Maarten Thijs

“In afwachting van iedereen te tonen dat ze niet zomaar het eerste het beste kleine meisje was, speelde ze als alle kleine meisjes met haar poppen, droomde van succes en applaus en pronkte voorlopig met het beroep van haar vader. Het woord ‘journalist’ ontlokte bij meningeen bewonderende blikken, die omsloegen in verschrikking als ze bij de volgende onvermijdelijke vraag ‘Rode Vaan’ of ‘Drapeau Rouge’ antwoordde. Eerlijk duurt dan wel het langst had ze op zedenleer geleerd, maar soms was liegen leuker en ‘Laatste Nieuws’ of ‘Le Soir’ maakte een veel gunstigere indruk, ‘haha, zozo’, zodat Lena regelmatig het fijne gevoel smaakte om dankzij een leugentje voor vol genomen te worden omwille van een vader, van wie ze had gewild dat hij zijn beroep elders zou hebben uitgevoerd”.
Aldus Dolores Thijs in “Drüben is het gras groener” (Antwerpen/Amsterdam, Manteau, p.23). Deze romancière is inderdaad de dochter van Maarten Thijs (in het boek Marc genoemd) en de hoofdbrok van het boek (p.29-133) wordt gevormd door het verblijf in Oost-Berlijn, waar Maarten te werk was gesteld als correspondent voor De Rode Vaan, betaald door “Neues Deutschland”. Als wij Maarten zelf aan het woord laten, gaat hij veel verder terug, naar het allerprilste begin en dat is ook bij hem de oorlogsperiode.

