ik dat niet deed, zou ik zelf een meid zijn en slechts zeven dollar per week verdienen!” Andere bronnen zeggen echter dat deze woorden haar door een ghostwriter van de studio in de mond zijn gelegd. Privé zou ze b.v. wél hebben gezegd nooit meer de rol van een meid te willen spelen. En op de première van “Gone with the wind” in Atlanta mocht ze niet aanwezig zijn…
Toen David O.Selznick de Britse Vivien Leigh (door bemiddeling van Laurence Olivier) boven zijn buurmeisje Paulette Goddard (die daar samenwoonde met Charles Chaplin) verkoos als Scarlet O’Hara, ontstond er in het noorden van de V.S. een oproep tot boycot van de film “Gone with the wind”, maar in het zuiden zei men: “Liever een Britse dan een Yankee!”
Oorspronkelijk had namelijk ook Bette Davis haar zinnen op deze film gezet. Bette Davis speelde immers vooral in “weepers” (smartlappen), omdat ze het als sekssymbool niet had kunnen waarmaken. Misschien daarom dat ze naast de hoofdrol greep in “Gone with the wind”, waarop ze nochtans stellig had gehoopt. Een andere theorie is evenwel dat ze zelf afhaakte, toen bleek dat haar tegenspeler Errol Flynn zou zijn, waarmee ze in 1939 in “The private lives of Elisabeth and Essex” had gespeeld en die ze niet kon uitstaan. Zij had liever Laurence Olivier gehad, nota bene de echtgenoot van Vivien Leigh, die later “haar” rol zou krijgen. (Het werd uiteindelijk, zoals iedereen wel weet, Clark Gable.) Hoe dan ook, haar studio, Warner Brothers, wilde haar daarvoor niet vrijmaken, maar daarom kreeg ze wel in “Jezebel” van William Wyler een gelijkaardige rol toegeschoven als de wilskrachtige, mooie, hartstochtelijke Julie. Ze kreeg er haar tweede Oscar voor.
Laurence Olivier van zijn kant kreeg de rol van Darcy in “Pride and Prejudice” toegeschoven, maar… “despite the lavish sets and opulent costumes, Pride and Prejudice had to be shot in black and white, because David O.Selznick had used every available reel of Technicolor film in existence to make Gone With The Wind.”
Oorspronkelijk was George Cukor de regisseur van de eerste “officiële” draaidagen van “Gone with the wind” (de kennismaking met Scarlett, het bal, waarop men nota bene op een bewegende vloer danste, omdat Clark Gable een hark is als danser). Na tien dagen hadden ze nog maar 23 minuten film, waarvan er dan nog tien opnieuw moesten worden gedraaid. Ook het ritme van de film zelf lag volgens producer David O.Selznick veel te laag. Cukor wijdde dit aan het script en wilde opnieuw werken met het originele script van Sidney Howard dat door Selznick bijna onherkenbaar was verminkt. Ondanks het feit dat ze in het gewone leven bevriend bleven, stuurde Selznick Cukor toch de laan uit. “Nu is het enige wat ik aan deze film leuk vond ook nog verdwenen,” zuchtte Vivien Leigh, die zo maar eventjes in 95% van de film is te zien! (Reportedly, Clark Gable insisted that original director George Cukor be replaced because Gable had, years earlier, engaged in a sexual liaison with the influential director as a way to further his own career, aldus de Internet Movie Database, n.a.v. de film “Hail, Caesar” van de Coen Brothers uit 2016.)
Overigens, bij “Tara’s theme” uit “Gone with the wind” (muziek van Max Steiner), denkt men automatisch aan het personage van Vivien Leigh, maar Tara is (hier althans) geen naam van een meisje, maar van de grond, die Scarletts motivatie is om ondanks alle tegenslagen door te blijven gaan.
