Vandaag is het al veertig jaar geleden dat “la pendule d’argent” op de schouwmantel van Jacques Brel (“qui dit oui, qui dit non, qui dit je t’attends…”) is gestopt met tikken. Dat was in een Frans ziekenhuis, al bracht Brel zijn laatste jaren door op het Markiezen-eiland Hiva Oa samen met Maddly Bamy, een ex-danseres van Claude François. Toch ging zijn volledige erfenis naar zijn vrouw Miche (Thérèse Michielsen), waarbij hij drie dochters had, maar die hij ook vaak achterliet om op te trekken met minnaressen. Waarom is de familie Brel dan zo gebeten op Bamy? France Brel: “Omdat ze de code heeft doorbroken. Kijk, mijn ouders hadden een gentleman’s agreement. Ze mochten minnaars en minnaressen hebben, maar in alle discretie. Maddly heeft zich daar niet aan gehouden. Ze is naar voren getreden als Jacques’ vriendin. Mijn vader was toen al te fel verzwakt door de kanker om er tegenin te gaan. (…) Die Bamy vertelt nu overal dat ze de vrouw was bij wie Jacques het langst bleef. Dat is niet waar. Hij is tien jaar bij ene Sylvie geweest. Zij was zijn grootste verliefdheid.”

Maar ook Sylvie kan dus op haar kin kloppen. Alhoewel het niet op déze opmerking is dat France daarop repliceert in Het Nieuwsblad, bevat haar antwoord – tevens de aanleiding tot de titel van het interview (*) – misschien toch een verklaring: “Mijn vader staat bekend als een ongelooflijke non-conformist maar als hij eens thuis in Brussel was, wilde hij wel dat zijn strenge regels werden nageleefd. Als er bezoek kwam, dan mochten zijn dochters nooit een lange broek dragen. Zolang er gasten waren, moesten we een jurk of een rok dragen.”
Idem over haar vriendjes: “Hij doorzag ze meteen. Als we samen waren in zijn nabijheid, zei hij niets. Maar toen het vriendje naar huis was, kon Jacques vaak fijntjes opmerken: die gast is meer geïnteresseerd in mijn bankrekening dan in jou. Dat zei hij niét over de regie-assistent van zijn film Le Far West. Met die man ben ik getrouwd en heb ik twee kinderen.”
BALLET VAN VLAANDEREN
Jacques Brel zal dus dit jaar wel evenzeer in de belangstelling staan, als dat vijftien jaar geleden het geval was naar aanleiding van de twintigste verjaardag van zijn overlijden. Het begon met de musicalafdeling van het Ballet van Vlaanderen die het programma “Brel Blues” bracht. Op 24 april ging een andere, op Brel geïnspireerde productie in première: “Anonymous Society”. Al doet de titel niet meteen aan de chansonnier denken, de voorstelling met muziek, theater en dans, staat helemaal in het teken van Brel. Opmerkelijk aan “Anonymous Society” was de erg aparte locatie waar de voorstellingen plaatsvonden: de oude Boelwerf in Temse.
De cast bestond uit vijf zangers, drie dansers en vijf musici. Elke artiest speelt zijn of haar rol in een anonieme maatschappij waar sommige karakters meer macht hebben dan andere, maar waar de tegenstelling van arm en goed tegenover rijk en slecht, niet meer relevant is, aldus de merkwaardige perstekst. Indien goed en slecht bestaan, zo gaat men verder, dan moeten wij aannemen dat mensen zich vrij tussen de twee kunnen bewegen, afhankelijk van het standpunt dat zij innemen.
Regisseur was Andrew Wale, een Engelse zanger en acteur, die zich de laatste jaren meer en meer toelegt op regisseren. De bekendste Belgische artiesten uit de cast waren zangeres Mich van Hautem en bassist Bert Embrechts, rockers dus, wat een beetje vreemd was, want zoals Brels accordeonist Marcel Azzola verklaarde in Humo van 11/3/2003: “Brel heeft zich nooit laten meeslepen door de tijdgeest. Ook muzikaal niet. Hij luisterde eigenlijk alleen naar klassieke muziek, Chopin, Debussy, Ravel. Chanson en jazz interesseerden hem nauwelijks, rock’n’roll deed hem niets.”
