Arthur Valentijn Japin (Haarlem, 26 juli 1956) is een Nederlandse acteur en schrijver, die voor zijn roman Een schitterend gebrek over Lucia, de eerste geliefde van Giacomo Casanova, in 2004 de Libris Literatuur Prijs ontving. Zijn romans en verhalen hebben veelal een autobiografische of historische kern.

Japin werd in zijn kindertijd gepest en zowel geestelijk als lichamelijk mishandeld, waardoor hij zich in een isolement bevond. Bovendien pleegde zijn vader, een toneelrecensent, zelfmoord toen Japin dertien jaar was. Het pesten ging door tot hij zestien werd. Het scheppen van een fantasiewereld, de vlucht uit de realiteit, was een middel om te overleven.
Japin vertrok na het gymnasium naar Londen, om een opleiding te volgen aan een toneelschool, The School of Dramatic Arts. Terug in Amsterdam studeerde hij twee jaar Nederlandse taal- en letterkunde en stapte vervolgens over naar de Kleinkunstacademie. In 1982 studeerde hij hier af.
Hij speelde rollen voor radio, film en televisie (bijvoorbeeld enkele bijrollen in de film Flodder en de televisieseries Goede tijden, slechte tijden en Onderweg naar morgen) en op het toneel bij onder andere Toneelgroep Centrum en de Theaterunie. Verder zong hij in een kleine rol bij de Nederlandse Opera.
In 1987 stopte Arthur Japin met acteren en begon te schrijven. In 1996 debuteerde hij met Magonische Verhalen, dat – evenals zijn latere boeken – werd uitgegeven bij De Arbeiderspers. Toen Arthur een jaar of zes was, vertelde zijn vader over Magonia. In de Middeleeuwen stond dat voor een denkbeeldig land, waarin wolkenridders zoeken naar een andere werkelijkheid. De verhalen die zijn vader vroeger aan hem vertelde, vertelt Japin nu opnieuw.
DE ZWARTE MET HET WITTE HART
In 1997 volgde — als resultaat van 10 jaar onderzoek — De zwarte met het witte hart. In zijn ‘Dagboek’ (mei 2006) noteerde Japin: “Een Franse recensent concludeert dat ik een ‘détecteur d’âmes’ ben. ‘Détecteur d’âmes’, dat wil ik in mijn paspoort of nog beter, op mijn grafsteen. Een ontdekker van zielen te zijn, zo voelt het precies, van de allereerste glimp die je opvangt van een historisch personage die iets ongelooflijks heeft meegemaakt en het naspeuren van de feiten en emoties van dat leven, tot de reconstructie daarvan door middel van het je in een ander inleven.” En dat is wat hij uitzonderlijk sterk, meevoelend, deed in zijn eerste roman ‘De zwarte met het witte hart’ (1997), die hem lanceerde in de Nederlandse maar ook in de wereldliteratuur gezien de talloze vertalingen.
Midden jaren 80 vertelde een vriend hem het verhaal van twee Ghanese prinsjes van 10 jaar die ‘als onderpand’ of ‘om zich te bekwamen in de westerse kennis’ naar Nederland werden gehaald. Het ging om de troonopvolger Kwame en zijn boezemvriendje en neefje Kwasi. Na een bewogen tocht door het oerwoud, een verblijf in het vervallen slavenfort Elmina (slavenhandel was officieel verboden toen), de reis overzee, komen ze gedurende twee jaren terecht in een kosthuis in Delft. Inmiddels hebben we veel geleerd over de gebruiken, de religie, de zeden van het volk van de kinderen, de Ashanti en hun stad Kumasi. Niet toevallig: gedurende tien jaren deed Japin opzoekingswerk in Ghana, Weimar en uiteraard in alle archieven in Nederland. Zijn boek is dan ook uiterst gedocumenteerd. Maar uiteraard diende hij voor iets dat zich afspeelde in 1837 en later, ook fictie toe te voegen. Evenwel, de kracht van de roman berust onder meer op het feit dat hij door de inleving in zijn personen de fictie tot waarheid ombuigt. Bizar wordt het wanneer bepaalde fictieve feiten door hem toegevoegd als dramatisch accent, achteraf (na publicatie) blijken waar gebeurd te zijn en pas dan als bij toeval aan het licht komen (zelfmoord van een soldaat; frenologisch onderzoek van de jongens).
