Vandaag is het precies 255 jaar geleden dat Antoine François Prévost, beter gekend als abbé Prévost, is overleden. Hij is uiteraard vooral bekend van “l’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut”…

Fils de Liévin Prévost, procureur du roi au bailliage d’Hesdin, Prévost fait des études chez les jésuites de La Flèche et de Rouen, avant de s’engager dans l’armée fin 1711. Après avoir commencé un noviciat chez les jésuites, il s’enfuit en Hollande. En 1717, il commence un second noviciat à La Flèche, puis s’engage à nouveau dans l’armée, cette fois comme officier.
En 1721, il entre chez les bénédictins de l’abbaye de Saint-Wandrille, avant de prononcer ses vœux à l’abbaye de Jumièges et de passer sept ans dans diverses maisons de l’ordre, en Normandie. À l’abbaye de Saint-Germain-des-Prés, en 1727, il travaille à l’ouvrage des bénédictins, “Gallia christiana”. En 1728, il obtient une approbation pour les deux premiers tomes des “Mémoires et aventures d’un homme de qualité qui s’est retiré du monde”. Bien que le personnage principal s’appelle le marquis de Renoncourt, il est évident qu’il est inspiré de la vie de Prévost lui-même.
Ayant quitté son monastère sans autorisation, il est frappé d’une lettre de cachet et s’enfuit à Londres où il acquiert une large connaissance de l’histoire et de la langue anglaises, dont témoigneront ses écrits futurs.
En 1729, une aventure l’oblige à passer en Hollande où il se lie avec une aventurière du nom d’Hélène Eckhardt, dite Lenki, et publie à Utrecht en 1731 et 1732 les tomes I à IV du “Philosophe anglais ou Histoire de monsieur Cleveland, fils naturel de Cromwell”, écrite par lui-même et traduite de l’anglais par l’auteur des “Mémoires d’un homme de qualité”, qui font aussitôt l’objet d’une traduction en anglais. Entre-temps, ayant pris le nom de Prévost « d’Exiles » par allusion à ses propres périples, il se plonge dans la traduction de la “Historia mei temporis” du président de Thou et publie la suite en trois volumes des “Mémoires et aventures d’un homme de qualité” dont le dernier relate “l’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut”, peut-être inspirée d’une de ses propres aventures et que le parlement de Paris condamnera au feu.
59 manon lescautUit het “avis de l’auteur” leren we dat hij het zelf beschouwt als “un traité de morale”: indien men de omstandigheden verandert, is het verhaal instructief voor de lezer. Want die omstandigheden oefenen invloed uit op morele daden: “Les préceptes de la morale sont des principes vagues et généreux”. Met name, “M.Des Grieux est un contraste perpétuel de bons sentiments et d’actions mauvaises… un terrible exemple de la force des passions”. Toch blijft zijn doel: “une lecture agréable qui rends le service au lecteur de l’instruire en l’amusant”.
Het verhaal valt uiteen in twee delen. In het eerste deel vertelt Prévost dat hij enkele jaren geleden Chevalier des Grieux ontmoette, terwijl hij (des Grieux dus) een konvooi van meisjes van lichte zeden volgde, die op het punt stonden naar Amerika te worden verscheept. Eén van hen was zijn geliefde, Manon Lescaut. Hij was ten zeerste bedroefd omdat hij geen geld meer had om de soldaten om te kopen om eens met haar te kunnen praten. Prévost geeft hem daarop een aanzienlijke som.
Twee jaar later zien zij elkaar weer in Calais en des Grieux vertelt nu zijn wedervaren. Toen hij zeventien jaar was en nog totaal onschuldig, ontmoette hij voor het eerst Manon. Zij werd naar een klooster gevoerd “om haar neiging naar het aardse genot tegen te gaan”. Hij ontvoert haar en gedurende enkele weken leven ze samen op een appartemetn in Parijs. Dan wordt hij echter aangehouden en teruggebracht naar zijn vader. Daar verneemt hij dat Manon, wanneer hun geldkist leeg was, een aardige “bijverdienste” had door haar diensten aan te bieden aan Monsieur B. Het is deze persoon die na een drietal weken jaloers was geworden op des Grieux en ervoor gezorgd heeft dat men hem kwam weghalen.
Des Grieux besluit dan, op aanraden van zijn vriend-priester Tiberge, om in het seminarie te gaan. Een jaar later ontdekt Manon echter dat hij daar verblijft en berouwvol keert ze naar hem terug. Nogmaals vluchten ze samen weg en deze keer nemen zijn zich voor een beetje zuiniger te gaan leven in Chaillot, een dorpje in de nabijheid van Parijs.
