Vandaag is het al 35 jaar geleden dat de documentaire filmer Clemens De Landtsheer is overleden. Op zijn begrafenis in zijn geboortedorp Temse werd toen onderstaande foto genomen van zijn “vertrouwelingen”: v.l.n.r. Marnix Maekelberg, Roger Van Bouchaute, Luc De Ryck en Carlos Van Louwe. Bovenstaande foto, waarbij Clemens De Landtsheer wordt geflankeerd door Karel Aubroeck en nogmaals Luc De Ryck is dan weer genomen in 1981 bij de voorstelling van het Jaarboek 1980 van het Gemeentemuseum van Temse.

De laatste tijd is er meer en meer belangstelling voor het cultuurhistorische aspect van de film. Denk maar aan het project in het Huis van Alijn in Gent, dat zijn weerslag had op een wekelijkse rubriek in “Man bijt Hond” destijds. In datzelfde kader is de belangstelling toegenomen voor de documentaire filmer Clemens De Landtsheer (1894-1984). Hij was tegelijk ook een pionier van de propagandafilm, maar dat aspect van hem probeert men een beetje onder de tafel te vegen, omdat hij met name in de fameuze jaren dertig een propagandist van het Vlaams-nationalisme was. (Anderzijds moet men ook toegeven dat de IJzerbedevaart, waarvan hij in het organisatiecomité zat, toch ook altijd een pacifistische manifestatie is geweest.)
Maar goed, hierover kon men alles vernemen tijdens een seminarie dat plaatsvond in het kader van het Gentse Filmfestival op 16 oktober 2008. Eén van de deelnemers was Bruno De Wever, historicus aan de Gentse universiteit en broer van Bart De Wever van de NVA, wiens ideeën evenwel tegengesteld zijn aan die van zijn broer, zoals we al herhaaldelijk konden vaststellen. Dat zal wel niet wegnemen, neem ik aan, dat professor De Wever zijn broer wel zal steunen in zijn aanklacht tegen de racistische redactie van het Franstalige dagblad Le Soir, die nu al maanden aan een stuk Vlamingenhaat predikt.
En zo komen we dan toch weer bij de Vlaamsgezinde Clemens De Landtsheer terecht, aan wie in zijn geboortedorp Temse van 4 juli tot 17 augustus 2008 een tentoonstelling wijdde onder de titel “Een idee verkopen en een mythe creëren”. Deze tentoonstelling vond plaats op de Dacca-zolder in de Kasteelstraat.
Dit alles is voor mij een gelegenheid om even stil te staan bij de geschiedenis van de Belgische film. Ik moet toegeven dat ik – mijn politieke opvattingen getrouw – getracht heb een geschiedenis te schrijven van de “Vlaamse” film, maar dat bleek ondoenbaar. Toch is dit ook geen argument om het begrip “Belgisch” te handhaven, want de Vlaamse film is tevens onverbrekelijk verbonden met die van onze Noorderburen, terwijl de Walen precies in dezelfde verhouding staan tot de Franse film. Misschien is het ook hier interessanter om van een “Europees” niveau te gewagen…
Maar goed, in juni 1895 stellen Auguste en Louis Lumière dus een nieuwe uitvinding voor op het congres van de fotografische verenigingen in Lyon. Het is een snelle opeenvolging van een reeks foto’s waardoor de indruk ontstaat dat de personen op die foto’s bewégen: de uitvinding van de film, jawel. Eigenlijk is het dus gewoon een toepassing van de “phénakistiscoop” van de Gentenaar Joseph Plateau uit 1832.
De naam van Joseph Plateau is rechtstreeks verbonden met de creatie van bewegende beelden. Hij ontdekte en formuleerde het principe van de gezichtstraagheid. Met zijn phenakistiscoop legde hij de basis voor de filmindustrie. Hij wordt dan ook meestal geciteerd als onmiddellijke voorloper van de film. Wanneer hij in 1835 professor aan de Gentse Universiteit wordt, heeft hij de ontdekking van de phenakistiscoop reeds op zijn naam staan. Plateau noemde het toestel, voorloper van de animatiefilm, ook wel Fantascoop. Het midden van de 19e eeuw was een tijd waarin het huiselijke leven niet veel spectaculairs te bieden had. Plots komt dan deze phenakistiscoop de verbaasde burgers het “fantastische” van beelden in beweging tonen. Een gebeurtenis zonder voorgaande.