Gable van zijn kant bracht Victor Fleming aan, met wie hij nog maar pas “Red dust” en “Test pilot” had gedraaid. Deze titels geven ook al aan dat Fleming veeleer als “macho” bekend stond. Op dat moment was Fleming nog bezig met “The Wizard of Oz”, maar hij werd daar weggehaald nog voor de film eigenlijk was voltooid. Het eerste wat Fleming echter doet… is zeuren over het script! Gedurende veertien dagen lag de productie dan ook stil tegen 10.000 dollar per dag. Als compromis werd Ben Hecht aangezocht om het scenario te herschrijven. Deze gaf eveneens de voorkeur aan de Howard-versie. Samen met Fleming is hij wel verantwoordelijk voor het opdrijven van het ritme van de film, al werd het scenario uiteindelijk bijna op de set zelf geschreven. Dan begint Selznick zich ook met de regie te bemoeien, zodanig dat Fleming een ziekenbriefje binnenbrengt: nervous breakdown
Het allereerste wat gefilmd werd was echter de brand van Atlanta, omdat MGM toch het plan had opgevat om een aantal oude decors te verbranden om plaats te maken voor nieuwe. Zo is de fameuze brandende muur niets anders dan de muur van King Kong!
Dat de “acteurs” in de brand stuntlui zijn, dat verwondert natuurlijk niemand, maar straffer was dat op dat moment de hoofdrolspelers nog niet eens bekend waren, tenzij dan misschien Clark Gable, die door het publiek gewoon werd “opgeëist” voor de rol van Rhett Butler, waardoor hij juist daarom er helemaal geen zin in had. Bovendien haatte hij als anti-semiet producer David O.Selznick. Anderzijds hield hij aan de film wel zijn typerende snorretje over dat hem voor de rest van zijn carrière niet meer zou verlaten.
Een belangrijke zin in de film is wanneer Vivien Leigh zegt: “Al dat gepraat over oorlog verpest alle plezier.” Zij heeft het uiteraard over de Civil War, maar met de oorlogsdreiging in Europa kreeg dit toch een wrange bijklank.
Olivia de Havilland (1916-1991), de oudere zus van Joan Fontaine, was niet tevreden met de haar toebedeelde rol van Ashleys vrouw Melanie. Ook de andere rollen die ze in die tijd kreeg toegewezen, zinden haar niet. Daarom eiste zij meer inspraak, maar haar studio (Warner Bros) reageerde door haar juist op non-actief te plaatsen. Als allereerste actrice (of acteur) die onder contract lag bij een studio klaagde zij haar werkgever aan bij het gerecht. Zij won het proces en vanaf dat moment werd de duur van langlopende contracten wettelijk beperkt tot zeven jaar. Zijzelf moest haar moed wel met een inactiviteit van drie jaren bekopen. Pas in 1946 maakte zij haar comeback met “To each his own”, waarvoor ze meteen ook een Oscar ontving.
En dan is er nog Howard Rushmore, de filmcriticus van “The Daily Worker”, het blad van de Amerikaanse communisten. De Amerikaanse Lode De Pooter, zeg maar. Tot hij in onmin viel met de partij omdat hij “Gone with the wind” tegen de partijlijn in een goede film bleef vinden. Rushmore stapte over naar het schandaalblad “Confidential” en maakte er een erezaak van om “commies” en “queers” te ontmaskeren. Hij was ook een notoir racist, zoals mocht blijken uit het incident met Josephine Baker, die in een racistische bar niet werd bediend. Baker, die Rushmore (toevallig aanwezig) kende, riep zijn hulp in, maar hij weigerde die, waarop zij uiteraard in woede uitbarstte. Rushmore schreef hierop zodanig beledigende artikels over de “commie” Josephine Baker, dat ze besloot zich definitief in Frankrijk te vestigen. Rushmore was dus uiteraard ook een gretige verklikker voor McCarthy. Hij kwam aan zijn einde op de achterbank van een taxi, waarin hij eerst zijn vrouw had vermoord en nadien zelfmoord had gepleegd…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.