Alle goede voornemens vallen echter in het water als Manons broer komt opdagen. Om haar niet opnieuw kwijt te spelen, laat des Grieux zich door Lescaut introduceren bij diens vrienden die een flinke stuiver verdienen door vals te spelen. Na één van hun avondjes in Parijs, blijkt hun bezit echter te zijn gestolen door hun knecht en dienstmeid. Des Grieux vist weer achter het net, want Manon is er op aanraden van haar broer vandoor gegaan met de oude Monsieur de G… M…
Wanneer des Grieux dit te weten komt, kan hij haar overhalen daarvan af te zien en zij slaat op de vlucht niet na bij de G… M… een grote som geld te hebben ontvreemd. Deze komt hen echter op het spoor en zorgt ervoor dat ze worden opgepikt door de politie. Zo komt des Grieux terecht in Saint-Lazare en Manon in L’Hôpital. Des Grieux gedraagt zich voorbeeldig en komt in de gunst van de priester die voor zijn bekering instaat. Zo slaagt hij erin in contact te komen met Lescaut, die hem een revolver bezorgt, zodat hij kan ontsnappen.
Twee dagen later begeeeft des Grieux zich naar Monsieur de T…, de zoon van één van de hooggeplaatste personaliteiten die l’Hôpital beheren. Op die manier kan hij Manon weerzien. Haar bediende is bereid haar te helpen ontsnappen, wat ’s anderendaags reeds gebeurt. Ondertussen is Lescaut (de broer dus) gedood in een twist die niets met het verhaal te maken heeft.
Het eerste deel eindigt op een happy end: de priester van Saint-Lazare heeft bekomen dat er geen vervolging zal worden ingesteld tegen des Grieux, Manon wordt verondersteld te zijn gevlucht met haar bediende en Monsieur de T… en Tiberge hebben voor de nodige financiële hulp gezorgd.
Het tweede deel begint als des Grieux twintig jaar is (en Manon dus negentien) en in hun sinds geruime tijd gelukkig leven de zoon van G… M… opdaagt. Deze wordt verliefd op Manon en weet haar te verleiden door aanzienlijke bedragen en bezittingen. Des Grieux wordt ervan op de hoogte gesteld door M. de T. en hij tracht Manon te overhalen ervan af te zien. Zij antwoordt dat het haar enkel om het geld te doen is. Zij zijn van plan de zoon de dupe te maken van de straffen die zijn vader hen heeft aangedaan door er met zijn geld vandoor te gaan.
Op het moment van de afspraak daagt Manon echter niet op. Zij beweert dat zij nog zovele andere bezittingen ook niet kon laten schieten en zij had Monsieur de G… M… kunnen overhalen om des Grieux met een andere maîtresse bij hen te laten inwonen. Des Grieux weigert en zijn staan net op het punt toch hun vroegere plan uit te voeren, als de oude G… M… (uit zijn huis weggelokt door vrienden van des Grieux), op de hoogte gebracht door een lakei, met de politie binnenvalt.
Weer worden ze beiden gevangen gezet. Des Grieux roept de hulp van zijn vader in en deze weet zijn zoon vrij te krijgen, maar hij dringt erop aan dat Manon naar Amerika zou worden verscheept. Wanneer des Grieux dit hoort, verlaat hij het ouderlijk huis en wil met enkele kornuiten het konvooi aanvallen, waarmee het boek is begonnen. Op het kritieke moment laten zijn “vrienden” hem echter in de steek, vandaar dat hij er zich mee vergenoegt om Manon naar Amerika te volgen.
Ze doen zich voor als een gehuwd koppel en zo komt het dat Manon in New Orleans niet wordt weggeschonken aan één van de kolonisten aldaar. Zij leven een tijdje gelukkig en krijgen zelfs enig aanzien tot het moment dat des Grieux besluit ook effectief met Manon in het huwelijk te treden. Hij vraagt de toestemming aan de gouverneur, maar deze heeft een neef, Synnelet, die verliefd is op Manon. Tot hiertoe had hij zijn avances achterwege gelaten omdat hij dacht dat ze getrouwd was, maar nu dat niet zo blijkt te zijn, krijgt hij haar toegewezen vanwege de gouverneur. Des Grieux daagt hem echter uit voor een duel en steekt hem neer. Manon en hij slaan op de vlucht, maar Manon sterft in de onherbergzame streek. (In de opera van Puccini wordt dit altijd in een woestijn gesitueerd, maar hebben we het hier eigenlijk niet over de bayou?)