Gedocumenteerd maar ook zeer verscheiden in opbouw en structuur… De roman is in wezen één grote vertelling van de bejaarde Kwasi die inmiddels als planter reeds vijftig jaren op Java woont en daarom gevierd zal worden. Hij schrijft zijn herinneringen. Maar verder zijn er verslagen van de reis, officiële documenten, brieven…
Onder de eerste confrontatie met racisme in het kosthuis, door enkele jongens, waartegen anderen en ook het opvoederechtpaar zich verzetten, lijdt vooral Kwami. Daar reeds tekent zich de tegenstelling af tussen de jongens, of hoe zij zich zullen blijven opstellen tegenover het probleem en het gedrag van de blanken. Kwasi leert zich in eerste instantie verdedigen, desnoods met geweld; Kwami ondergaat lijdzaam maar zijn geest blijft veel meer onverzettelijk. Zodat uiteindelijk, na jaren, Kwasi zich regaliseert, en Kwami zich profileert. Het andere grote verschil is de interesse, Kwami wordt vooral geboeid door talen, Kwasi door de wetenschappen zodat hij tenslotte mijnbouwkundig ingenieur wordt. Ook tegenover de taal is hun houding anders: Kwami wil de taal ‘weten, kennen’, Kwasi wil haar bedwingen in het eerste leerproces. “Het leven van de Ashanti speelt zich op straat af. Hun hut heeft geen ramen. Wanneer hun ziel hen benart, stormen ze naar buiten. Daar schamen ze zich niet hun emoties te uiten in de bescherming van het woud. Dit geeft Europeanen het idee dat Ashantijnen dicht bij hun natuur staan en dat zij handelen uit eenvoudige drijfveren. Ashantijnen houden hun gedachten echter in het duister. Liever storten zij zich in een diepte, dan dat ze hem peilen. De blik naar binnen wordt eveneens belemmerd als de blik naar buiten.” En met deze achtergrond werden de jonge prinsjes dus weggerukt uit hun cultuur…
Het Koninklijk Hof interesseert zich voor de twee jongens en vreemd genoeg worden zij steeds vaker – niet alleen op plechtigheden – in het paleis uitgenodigd. Mede dankzij de vriendschap die ze sluiten met prinses Sophie (op wie Kwasi later verliefd wordt). Uiteraard verloopt ook dit niet steeds vlekkeloos; er is een incident als ze op het Sinterklaasfeest geconfronteerd worden met Zwarte Piet. Later zal Kwasi zich zelfs deze rol laten toemeten wat tot de eerste ruzie tussen de jongens aanleiding is… Als prinses Sophie huwt en groothertogin van Weimar wordt, verblijft Kwasi vaak in Weimar als gast. Waar hij o.m. kennis maakt met Hans C.Andersen, en met de rijke cultuur van de stad.
Bij Kwasi blijft onderhuids steeds heimwee spelen. Hoe kan het ook anders: “Als je nooit de horizon gezien hebt, weet je niet dat er een grens is aan je blik. In de dichte wouden rond Kumasi kijk je niet verder dan een paar meter vooruit. Als je zoiets aan een Hollander vertelt, benauwt hem dat. Die wil de situatie overzien en kijken waar hij heengaat. Als hij geen vrij uitzicht heeft, benauwt hem dat. Maar het tegendeel is waar. In plaats dat het ontmoedigt achter elke struik een nog dichtere te vinden, wekt dat juist de lust om verder te kijken. Je hakt je zo snel mogelijk een pad vrij om te kunnen zien wat verderop ligt. Het mes scherpt de blik, want hoe beperkter je zicht, hoe groter de wil om te zien.” Kwasi voelt zich nog steeds vernederd. Zelfs een onschuldig Indianenspel met Sophie, als kinderen nog, ergert hem, ze zijn ‘de minderen’, hoe goedbedoeld en welwillend het meisje ook is. En hij is verbijsterd