De phenakistiscoop bestaat uit een houder met daarop gemonteerd een ronde schijf met een aantal lichtjes verschillende tekeningen, gescheiden door smalle spleten. Laat men de schijf voor een spiegel draaien en bekijkt men door de voorbijkomende spleten de reflectie van de opeenvolgende beelden, dan ziet men een beweging ontstaan.
Uit het doctoraat van Joseph Plateau ontstaat de anorthoscoop, die echter nooit zo’n groot commercieel succes zal worden als de phenakistiscoop. Een anorthoscoopschijf is een vervormde tekening die, als ze samen draaiend met een sluiterschijf (schijf met spleten) op de correcte wijze bekeken wordt, een onvervormd maar stilstaand beeld reconstrueert.
Joseph Plateau verrichtte voorts fundamenteel onderzoek naar het gedrag van dunne vloeistofvliezen en naar de visuele waarneming van kleuren. Ook dit veel minder bekende aspect van Plateau komt ruim aan bod in de tentoonstelling.
De grootste fysici uit die tijd behoorden tot zijn kennissenkring. In 1843 wordt Plateau langzaam volledig blind, niet rechtstreeks als gevolg van zijn experiment in 1829, waarbij hij 25 seconden recht in de zon keek, maar als gevolg van een oogontsteking. Veertig jaar zou hij nog de leiding hebben bij tientallen experimenten, die hij laat uitvoeren door zijn vrienden, collega’s en familie.
Plateau was ook een uitstekend en innoverend lesgever. Hij creëerde voor de Gentse universiteit het “Cabinet de Physique”, dat op Europees niveau tot het beste behoorde van wat er rond 1840 bestond.
Het allereerste filmpje zijn gewoon de arbeiders van de fabriek Lumière als die door de poort naar huis terugkeren. “La sortie des usines Lumière” is op 10 november 1895 voor beperkte kring (o.a. burgemeester Buls) reeds te zien in Brussel, eveneens dankzij een Gentenaar, Amand Goderus. De eerste publieke vertoning vindt echter plaats op 1 maart 1896 in de redactielokalen van het progressief-liberale blad “La Chronique” in de huidige “Galerie du Roi”.
De eerste publieke filmvertoning in Vlaanderen, eind oktober 1896 (georganiseerd door de Parijse fotograaf Pirou) vond plaats in de zaal boven de hoofdingang van het Nieuwe Circus in Gent. Slechts een beperkt clubje kwam erop af. Maar amper een maand later was dat al helemaal anders toen de gebroeders Lumière in hoogsteigen persoon een vertoning kwamen geven in diezelfde zaal van La Photographie Animée par le Cinématographe.
Datzelfde jaar nog draait een cineast van Lumière (Alexandre Promio) de eerste documentaire beelden van Brussel en Antwerpen, met het oog op vertoningen op de Wereldtentoonstelling van Tervuren. Daar had normaal ook een film moeten vertoond geweest zijn over Kongo, maar dat project was mislukt. Men filmde dan maar de zwarten die daar werden “tentoongesteld”. Dat gebeurde in opdracht van de eerste Belgische “producer”, de ondernemer Charles Belot, maar zijn films zijn verloren gegaan.
Het nieuwe medium kende onmiddellijk een groot succes: in 1898 waren er reeds voorstellingen op de Antwerpse Sinksenfoor en een openluchtfestival in Leuven in 1903 trok 20.000 belangstellenden. Een jaar later waren er in Blankenberge 15.000 toeschouwers. De getoonde kortfilms waren enerzijds lachfilmpjes, maar anderzijds reeds “Het leven en de passie van Jezus Christus” en “Willem Tell”. In 1904 werd in Brussel de eerste “concert-bierhuis-bioscoop” opgericht door Louis Van Goitsenhoven. Het Théâtre du Cinématoscope bevond zich op de Noorderlaan, waar zich op dit moment de Marivaux bevindt.
De eersten die in onze contreien op de idee kwamen om met een cinematograaf de kermissen af te dweilen waren de gebroeders Willy en Albert Alberts uit Breda. Zij zaten immers al in de kermisstiel, maar waren niet te beroerd zich bij te scholen in de filmbusiness. Zo is de eerste Nederlandse film van hun hand, “Ongeval van een Frans heertje zonder pantalon te Zandvoort” (1905). Twee jaar later volgde hun eerste Belgische fictiefilm, “Les deux vagabonds à Namur”.