Des Grieux zelf wordt volkomen uitgeput teruggevonden door de handlangers van de gouverneur en gevangen gezet. Synnelet weet echter zijn vrijheid te verkrijgen. Als Tiberge bovendien arriveert in New Orleans, keren ze samen terug naar Frankrijk. Des Grieux’ vader is overleden en daarom begeeft des Grieux zich terug naar het ouderlijk huis. Hij verklaart aan Prévost dat hij van plan is zijn verdere leven in sereniteit te slijten.
Henri Coulet considère que “Manon Lescaut” n’est pas vraiment un roman mais plutôt une “nouvelle”, un récit court et tragique, à sujet et personnages modernes, d’un épisode marginal d’une action plus importante. Elle est racontée à la première personne par “l’Homme de qualité”, en tant qu’auditeur. Ainsi ce ne sont pas des “mémoires” de des Grieux (mémoires écrites pour se justifier), mais un récit encore plein de passion et de drame. C’est donc le rapport objectif d’un récit subjectif. Les dialogues de l’autre côté sont la plupart dans le style indirect, ce qui les rend moins naturelles et vivaces. Il n’y a pas beaucoup de descriptions (extérieurs ou intérieurs) parce que ça ralentit le récit.
Le récit embrasse six années, de 1725 à 1731 environ. Sauf qu’à la fin (Nouvelle Orléans) le lieu change beaucoup, mais on reste toujours dans les environs de Paris. Les deux personnages principales sont certainement des individus, tandis que les autres sont plutôt des types, ou bien des virtues du noble (l’Homme de Qualité, Monsieur de T…), ou de ses défauts (les deux G… M…, monsieur B…). Remarquable: le clergé est généralement décrit d’une façon positive (Tiberge, le prêtre à Saint-Lazare), bien que le personnage de Synnelet est un peu vague pour l’apprecier complètement: pourquoi sa haine pour des Grieux change soudain en pitié par exemple?
Encore toujours selon Henri Coulet “Manon Lescaut” traite des problèmes antiques de la liberté et de la fatalité, mais en même temps des problèmes chrétiens de la grâce et de la Providence et le problème moderne de la valeur du sentiment. Coulet estime même que le livre se situe dans la tradition du genre picaresque, faisant retomber chaque fois le “héros” dans une situation plus difficile. Moi-même, je ne suis pas d’accord avec cette opinion, parce que des Grieux n’est certainement pas un “héros”, mais pas un “anti-héros”, comme on pourrait classifier le “picaro”.
La fin est très important. Dans le texte original des Grieux devenait prêtre, mais Prévost l’a changée en une tentation de des Grieux de vivre de nouveau “noblesse oblige”. C’est beaucoup plus probable, parce que pour des Grieux le plaisir d’amour a toujours été la valeur suprême. Conclusion de Coulet: “La beauté de ‘Manon Lescaut’ vient de la poésie pénétrante avec laquelle est évoqué le bonheur d’aimer et de l’angoisse, qui l’accompagne.”
Prévost ayant interrompu la composition du “Philosophe anglais”, son éditeur hollandais commissionne un cinquième volume apocryphe (Utrecht, 1734) qui compromet son prétendu auteur par ses attaques contre les jésuites.
En 1733, criblé de dettes, Prévost retourne à Londres où il fonde le “Pour et contre”, journal principalement consacré à la connaissance de la littérature et de la culture anglaises, qu’il continuera à éditer de façon presque ininterrompue jusqu’en 1740. En 1734, il négocie son retour chez les bénédictins et effectue un second noviciat de quelques mois au monastère de La Croix-Saint-Leufroy, près d’Évreux, avant de devenir, début 1736, l’aumônier du prince de Conti, qui le protège. Les trois derniers tomes du Philosophe anglais paraissent enfin clandestinement, à Paris, en 1738-1739.
Il publiera plusieurs autres romans, dont notamment “Le Doyen de Killerine” (1735-1740) et “Histoire d’une Grecque moderne” (1740) ; la monumentale “Histoire générale des voyages” (15 vol., 1746-1759) ; et deux traductions de romans de Samuel Richardson, “Lettres anglaises ou Histoire de miss Clarisse Harlowe” (1751) et “Nouvelles Lettres anglaises ou Histoire du chevalier Grandisson” (1755).
Il passe ses dernières années à Paris et à Saint-Firmin (devenu plus tard Vineuil-Saint-Firmin), à côté de Chantilly, et meurt le 25 novembre 1763 d’une crise d’apoplexie en forêt de Chantilly au retour d’une visite aux bénédictins de Saint-Nicolas-d’Acy.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.