wanneer Kwasi reeds na twee jaren Holland als ‘zijn land’ noemt. Hoewel de opvattingen hen van elkaar lijken te verwijderen, blijven de neven aan elkaar gehecht als voorheen. In wezen kan niets hen scheiden. Maar ook Kwami moet kiezen voor een bestemming en bizar opteert hij voor een militaire loopbaan. Bizar? Via de marine zal hij mogelijk naar Afrika kunnen terugkeren. Wat ook gebeurt. Hij zal gelegerd worden in fort Elmina waar ooit hun reis begon. En van daaruit stuurt hij een brief aan zijn vader (in het Nederlands, hij kent de taal niet meer) om te vragen of hij – als troonopvolger – welkom is. Het antwoord is nee; zolang hij de taal niet spreekt niet. Maar niemand kan hem daar de taal leren. Een wanhopige situatie die hem drie jaren vasthoudt, naar Holland wil hij niet terug. Afgesloten van Kwasi (brieven bereiken elkaar niet of nauwelijks) voltrekt zich tenslotte zijn einde: zelfmoord. Terwijl Kwasi na tal van politiek gesjoemel in Sumatra eerst uitgerangeerd een administratieve functie bekleedt (waar hij E.D.Dekker ontmoet), naar Holland terugkeert, om uiteindelijk met een kluitje in het riet gestuurd te worden: een armzalige lap grond op Java voor een koffieplantage die hij dan toch weet uit te bouwen. En waar hij dan, na vijftig jaren, tegen zijn zin gelauwerd wordt. Om net op die dag de onthulling te krijgen via een hem in de handen gespeeld document, hoe men officieel steeds over de prinselijke neven oordeelde: “…het principe van noblesse de peau, de verhevenheid van de blanke huid boven een andere, en van de morele en intellectuele superioriteit…” “Uw nieuws is vijftig jaar oud” zegt de bejaarde Kwasi, woorden die hem voor ons opnieuw dichtbij Kwami brengen.
‘De zwarte met het witte hart’, zoals een klein meisje zei toen zij op de schoot van de nog jeugdige Kwasi zat, over zijn wang aaide, en dan naar haar handje keek om te zien of hij geen sporen naliet… een trouvaille. Zoals er nog zijn in dit magistrale boek. Dat evenwel sterk gedocumenteerd is, fantasie komt niet op de tweede maar op de derde plaats. Vooraan staat het inlevingsvermogen van Japin in zijn twee personages. Dat dit boek zo’n succes heeft, en velen tot tranen bewoog, hoeft niet te verwonderen. Het is met schroom dat je naar de in het boek afgedrukte daguerreotype van Kwasi kijkt.
“Verhalen die je kan dromen vervelen nooit” staat er in het boek. Dit werk neemt je mee, in een wervelwind. De zielen van de prinsjes achterna. Een aanklacht? Ja; maar ook schoonheid en ontroering.
VASLAV
In de tussenliggende periode schreef Japin scenario’s, hoorspelen en toneelstukken, waarmee hij diverse literaire prijzen won. In 2000 werden enkele Magonische Verhalen verfilmd. In maart 2002 verscheen De droom van de leeuw, een grote roman over liefde en verbeelding. Hij is gegroeid vanuit een autobiografische kern, namelijk de romance van Japin met Rosita Steenbeek met wie hij in 1986 op goed geluk naar Rome trok, beiden in de hoop dat ze daar de aandacht van Federico Fellini zouden kunnen trekken. Japin kruipt hier in de huid van Fellini (die in zijn roman Snaporaz heet). Hij leeft zich in in diens gevoelsleven tijdens zijn begeestering voor de jonge actrice Rosita (in de roman Gala). Japin zelf wordt verbeeld door de romanfiguur Maxim.
In 2006 schreef hij het boekenweekgeschenk De grote wereld, dat in een recordoplage van 813.000 exemplaren werd gedrukt.