HET ZUIDEN VAN EUROPA
Naar aanleiding van de 30ste verjaardag van het overlijden van Jacques Brel, brachten 38 kunstenaars uit het Gentse van 3 oktober t/m 2 november in weekendcafé ’t Zuiden van Europa, Vrijdagmarkt 30, dan weer een hommage aan de zanger. Bijna alle disciplines van de beeldende kunsten komen aan bod, waardoor de tentoonstelling wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid. Daarbij kwam de Engelse “one man band” Steve Shorrock, die in Parijs Frans leerde dankzij de liedjes van Brel, optreden. En er was ook een jazzconcert aan met Philippe de Chaffoy (viool), Dajo De Cauter (bas), André Donni (klarinet) en Willy Donni (gitaar). Uiteraard stonden die avond ook enkele nummers van Brel op het programma. En op de slotavond werden liedjes van Brel gezongen door iedereen die zich geroepen voelde. Die avond werd georganiseerd in samenwerking met zanglerares Christine Termonia.
Of iemand “Les flamingants” heeft gezongen, weet ik niet (want ik was er niet bij), maar het zou me toch sterk verwonderen. Dat nummer heeft destijds immers heel wat ophef veroorzaakt. Zelf schreef ik ter gelegenheid van de dood van Jacques Brel: “Nù hoor je natuurlijk van alle kanten “dat er toch wel veel waars stak in dat lied”, maar daarop wil ik me niet beroepen. Ik beroep me alleen op Jackie, Amsterdam, Bruxelles, Mathilde, Marieke, Le Plat Pays, Rosa, Jef, Les vieux amants, Les vieux, Le moribond, Madeleine, Ne me quitte pas enz. enz. Op basis van zijn overige oeuvre kon Jacques Brel zich honderd “Flamingants” permitteren!!!”
Ik vind nu wel dat ik toen, wellicht omwille van het rouwproces, iets te snel de spons heb geveegd over “Les Flamingants”. Laat ik een grote Brel-fan aan het woord, Johan Verminnen, die precies uitlegt hoe ik er zelf ook over denk: “Ik hou natuurlijk enorm veel van Jacques Brel maar zeker niet van dat nummer. Het is trouwens niet eens originele muziek. Eigenlijk is het van een Braziliaan, die Brel overigens de rechten ervoor geweigerd heeft en nu is dat in proces, geloof ik. En dan de tekst… Kijk, ik zou het zo willen stellen: ik ben geboren in 1951, als men mij dan beschuldigt omdat ik Vlaming ben, dat ik een collaborateur ben, wel dan denk ik dat men hier erg fout zit. En als men over collaboratie spreekt, waarom dan niet over de honderdduizend Fransen die collaboreerden of Walen of Nederlanders of noem maar op? Indien hij trouwens een dergelijk nummer over de Bretoenen, de Basken of de Frans-Canadezen zou hebben gemaakt, zou de reactie wellicht veel heviger zijn geweest. Ik vind het echter wel spijtig dat de reactie in Vlaanderen bijna uitsluitend uit de rechtse hoek komt. Die zoeken dan hun heil in censuur of zo en dat is helemààl verkeerd. Iedereen heeft het recht te zeggen wat hij wenst te zeggen, ook al is het fout. En dan heb je van die mensen die nu het hele oeuvre van Brel in vraag stellen omwille van dit ene lied, terwijl deze man een repertoire heeft opgebouwd waar ik in geen duizend jaar aan toe ben.”