Maarten Thijs: Onder de oorlog was ik in het verzet geweest in Hoboken. Dat bestond onder meer in het verspreiden van allerlei sluikbladen die op dat moment voorhanden waren. Later ben ik dan overgegaan naar de Communistische Partij. Op een zeker ogenblik was er en betoging “Demany au pouvoir” in Brussel, waar ik een paar mensen uit Antwerpen ontmoette die op dat ogenblik op de Rode Vaan werkten. Die vroegen onmiddellijk mijn medewerking en daar ik altijd al journalist had willen worden, lag het voor de hand dat ik daarop gretig inging.
– Had u dan een opleiding genoten die in die lijn lag?
Maarten Thijs
: Ik had de kweekschool voor onderwijzers gelopen in Dordrecht.
– Bent u dan van Nederlandse afkomst?
Maarten Thijs
: Dat wil zeggen, mijn moeder was Nederlandse. Mijn vader was daar tijdens de Eerste Wereldoorlog geïnterneerd en ik ben daar dan in 1917 geboren.
– Een voorbestemd jaar. Maar terug naar die betoging…
Maarten Thijs
: Enkele dagen later, op 1 december 1944, ben ik begonnen op de Rode Vaan, na een gesprek met Lalmand. Mijn opvattingen stonden hem overigens helemaal niet aan. Hij vond dat ik meer existentialist dan communist was. Nu, van het begin af aan heb ik er nooit iets voor gevoeld om een functie op te nemen in het partijapparaat. Het was mij puur om de journalistiek te doen. Vanuit een communistisch oogpunt, dat wel, want ik had tijdens de oorlog al wat gelezen van Marx en Lenin en zo en ik stelde me voor dat ik een perfecte communist was. In het begin schreef ik over alle mogelijke onderwerpen, maar vooral over economische problemen en over de collaboratie. Kort daarna kwam Maurits Roggeman bij het blad voor de lay-out en ook om tekeningen te maken, samen met Louis Paul Boon.
FRACTIEVORMING?
Maarten Thijs: In februari 1947 werden die Antwerpse redacteurs waarvan sprake – Van der Taelen en Verdonck – weggestuurd omdat ze fractie zouden hebben gevormd. Daarvan werd ik ook verdacht, maar in de controlecommissie stond Julien Lahaut in voor mijn onschuld. En dat was juist ook. Ze hadden me ooit wel eens gezegd dat een zeker iemand, waarvan ik de naam niet zal noemen, beter geschikt zou zijn om secretaris-generaal van de partij te worden. Maar bij mij ging dat het ene oor in en het andere weer uit. Toch vlogen enige tijd later ook wij met z’n vieren buiten: Maurits Roggeman, Louis Paul Boon, Rosa Michaut en ik. Het is echter mogelijk dat, zoals anderen beweren, dit louter omwille van financiële moeilijkheden gebeurde…
Ik was evenwel niet lang werkloos want Aloïs Gerlo was toen hoofdredacteur van “Front”, het blad van het Onafhankelijkheidsfront, en die vroeg mij onmiddellijk om naar daar te komen. Daar ben ik dan geweest tot in 1953, toen Raymond De Smet mij vroeg om terug naar de Rode Vaan te komen. Dat heb ik gedaan, er evenwel op drukkend, dat het mij niet om de politiek te doen was, maar om het schrijven, vooral dan van reportages. Al heb ik toen ook de leiding van de cultuurrubriek op mij genomen.
HONGARIJE
Maarten Thijs: In 1956 werd dan de vraag gesteld wie er als correspondent naar de DDR wilde. Behalve ikzelf was niemand enthousiast, dus dat werd een gemakkelijke beslissing. In de DDR werden we ruimschoots in de gelegenheid gesteld om vanalles te gaan bekijken, zowel op cultureel als op sociaal en politiek vlak. Dat was dus een verrijkende ervaring. Maar zoals je aan de datum kunt merken, was ik nog maar pas in Berlijn of de Hongaarse crisis barstte los. Oorspronkelijk wilde men ons vanuit de DDR niet naar ginds laten gaan, maar op aandringen vooral van Raymond De Smet ben ik daar uiteindelijk toch gearriveerd. Zelfs toen hoorden we vooral ’s nachts nog veel schieten in de bergen.
We werden elke dag door Kadar ontvangen, die onder het Rakosi-bewind in de gevangenis had gezeten waar men zijn nagels had uitgetrokken en hem dermate slecht voedsel gegeven dat hij er een chronische diarree aan overgehouden had. Dat was natuurlijk berichtgeving uit de eerste hand en het heeft me altijd wel wat verwonderd dat, buiten natuurlijk de Rode Vaan, geen enkel blad op die berichten heeft gereageerd. Dat is het soort frustraties dat je oploopt als communistisch journalist, hé, je breekt niet door tot de andere pers.
In oktober 1959 ben ik dan terug naar België gekomen en toen bestond nog altijd die tendens om ook de journalisten aan te zetten om deel te nemen aan partijwerk. Maar in vele gevallen was dat niet te verenigen met het journalistieke werk, want per slot van rekening zaten we op de redactie niet met te veel mensen. Ik herinner me niet precies hoeveel. Dat zal tussen de vijf en de tien geweest zijn, maar dichter bij de vijf dan bij de tien. Ondertussen waren wij op 1 januari 1958 weliswaar een weekblad geworden, maar toch waren werkdagen van veertien uur tamelijk normaal.
VERBITTERING
Maarten Thijs: In 1968 ben ik, in navolging van Gerard Van Moerkerke eigenlijk, naar Belga overgestapt. Een belangrijke factor hierbij was de materiële toestand van het gezin, maar verder speelde ook mee dat ik nogal dikwijls onenigheden had over de Vlaamse kwestie. Met name met Louis Van Geyt onder anderen. Ik was namelijk van oordeel dat men in Brussel beter eentalige partijafdelingen zou oprichten over de verschillende gemeenten heen in plaats van afdelingen die strikt plaatsgebonden waren en vandaar ook tweetalig. Of beter gezegd: een toestand waarbij de Vlamingen met hun mond vol tanden zaten bij debatten die uitsluitend in het Frans werden gevoerd. Dat heeft men bij de partijleiding nooit begrepen en dat verbitterde mij wat. Toch deed ik nog een bepaald partijwerk, namelijk in Vilvoorde samen met Laurent Van Borm de Rode Vaan aan de man brengen. Dat was een grandioze tijd, want in alle cafés werden we goed ontvangen…
Een andere wrevel was dat men in de partij nog steeds niet wilde beseffen dat de journalistiek een belangrijke sector was in het partijleven, die min of meer autonoom moest optreden en niet zo maar mocht worden gelijkgeschakeld met de rest van de partij. Ik vond het verkeerd dat journalisten geen bijzonder statuut hadden.
En dan was er ook nog het Russisch-Chinese conflict, waarbij ik niet begreep waarom al die partijen in West-Europa zich onmiddellijk tegen China keerden. Nu denk ik daar enigszins anders over, maar in die tijd vond ik het toch wel wat hard van stapel lopen.
In 1972 kwam er dan bij Belga een plaats vrij in Antwerpen en dan heb ik me weer aangeboden, ook omdat mijn vrouw toen al erg ziek was geworden en ik in Brussel uiteraard van niemand hulp had. In Antwerpen daarentegen woonde mijn familie en bovendien had ik het geluk een woning te vinden dichtbij het Middelheim-ziekenhuis.
DE CULTUURREDACTIE
– Tussen twee historische data (1944 en 1968) en over verschillende belangrijke culturele stromingen heen (de vijftigers, de zestigers) heeft u dus de culturele lijn van het blad helpen bepalen…
Maarten Thijs
: Ja, en ik moet zeggen dat ik zeer blij ben dat ik nu moet vaststellen dat er op de huidige redactie (in 1981 dus, RDS) verscheidene mensen zijn die voortwerken in de geest waarin ik het zelf ook altijd gewild zou hebben. Maar dat was in onze tijd, zoals Gerard Van Moerkerke ook al heeft gezegd, niet mogelijk. (Herhaalt met nadruk:) Dat was niet mogelijk. Hoewel er op cultureel gebied wel wat meer “mogelijk” was dan op zuiver politiek gebied…
– Waarmee u een allusie maakt op de strip “Proleetje en Fantast”?
Maarten Thijs
: Jaja, daar is een prachtige anekdote aan verbonden. Eén van de zaken die de partijleiding ons heeft kwalijk genomen, was dat op een zeker moment Maurits Roggeman vooral Louis Paul Boon heeft meegesleept in een tamelijk ondeugend avontuurtje. Ik bedoel daarmee dat ze het hebben aangedurfd de toenmalige hoofdredacteur die na Bert Van Hoorick is gekomen en wiens naam ik niet zal noemen omdat insiders toch wel weten wie ik bedoel (*), af te schilderen als Kapitein Eenoog (lacht smakelijk). En wie goed tussen de lijnen kan lezen, zal ook nog wel andere dingen ontdekken in dit stripverhaal die als een verholen kritiek op de partij bedoeld waren.

Referentie
Ronny De Schepper, “Cultuurrubriek werkt nog steeds in de geest van toen”, De Rode Vaan nr.13 van 1981

(*) Ik behoor helaas niet tot die insiders, maar ik gok dat het hier om Bob Dubois gaat (zie ook het hoofdstuk over De Rode Vaan bij Louis Paul Boon).

12 maarten thys

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s