In 2010 verscheen “Vaslav”. Daarin heeft hij het over het leven van sterdanser Vaslav Nijinski. En meer bepaald over diens laatste levensfase, de dertig laatste jaren toen de kunstenaar niet meer optrad maar ook niet meer sprak, nauwelijks nog reageerde op de buitenwereld. Gek? Genie? Hij werd verzorgd door zijn echtgenote Romola die hem redt uit de klauwen van de psychiatrie. Centraal in het boek heeft Japin het verblijf gedurende een jaar van het echtpaar in het Zwitserse Sankt Moritz geplaatst; ze kochten daar na hun huwelijk, toen Romola de danser wist los te scheuren van zijn minnaar Diaghilev, een afgelegen villa. En in het eerste en laatste deel van de roman horen we Peter aan het woord, een bediende gerecruteerd uit het dorp die bijna zielsverwant wordt met Vaslav. Dat Japin – ongetwijfeld sterk gedocumenteerd voor dit boek (ook de figuren van deze Peter en diens liefje Lise zijn historisch verantwoord) – zich zo sterk verplaatst in dergelijke personen en ons precies via hen kennis laat maken met Nijinski, Diaghilev, Romola en de wereld van de Ballets Russes, is de kracht van deze roman. Het hoogtepunt ligt uiteraard op het drama in januari 1919 toen hij na jarenlang niet gedanst te hebben, toch een benefiet deed en daar de meest grillige voorstelling ten beste gaf, grenzend aan het waanzinnige, met op het einde de legendarisch woorden: “Nu is het kleine paardje moe”. Het persoonlijke dat uitstraalt van deze roman, de wijze waarop Japin Nijinski ontleedt en hem via Peter die als kind ook Nietzsche persoonlijk leerde kennen en met hem optrok, ontrafelt, dat maakt het werk zo boeiend. Tevens leest het ‘Vaslav’ als een avontuur van de beau monde. Een tragisch avontuur waarin de wereldoorlog zijn tol eist; ook dat nog.
DAGBOEKEN
Ik ging overigens nog maar eens voorbij aan de wat zinloze vraag of je een kunstenaar zelf moet leren kennen, of je moet beperken tot zijn werk. En dus gelezen van Japin: ‘Zoals dat gaat met wonderen; dagboeken 2000 – 2007’ (reeks ‘privé-domein’). En niet alleen maak ik kennis met de vroege aspiraties van de auteur als balletdanser en acteur, zijn werk als scenarioschrijver, als auteur van die vele romans, als schilder zelfs maar hij neemt ons mee op een tocht door zijn wereld waar je talloze mensen ontmoet, beroemdheden en andere. En ontmoeten betekent werkelijk ‘ontmoeten’ want Japin weet met ontroering en indringend over hen te schrijven. Zijn dagboek brengt ons uiteraard over de ganse wereld want hij reist wat af – voor lezingen vooral; tenslotte werd hij in twintig talen vertaald. Maar essentieel en centraal blijft het thema van de liefde. Niet alleen deze voor zijn geliefden Lex Jansen (meteen zijn (ex-)uitgever) en de Amerikaanse schrijver Ben Moser met wie hij samenwoont, maar de liefde als het enige wezenlijke van belang. “Praten, ik zie het belang ervan steeds minder in. Zonder woorden communiceer ik het best. Door iemand aan te kijken weet en zeg ik alles al. Liefhebben is mijn eerste en meest directe manier van communiceren. Daarin komt alles bloot.”
Dat hij weinig praat stipt hij ook elders aan: “Zwijgen is mijn natuur. Tenminste, dat idee heb ik zelf, maar als ik dat zeg moeten ze (Lex en Ben) allebei heel hard lachen. ‘Ik houd van je’ is de enige mededeling die me altijd van belang lijkt. Ik vertel er nooit iets nieuws mee en toch vind ik het belangrijk om het elke dag een paar keer te laten weten.” Zo essentieel is de liefde voor hem, dat straalt uit het ganse dagboek.
Wat zegt Japin trouwens zelf over de vraag die ik eerst op wierp: “De persoon van de auteur mag niet meewegen in het oordeel over een literair werk. Dat is algemeen bekend. Maar waarom eigenlijk niet? Wie zich in een boek begeeft, dringt op de meest intieme manier door in de geest van de schrijver. Ieder woord ademt zijn sfeer, elke zin geeft zijn gedachten weer. Dan is het toch voor de lezer van levensbelang te weten aan wie hij zich overgeeft? Het lijkt mij gezond om voordat je iemands hand pakt of zijn eerste pagina opslaat te willen weten of je gids goedaardig is of kwaadaardig.”
Uiteraard heeft hij het ook vaak over het schrijven en hoe hij omgaat met de realiteit en deze verwerkt – een weerkerend thema. “Alchemie bedrijven is materie omvormen. Dit is wat ik doe met de werkelijkheid. Ik neem haar en maak haar tot iets nieuws, een boek. Ik vorm de feiten om tot fictie en schep daarmee een nieuwe werkelijkheid. In die zin ben ik alchemist. Ik heb een proces in gang gezet. De lezer zet de woorden weer om in begrippen, iedere lezer op zijn individuele manier. Zo vertakt zich de verandering en beïnvloedt het ongemerkt het leven.” Wanneer de auteur Marja Pruis hem zegt dat hij in zijn werk veel over zichzelf vertelt maar altijd verstopt achter de geschiedenis, repliceert hij: “Zo’n waargebeurd verhaal is het uitgangspunt. Terwijl ik het schrijf, ontdek ik parallellen met mijn eigen leven. Het is dus eerder andersom, ik verstop me niet achter de geschiedenis maar kom erachter vandaan tevoorschijn.” Dat blijkt duidelijk uit werken als ‘Vaslav’ en ‘De zwarte met het witte hart’.