Een andere bekende foorkramer/filmer was Wilhelm Krüger. Hij verloor echter de strijd omdat in 1902 zijn barak volledig uitbrandde (iets wat vaker gebeurde in die beginperiode toen men met erg brandbare pellicule werkte). Hij ontving van de stad Antwerpen 500 frank als compensatie en investeerde deze in de eerste échte Antwerpse cinema, Cinema Krüger, in 1907 op de hoek van De Keyserlei en de Appelmansstraat, waar ooit nog burgemeester Jan Van Rijswijck had gewoond. Krüger was echter ongeletterd en liet zich geregeld in de doeken doen. Toen hij op de fles ging nam de Franse firma Pathé zijn zaal over en herdoopte ze in Ciné Pathé.
In het prille bioscoopmilieu kan men de firma ‘Pathé-Frères’ inderdaad niet onvermeld laten. In België richtte Pathé met Franse en Belgische aandeelhouders de naamloze vennootschap ‘La Belge Cinéma’ op om zowel de distributie als exploitatie van hun films te controleren. ‘La Belge Cinéma’ was vanaf 1908 zowel de verkoper van films en filmapparatuur, als bioscoopexploitant van Pathéfilms in België. Een van haar strategiëen was de uitbouw van een netwerk van zalen, waaraan ze op exclusieve basis films verhuurden. Vanaf 1908 lieten de vertegenwoordigers van deze Belgische onderneming ook diverse theaters niet ongemoeid.
Nochtans ging het ook de variété‑ en revuezalen oorspronkelijk goed voor de wind. Toen daarbij de opgang van de film voor meer afwisseling in de programma’s zorgde, was het publiek volledig voor deze formule gewonnen. Al snel werd de concurrentie onder de zalen groot en deed men al het mogelijke om de gunst van het publiek te winnen en elkaar de loef af te steken met de laatste nieuwigheden. Reeds in 1902 voegde het Café Arabe aan het Antwerpse Astridplein (de latere Kursaal/Savoy) films toe aan de revuespektakels, hierin gevolgd door de danszalen Rubens, gelegen tegenover de latere bioscoopzaal, en Scala (Agneessensstraat). Een Duitse verkoper wilde met dat doel vooral “films voor mannen” in ons land slijten, zoals “Tanz der Salomé” van Oscar Messter.
Een bericht uit “De Nieuwe Gazet” van 6/6/1907 geeft aan hoe populair zowel het medium film als de variététheaters wel waren: “Zondagavond heeft men meer dan 2000 personen moeten weigeren. Reeds tijdens de middagvertoningen waren er geen voldoende plaatsen meer. Zes politieagenten waren nodig om het toestromend volk in toom te houden.”
Zo waren er in juni 1907 in de Antwerpse Scala filmbeelden van de komische zanger Sus Van Aerschot te zien, waarbij het publiek hem synchroon met behulp van een grammofoon op het witte doek kon horen zingen. De producent was de genoemde foorkramer Willem Krüger met zijn Imperial Bio. Krüger zette eveneens de revue, ‘Bruxelles-Scie-Némas’ van Pierre Kok op film, met bekende Belgische acteurs zoals Jeanne Villy, Albert Beauvalle en Fernand Crommelynck. Het publiek vond het een interessant experiment, maar men meende wel dat het daarbij moest blijven, want ze misten het live-effect van de acteurs.
De eerste echte Antwerpse bioscoop was het Théâtre des Variétés aan de Meir (later zaal Roxy, nu de C&A) in 1907. Een zitplaats kostte echter 5 fr. (een staanplaats 0,5 fr.), zodat dit enkel voor de begoede klasse was. Als reactie kwam er in 1908 in de Napelsstraat een cinema voor de dokwerkers. Typisch voor de zeden van die tijd was dat men gratis binnen mocht, maar dat men wel voor tenminste 15 centiemen drank moest verbruiken!
Eind juli 1908 dook ‘La Belge Cinéma’ voor het eerst op in het Gentse Nieuwe Cirkus. Er werd voor de plaatselijke autoriteiten en de pers een gala-avond georganiseerd. Speciale voorstellingen voor plaatselijke verenigingen, prijsverminderingen voor kinderen en steeds nieuwe programma’s zorgden dagelijks voor een gevulde zaal.
In 1909 werd ook het Palais Indien aan de Antwerpse De Keyserlei omgebouwd tot bioscoop door de Franse firma Gaumont. Datzelfde jaar opende de ‘Congo-Cinéma’ haar deuren in Brussel. Belgische cineasten maakten tientallen reportages in de kolonie voor diverse filmexploitanten.