THEATER ARENA
Op zaterdag 11 november 1978, precies een jaar na het uitbrengen van zijn laatste (?) elpee, ging in Theater Arena (in de Ooievaarstraat in Gent) het “stuk” Brel – een reconstructie in première. Na afloop had ik een uitvoerig gesprek met de auteur Walter Ertvelt, de regisseur Jaak Van de Velde en de drie “acteurs”, Marijn Devalck, Carmen Jonckheere en Wim Huys. Vooraleer een beknopte weergave ervan te brengen, moet ik toch even zeker stellen dat deze productie reeds geruimte tijd voorzien was en dus niks te maken heeft met het plotse overlijden van Jacques Brel vorige maand.
– Bij het bekijken van het stuk zijn me twee zaken opgevallen. Wat jou betreft, Walter, maakte ik mij de bedenking dat je een soort van verzamelelpee had samengesteld met hoesteksten die je dan voor de gelegenheid liet debiteren. Wat de regie betreft, viel het mij dan tegen dat het magere stramien dat er dan al was, te weinig dramatisch benut werd, op een paar uitzonderingen na (“De nuttelozen van de nacht” en “Jef”).
Walter Ertvelt:
Eerst even duidelijk stellen: ik ben op de eerste plaats een platenman. Bovendien hebben we gekapt in de biografische informatie omdat sinds de dood van Brel er genoeg gegevens verschenen zijn in allerlei kranten. We hebben ook voor een soort soberheidsnorm gekozen. Ik voel me verder niet geroepen om een soort karakteriologische studie te gaan maken van de heer Brel, want daarvoor ken ik hem te weinig. Ik vind trouwens dat dit voldoende uit het repertoire spreekt.
Jaak Van de Velde: Ik vind dat Brel gewoon ontkracht wordt als je daar anekdotes gaat rond plaatsen, als je dus realistische kostumes e.d. zou aanwenden. Oorspronkelijk waren we vertrokken van het idee dat er ook choreografie zou inzitten, maar na vier weken is gebleken dat dit visueel niet haalbaar was.
– Eigenlijk ga ik met jullie beiden akkoord, de vraag is dan echter, Walter, waarom begin je aan zoiets?
Walter Ertvelt:
Ik vind chanson verschrikkelijk “des theaters” en Brel was Chanson-met-hoofdletter. Verder ben ik vertrokken vanuit een soort van passie voor het repertoire en voor de figuur.
– Het sociale aspect wordt opvallend verwaarloosd. Ik denk aan het feit dat de Brel-kartonfabriek een zeer paternalistisch bedrijf is, waar de arbeiders jaarlijks nog naar de mis moeten om de overleden bazen te gedenken, enz.
Walter Ertvelt:
Dat is omdat Jacques daar niks mee te maken had. In een nummer uit 1953, dat nu niet in deze montage voorkomt, “Oma”, zet hij zich bijvoorbeeld duidelijk af tegen dat gedoe.
– Goed, ik verwijt dit ook niet aan Brel, ik bedoel precies dat het niet in het stuk voorkomt.
Walter Ertvelt:
Ik vind de andere chansons op zich rebellerend genoeg.
– Je had vier thema’s voorop gesteld: Vlaanderen, de burgerij, liefde en dood. Dit zijn nu juist vier gegevens waartegenover Brel een soort haat-liefde-verhouding had. Heeft dat bijgedragen tot het zeer sobere, zwart-wit decor? Met andere woorden, drukt dit de tegenstelling, de dialektiek uit of is het eerder om praktische redenen?
Jaak Van de Velde:
Gevoelsmatig misschien wel, maar niet beredeneerd. Anderzijds zijn er inderdaad ook praktische bezwaren. Over een paar dagen hebben we alweer een première (“The Fantasticks”), daarmee moeten we toch rekening houden. We zijn nog niet het NTG, we werken niet met zestig man. En ik zal het ook niet onder stoelen of banken steken dat het feit dat wij de ochtend dat we met de repetities zouden starten, het overlijden van Brel hebben vernomen, daar wellicht wel een rol heeft in gespeeld. Dat we het werk dus met een zekere eerbied hebben benaderd.