En wat is schrijven? “Schrijven is ook nieuwe werelden maken. De een is bereid er even binnen te kijken, de ander blijft buiten.”
Japin treedt uit zijn dagboeken tevoorschijn als iemand die heel zorgvuldig is in de omgang met mensen. Hij is niet ‘sociaal’ in de gewone (sic) betekenis. Maar net daarom des te socialer zegt hij zelf. “Dezelfde mensen hebben zich voor hun sociale omgang een soort blindheid aangemeten. Met de gevoeligheden van anderen lijken zij geen rekening te houden. Als zij spreken zijn zij in gedachten bij niemand anders. Ik spreek aanzienlijk minder, maar hoor ieder woord dat mijn mond verlaat zoals het wordt opgevangen door degene die het hoort. Ik geef om de mensen tegen wie ik spreek.”
Japin schildert ook (er zijn enkele foto’s opgenomen van zijn werk in dit boek). “Waarom wil ik schilderend de werkelijkheid benaderen? Omdat het een tweede werkelijkheid is, een schijnwereld. Hoe meer die lijkt, hoe beter ik erin kan vluchten. Gedetailleerd is die geloofwaardiger.”
Een dagboek publiceren, wat betekent het voor Japin? “Het is werk dat soms verdrietig maakt. Niet vanwege het terugblikken, integendeel, wat voorbij is, is altijd vrij. Maar daarmee heeft het wel te maken: het stemt droef te moeten vastleggen wat in beweging is. Uit eindeloos veel indrukken die ik ooit heb neergeschreven (zelfs toen nooit meer dan één van talloze waarheden) moet ik nu een keuze maken. Uit die keuze komt straks een beeld naar voren. Van mij, van wie mij lief zijn. Dat kan nooit meer tonen dan een fractie van wie ik was, van wie zij zijn geweest, van wat ik ondernam en wat ons is overkomen.”
Hoe fragmentarisch dit beeld van Japin ook weze – wat ik betwijfel – kennis maken met de man die alles voor de liefde en de kunst overheeft maakt dit dagboek lezenswaard. En het is boeiend; dat is mooi meegenomen. (Johan de Belie)
KOLJA
In 2017 verscheen dan “Kolja”, dat mij werd uitgeleend door Fons Mariën. Hij schreef daarover zelf een recensie op “Lezers Tippen Lezers“.
“Rusland, negentiende eeuw. Kolja is een dove, achtjarige jongen die door zijn ouders verwaarloosd wordt. Modest Tsjaikovski (broer van de componist Pjotr Iljitsj) krijgt de opdracht om zijn leraar te worden. Met veel moeite en hard werk lukt hem om Kolja te leren spreken en liplezen, ook dank zij een Franse methode. Gedurende jaren reizen ze (samen met de gouvernante) rond in Europa (vooral Frankrijk, Italië), zo leert hij ook de componist goed kennen. Tot Kolja’s vader sterft en hij de erfenis (een landgoed in Oekraine) krijgt. Vele jaren later, in Sint-Petersburg, overlijdt de componist Pjotr Iljits vrij onverwacht. Aan cholera wordt gezegd. Maar Kolja vindt dat er inconsequenties zijn in dit verhaal en gaat op zoek naar de waarheid achter de dood van Tsjaikovski. Arthur Japin verhaalt dit gebeuren in hoofdstukken die afwisselend over de eerste periode en vervolgens over de dood van Tsjaikovski gaan. De auteur heeft zich goed gedocumenteerd en presenteert hier een these over de ware oorzaak van de dood van de befaamde componist. Een verklaring die in Rusland niet aanvaard wordt, omdat ze te maken heeft met de homoseksualiteit van de beide broers en met chantage hier rond. In Rusland heerst nog altijd een zwaar taboe rond homoseksualiteit. Een heel boeiend, goed geschreven en historische verantwoord boek, dat ik graag gelezen heb.” [Wikipedia]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.