Radio- en televisiepersoonlijkheid Fred Brouwers viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. Van hieruit: een gelukkige verjaardag, Fred!

Ik heb Fred Brouwers een aantal keren “officieel” geïnterviewd, maar ik heb hem vooral tientallen keren ontmoet. En telkens viel er wel iets interessants te vertellen. Uit dit alles heb ik een mix gemaakt, waarbij het uiteraard niet mijn bedoeling was om zaken die overduidelijk “off the record” werden gezegd openbaar te maken. Al is het vaak een dunne lijn, die wellicht ook makkelijk te overschrijden is. Mocht dit zo zijn, dan hoor ik dat graag van Fred, waarbij ik me op voorhand reeds verontschuldig, want het lag zeker niet in mijn bedoeling om hem in problemen te brengen.
FRED VAN A TOT Z
Fred Brouwers werd op 29 januari 1948 geboren te Leuven, waar hij dan uiteindelijk natuurlijk aan de lokale universiteit moest belanden (germaanse filologie en muziekgeschiedenis). Reken uit en je komt rond 1968 terecht. Gevolg: Fred Brouwers maakt deel uit van de anti-klerikaal en anti-establishement geëngageerde cabaretgroep Mam’sel. Kort nadien doet hij ook zijn eerste radio-ervaringen op bij Omroep Limburg (hij woont ondertussen immers in Zolder) met het programma “Bij Bach op de koffie”. Straffe koffie dan wel en niet de slappe thee die men daar placht te serveren, een evolutie die zich doorzette in “Politheek” voor Omroep Brabant.
Fred Brouwers: “Ik ben altijd al geïntrigeerd geweest door het verband tussen cultuur in het algemeen, muziek in het bijzonder en de samenleving daarrond. Ik geloof niet in puur cultuur, die los van alles zou kunnen ontstaan. Er is altijd een wisselwerking, zelfs als dat niet expliciet de bedoeling is. Sommige muziek bijvoorbeeld heeft een duidelijke politieke rol kunnen spelen, zonder dat dit ooit de bedoeling is geweest van de componist. Vanzelfsprekend zal muziek zelf nooit bijvoorbeeld revolutionair zijn, maar ze kan wel de rol van ontlader vervullen. De Yenan-geschriften van Mau Dze Dong handelen daarover en volgens hem is die samenhang onloochenbaar.”
Aan muzikale voorbeelden geen gebrek, aldus nog Fred, maar het stak ‘m wel dat er weinig voorbeelden uit eigen land waren. “Daarom zou ik graag wat stimulerend willen werken. Een beetje zoals dat in het begin van de jaren zestig in Groot-Brittannië is gebeurd. Ewan MacColl had toen een reeks lopen op de BBC, waarin hij mensen aanspoorde om nog bestaande volksliedjes te bewaren en te zingen. Daaruit is toen de hele folkrevival ontstaan. Dat is echt een radiofenomeen geweest. Zo ver reiken mijn ambities weliswaar niet, maar ik heb sterk de indruk dat er veel bestaat, dat met een klein beetje duwen naar boven kan komen.”
Later zou Fred nog een dergelijk programma over de binding tussen muziek en maatschappij hebben op BRT1, dat nogal flauwtjes gewoon “’t Chanson” heette. Vanaf 1977 wordt hij door de dienst “ernstige muziek” ook gevraagd als televisiepresentator voor programma’s zoals het (helaas afgeschafte) opera- en belcantoconcours, Tenuto en de Koningin Elisabethwedstrijd. Verder is hij nog bedrijvig op BRT3 en bij de Wereldomroep, schreef hij teksten voor Leen Persijn, heeft hij een sprookje van koningin Fabiola tot een cantate herschreven, mocht hij beroemd komen wezen in “Namen noemen” (maar wie niet?) en zong hij bij de rockgroep de LSP-band (maar wie niet?).
Als opvolger van Eva Maria’s “Mezza Musica” mocht Fred Brouwers ook een televisieprogramma presenteren dat de titel “Parlando ma non troppo” heeft meegekregen. Veel licht-klassieke muziek kwam daarin aan bod, maar daar houdt eigenlijk alle vergelijking met “Mezza Musica” op, want in principe kon elk genre een beurt krijgen. Het was immers zo dat elk programma wordt gebouwd rond één bekende gast die niet, of toch niet uitsluitend, muzikaal bedrijvig is (die laatste nuancering gold voor iemand als Leen Persijn). Die gast wordt door Fred Brouwers geïnterviewd over zijn muzikale smaak en hij krijgt dan meteen de kans om die muziek live in de studio te horen – wat uiteraard problemen zal geven als iemand Bruce Springsteen naar voren zou schuiven, vandaar dat het programma ondanks alles toch bij “Mezza Musica” aanleunde. Maar het hoeft dus niet noodzakelijk. Als iemand bijvoorbeeld een jazzliefhebber blijkt te zijn, dan krijgen we dat ook te horen. Andere gasten waren de schrijver Jef Geeraerts, striptekenaar Bob De Moor, éminence grise Willy Courteaux, volleybalspeler Yves De Haan, Jeanne Brabants, de ex-directrice van het Ballet van Vlaanderen en… Raymond van het Groenewoud.