In 1914 richtte de C.A.O. (Centrale voor Arbeiders Opvoeding, van socialistische strekking) een “Kinematografisch Bureel” op, vooral als gevolg van de zware kritiek die Hendrik de Man had op de films waarop de arbeiders verslingerd waren. Naast het artistieke peil moest ook de morele inhoud van de speelfilms in de gaten worden gehouden, vond de Man. Geen films die antisocialistische tendenzen vertoonden of die pornografie, chauvinisme en militarisme aanmoedigden. Ook geen films waarin luxe en rijkdom uitgestald werden als conditio sine qua non voor het geluk of waarin de caritas van de rijke bourgeoisie werd gehuldigd. De Man gaf zelfs de samenstelling van een type-filmavond aan, inclusief de verhouding van de delen (komedie, drama, documentaire…) in aantal meters film. Daarbij was hij wel zo verstandig om het “educatieve” tot de helft van het “ontspannende” te reduceren. Het Bureel was van plan zelf films aan te kopen en te verspreiden, maar door de oorlog is er van die plannen nooit iets terechtgekomen.
In 1917 waren er nochtans wel al 80 filmzalen in Brussel alleen. In de oorlogswinter van 1916-1917 werden er in ons land niet minder dan vijftig miljoen bioscoopticketjes verkocht. Uiteraard meestal voor films van de Duitse bezetter, waarbij vooral Asta Nielsen in films van haar echtgenoot Urban Gad populair was. Als voorbeelden kunnen we “Die Sündes der Väter” en “Die Arme Jenny”, allebei uit 1911, citeren. Nochtans zijn dit tranerige melodrama’s die steevast slecht aflopen. Toch wist zij door haar vertolking o.a. Paul van Ostayen tot een lyrische verafgoding te bewegen.
Langs katholieke zijde werd er in 1918 in Antwerpen een “Vereniging voor Filmopname” gesticht met de bedoeling “De Leeuw van Vlaanderen” te draaien, maar dat is nooit van de grond gekomen. Zo werd uiteindelijk “Leentje van de zee” in 1928 de eerste Vlaamse film.
De oudste filmbeelden van Temse zijn te zien in de Franse stomme speelfilm ‘L’Hirondelle et la Mésange’ (‘De zwaluw en de mees’) uit 1920. De film belicht het leven aan boord van twee binnenschepen met een smokkelgeschiedenis, die uitdraait op moord. Het hele gebeuren speelt zich af op de Schelde, o.m. in Antwerpen, Gent en Temse. Die opnamen hebben (ook) voor Temse een documentaire waarde. De (zwart-wit)beelden zijn bijzonder kwaliteitrijk en tonen o.m. de Scheldebrug (met een overrijdende stoomlocomotief), de kaai, de vismarkt en de vrijdagmarkt met op de achtergrond de kerk en de Boelwerf. De Scheldebrug waarover de locomotief rijdt, is de originele brug uit 1870, ontworpen door Gustave Eiffel (cf. Eiffeltoren). Die brug werd in 1940 door Franse en Belgische genietroepen opgeblazen. Nadat de film in 1987 op de Franse TV was uitgezonden, contacteerde Luc De Ryck (toen nog schepen van de gemeente Temse) het bevoegde productiehuis Pathé in Parijs met de vraag of er nog archiefbeelden van de film bestonden die niet gebruikt waren in de film. Die beelden bleken – helaas – niet meer voorhanden.
Ondertussen had men in België vanaf 1922 reeds veel films gedraaid. De allereerste, “Les opprimés” van Henry-Roussel, zou echter pas met vertraging uitkomen omdat de censuur al meteen ingreep. Deze film over de Spaanse bezetting werd immers als té anti-clericaal en té flamingantisch bevonden. Uiteindelijk zou hij in Frankrijk uitkomen.
Anderzijds draaide de Franse avant-garde regisseur Germaine Dulac hier twee films, “Gossette” en “La souriante Madame Beudet”. Verder waren er nog “Le mouton noir” van De Kempeneer, “Dans Bruges-la-Morte” en “A la manière de Zorro” van Paul Flon, “Le carillon d’amour” van Jacques de Baroncelli en “Coeurs belges” van Aimée Navarra.