– Wim Huys en Carmen Jonckheere, jullie zijn op de eerste plaats acteur. Vinden jullie dan dat je als zodanig genoeg aan bod bent gekomen in een dergelijke productie, die eigenlijk een aaneenschakeling is van chansons?
Wim Huys:
Ik wel. Je moet het zo zien: de nummers van Brel zijn volledig te acteren chansons. Als acteur is het dus zeer interessant om ze te doen. Men kan niet proberen van Brel te evenaren, maar je kan er wel een eigen interpretatie aan geven.
– Heb je bij die interpretatie van de nummers een druk van de regisseur gevoeld?
Carmen Jonckheere
: Neen, geenszins, de regisseur heeft ons helemaal vrijgelaten.
– Er zijn slechts twee nummers die in het Frans worden gezongen en die worden allebei toebedeeld aan Marijn Devalck. Is dat nog een overblijfsel van Marino Falco?
Marijn Devalck:
Neen. Voor “Les F…” is wel een vertaling gemaakt, maar ik heb geweigerd dit nummer in het Nederlands te zingen, omdat ik mij zo gekwetst voelde door die tekst. Ik heb willen afstand nemen van dat nummer en heb het dan ook zonder veel omhaal gezongen. Ik wil dat nummer hoegenaamd niet naar het publiek toe zingen, omdat ik er niet achter sta.
Ook van “Marieke” bestaat een vertaling, maar die is zo ellendig dat ik de voorkeur heb gegeven aan het Nederlands-Franse origineel. Overigens hoop ik dat Brel op dat moment gemeend heeft wat hij zong, al beschouw ik hem als een bekakte Brusselaar, die misschien wel ergens van Vlaanderen gehouden heeft.
– Er is één nummer dat men aan Brel zelf heeft overgelaten: “Les bourgeois”….
Marijn Devalck:
Ja, en nochtans als er één nummer was dat ik graag zou hebben gezongen, dan zou het “Les bourgeois” geweest zijn. Ik treed immers Brel bij als het gaat om kritiek op de burgerij.
DE REGENWEGEN VAN BREL
Met « De regenwegen van Brel » (28-12-81) heeft de BRT (in samenwerking met de KRO) overigens een van haar betere ontspanningsprogramma’s verwezenlijkt. Het tegendeel waren ergerlijk geweest wanneer men hoorde hoe lang er aan gewerkt werd en hoeveel geld men er tegenaan smeet. Er werd getracht Brel menselijk en artistiek te benaderen. De uitzending steeg aldus wel een eind boven de brave kronologische biografie uit. Maar echt uitzonderlijk vonden wij het programma toch ook weer niet. Het was nogal verward en verwarrend. En het wegvallen van sommigen aangekondigde artiesten zal wel het gevolg zijn geweest van innerlijke tegenstrijdigheden onder de makers. Maar kom, kankeren wij er niet verder over. Er komen al te weinig zinnige uitzendingen over de show-wereld op de buis opdat wij deze ene uitzondering nog zouden kraken…
FREDERIC ROSSIF
« Brel is zeker Beethoven niet, en ook niet Goethe, maar ik zou het fijn vinden te weten dat wat ik doe op mijn terrein even goed is als wat hij doet op het zijne. Striptekenen mag dan al geen kunst zijn, binnen het domein van de ontspanningsmedia schat ik het vrij hoog, even hoog als chansons ». Aan het woord is Charles « Snoopy » Schulz, duidelijk een serener man dan platenhandelaar Jo Van Eetvelde die met Vlaamse fierheid verklaart : « Ik verkoop liever en beter Vader Abraham en zijn smurfen dan Meneer Brel ».