In september 1927 ontstond er opnieuw groot ophef omdat katholieke verenigingen erin geslaagd waren om in Wevelgem de vertoning van de film “De naakte vrouw” (naar Georges Bataille) te verbieden. In 1928 richtte Henri Storck in Oostende dan ook de “Club du Cinéma” op (Storck was immers in het Frans opgevoed) om de mensen te laten kennismaken met de films van Sergei Eisenstein, van de Duitse expressionisten, de Franse surrealisten en vooral van de Amerikaanse documentarist Robert Flaherty, die zijn grote voorbeeld zou worden. Datzelfde jaar stichtte Temsenaar Clemens De Landtsheer (1894-1984) Flandria Film, waardoor hij een pionier was van de propagandafilm, vooral met films over de IJzerbedevaart, waar hij in het organisatiecomité zat. Het was ook op die manier dat hij op de idee van het aanwenden van het relatief nieuwe medium film als propagandamiddel was gekomen. Zo draaide hij in 1928 o.m. twee lange films over de IJzerbedevaart, met name “De Bedevaartfilm” en “Met Onze Jongens aan den IJzer”. Tegelijk draait hij echter ook documentaires over de IJsfeesten in Temse of de Ronde van Vlaanderen van 1932. Toch slaagt hij er niet in met zijn films de grote massa te bereiken. De onderneming sterft dan ook een stille dood tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Reeds in 1929 werd de eerste Belgische geluidsfilm gedraaid, “La famille Klepkens” van Gaston Schoukens. Henri Storck, die reeds in zijn kinderjaren filmde wat zich afspeelde op het strand van zijn geboortestad Oostende, deed nog eens hetzelfde in zijn eerste professionele film, “Beelden van Oostende”. Het was voor hem de aanleiding om aan het stadsbestuur voor te stellen vanaf het jaar daarop zogenaamde “filmactualiteiten” te draaien. Hij kreeg 0,75 euro per meter film en draaide in twaalf maanden zo’n drieduizend euro bij elkaar. In 1931 draaide hij zijn eerste fictiefilm, “Strandidylle”, die opzien baarde door zijn sensualiteit.
Daarmee kwam hij dus meteen al in conflict met de in 1930 door de socialisten gestemde wet Vandervelde, die erop gericht was de zedelijkheid te beschermen. Aangezien echter juist de betere films onder de banvloek van de censors bleken te vallen, richtte men datzelfde jaar nog de Socialistische Kinemacentrale op (buiten de C.A.O.) met het voornemen om de programmatie in de socialistische bioscopen tot een hoger niveau op te tillen. Het bleef slechts een vrome wens.
In 1934 scharen de socialisten zich zelfs aan de zijde van de katholieken als die de film “Dames” willen verbieden. Het is een typisch Hollywoodiaans musical-product met veel blote meisjesbenen en dat is er voor beide partijen te veel aan.
Ondertussen had Storck samen met Joris Ivens in 1933 de geëngageerde documentaire “Borinage” gedraaid. De film werd in het westen meestal gedwarsboomd, maar was een groot succes in de Sovjetunie. Ook Luis Bunuel werd er zwaar door beïnvloed. In tegenstelling tot Ivens zou Storck nadien geen geëngageerde films meer draaien, hij legde zich meer toe op kunstfilms, zoals over Delvaux, Rubens en in 1985 zelfs nog over Permeke, zijn laatste film (samen met Patrick Conrad).
De eerste Vlaamse klankfilm was “Meisjes in Vrijheid” van de uitgeweken Duitser Fritz Kramp, enkele maanden later gevolgd door “De Witte”, beide uit 1934. De vertolking van Jefke Bruyninckx kende hierin zo’n succes dat MGM hem een hoofdrol in “David Copperfield” aanbood, maar Jefke weigerde. Dat was niet ongewoon: Fritz Lang had eveneens aan Henri Storck gevraagd samen met hem naar Hollywood te gaan en deze weigerde ook.
De eerste Belgische kunstfilm is “Het kwade oog” uit 1937, de verfilming van Charles Dekeukeleire van “De vertraagde film” van Herman Teirlinck, een huldegedicht aan de handenarbeid en een evocatie van mystiek en bijgeloof. Grappig is wel dat deze film tot stand is gekomen precies in het jaar dat ons land een handelsverdrag tekende met de Verenigde Staten, waarbij deze beloofden hier fabrieken van Ford en General Motors te bouwen op voorwaarde dat de Belgische overheid de eigen filmindustrie niet zou subsidiëren!

Ronny De Schepper

Selectieve bibliografie
CONVENTS Guido, Van kinetoscoop tot café-ciné, Leuven, Universitaire pers, 2000.
M.DORIKENS, Joseph Plateau, leven tussen kunst en wetenschap, met bijdragen van L.Mannoni, G.Pisano‑Basile en D.Robinson, uitgegeven door het Provinciebestuur van Oost‑Vlaanderen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.