Deze laatste uitspraak was n.a.v. het scheldlied op « Les Flamingants » en merkwaardig genoeg schaarde de r.v. zich toen aan de zijde van de Vlaams-nationalisten die de banvloek over Brel uitkreetten. (**)
Er waren trouwens precedenten. In 1959 had de toenmalige r.v.-redactie zich ook al aan de kant van de kansel geschaard toen die « Les Flamandes » verketterde. De auteur van het betreffende artikel zat tijdens de persvisie van de collagefilm die Frédéric Rossif over de grootste Belgische zanger aller tijden maakte naast me en was nu, 23 jaar later, even ontroerd bij het zien van de gedrevenheid, de bezetenheid, de ernst en de humor waarmee Brel z’n chansons de zaal inslingerde. « Het is ‘m vergeven », zuchtte hij, en ik vergaf op mijn beurt. (***)
Zijn we ook even vergevensgezind tegenover de maker van dit portret, Frédéric Rossif ? Jawel. Wat kan er een mooiere hulde zijn aan het talent van Brel dan een collage van zijn optredens ? Brel vergt geen commentaar. Zijn teksten, zijn présence spreken voor zichzelf. Er zijn een paar noodgedwongen bindteksten, waarvoor Rossif terecht een beroep heeft gedaan op de Franse zanger Julien Clerc. Ook al is die immers nog niet half zo scherp als Brel, hij is toch een van zijn zovele erfgenamen.
Rossif voegt er af en toe stemmingsbeelden aan toe van het Vlaanderen uit de tijd dat ze Brel nog « Jackie » noemden, zoals hijzelf in één van zijn meesterwerken zingt. Hiervoor deed hij o.a. een ferme greep uit het filmwerk van een andere grote landgenoot, Henri Storck. Zijn eigen camerawerk (in zwart-wit want de documenten zijn natuurlijk ook in zwart-wit) sluit er qua sfeer goed bij aan maar maakt toch een beetje te veel gebruik van stereotiepen als weerkaatsingen in het water of in vensterramen en van versleten technieken als versnelde film. Ook kan Rossif het niet laten om een parallel te trekken met zijn geliefde onderwerp, de dierenwereld.
Maar een Brel-fan neemt deze spielereitjes er graag bij, de stem van Brel is immers bijna nooit van de klankband en die stem raakt je over de dood heen nog steeds tot in het merg. Kortom, allen daarheen en vergeet niet « d’apporter des bonbons… » (****)
Wendy Leyn uit Zandvoorde wilde op 23 februari 2018 nog eens beklemtonen dat ik ook aandacht moest besteden aan het “niet gelovig zijn” en “atheïst zijn” van Jacques Brel. “Anders vloeken jullie in de vrijzinnige kerk…” aldus Wendy die er ook nog deze verwijzing https://www.hln.be/regio/zonnebeke/zandvoorde-brengt-hommage-met-brelmomenten~a02741e8/ aan toevoegt.

Referenties
Ronny De Schepper, De tijd dat ze me Jackie noemden, De Rode Vaan nr.45 van 1982
Brel, een film van Frédéric Rossif, Frankrijk, 1982, zwart-wit, Ciné Vog Films.

(*) Paul Demeyer, “We mochten geen lange broek dragen”, Het Nieuwsblad, 22 maart 2003.
(**) Ik mag dan wel schrijven dat ik dat “merkwaardig” vond, maar als ik me niet vergis, was ikzelf wel de oorspronkelijke auteur. En om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken, “verketter” ik op de dag van vandaag “Les F…” (want zo heet het echt, iedereen noemt het “Les Flamingants”, maar het kan net zo goed “Les Flamands” zijn) opnieuw. De reden is simpel: men moet proberen de “artiest” Jacques Brel van de mens te scheiden.
(***) Wie mag dat wel geweest zijn? Maarten Thijs of Vic Van Saarloos komen natuurlijk het meest in aanmerking, maar ik kan me niet herinneren dat ik die ooit op een persvisie heb teruggezien. Gerard Van Moerkerke had daar eigenlijk ook niets te zoeken, maar die kan meegekomen zijn met zijn vriendin Hilde Van Gaelen (van de Gazet van Antwerpen).
(****) Aan de remake van “Les bonbons” in het licht van de gebeurtenissen van ’68 erger ik me nog méér dan aan “Les F…” Maar het origineel is wél schitterend.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.