Diens fans (vooral diegene uit de nogal bruisende Centimenters-tijd) zullen zich wel een beetje bedrogen gevoeld hebben, maar misschien hebben ze toch iets opgestoken van de muziek van Bach of Satie, die tot Raymonds lievelingen blijken te behoren. Zelf mocht hij echter met gebrekkige middelen ook even heel kort “zijn” popgeschiedenis overlopen, waarbij het “amateurisme” dan ook vloekte met de keurige klassieke uitvoeringen. Het is duidelijk dat, alle goede bedoelingen van presentator Fred Brouwers ten spijt, dit op de eerste plaats een programma van klassieke muziek is en dat de hele opbouw en regie in functie dààrvan gebeurt. Ik blijf voorstander van dit soort programma’s, vooral in de hoop dat jongeren ook andere muziek dan popmuziek zouden leren appreciëren. Maar zolang men pop zelf ook niet ernstig neemt, zal de “doelgroep” zich niet echt aangesproken voelen, vrees ik…
Fred weet zelf trouwens goed genoeg hoe heikel het onderwerp wel is. Zo gaf hij eens in Humo als illustratie: “Op officiële bijeenkomsten, wanneer een voorzitter van een vereniging het publiek moet verwelkomen, hoor je nogal vaak dat muziek een universele cultuur is, en ook een taal die iedereen begrijpt. Van India over New York tot Brussel kan iedereen genieten van Beethoven, zeggen ze dan. Dat vind ik de grootste nonsens. Het is toch evident dat een zwarte in Zuid-Afrika àndere muziek maakt dan een Zuid-Duitser op zondagochtend in zijn Stube? En het is al even evident dat die twee elkaar zonder voorkennis niet kunnen begrijpen. Iemand die in Calcutta op straat ligt te creperen, zal geen boodschap hebben aan Beethoven. Ondanks dat mooie verhaaltje van Menuhin, dat hij ooit eens in de brousse het vioolconcerto van Bach ten gehore bracht en dat de inboorlingen met open mond stonden te luisteren. Ach, natuurlijk, had hij een wijsje op een zingende zaag gespeeld, dan hadden ze waarschijnlijk ook met open mond geluisterd. Waarmee ik wil zeggen dat authenticiteit en identiteit bewaard moeten blijven en, let wel, ik heb het nu niet over onzin als eigen volk eerst, hè. Ik ben voor een kruisbestuiving van genres, maar het doel moet niet zijn dat men twintig Zaïrezen een accordeonvereniging laat oprichten om muziek van Armand Preud’homme te spelen: dat is niet het toppunt van fusion.”
“HET AANTAL VERGADERINGEN HEB IK ZEKER VERTIENVOUDIGD”
Zelf heb ik Fred geïnterviewd tijdens het opera- en belcantoconcours van de BRT in Gent ergens in de jaren tachtig, met als aanleiding het feit dat Fred Brouwers voorzitter was geworden van Jeugd & Muziek. “Jeugd en Muziek” is een beweging die vanuit het Paleis voor Schone Kunsten door Marcel Cuvelier werd gesticht in het onzalige jaar 1940. Ondertussen werd de nationale vereniging gefederaliseerd in Jeugd en Muziek Vlaanderen (met 46 afdelingen), Jeunesses Musicales en een Duitstalige federatie voor de Oostkantons. Op internationaal vlak heeft men navolging gekregen in veertig landen, verspreid over alle werelddelen en natuurlijk ook met een overkoepelende structuur. J & M werkt vooral met plaatselijke afdelingen (basisbeweging!), maar je lidkaart is natuurlijk wel overal geldig. Mijn eerste vraag was dan ook hoe Fred en J & M elkaar hadden gevonden…
Fred Brouwers: Die idylle duurt al iets langer. In het begin van de jaren zeventig ben ik door toedoen van een kennis bij J & M terechtgekomen waar ze een animator zochten. Dat was in het allerprilste begin van de klasconcerten, dat wil zeggen dat een muzikant met zijn instrument naar de klassen trok om daarover te spreken. Maar instrumentalisten kunnen over het algemeen wel goed spelen maar het hoegenaamd niet goed uitleggen – al is daar nu wel wat verandering in gekomen – zodat er iemand moest meegaan om dat aan die kinderen over te brengen. Na die eerste ervaring kwam er dan plotseling een baan vrij om J & M Brussel te leiden, waarop ik ben ingegaan maar voor niet lang want nog voor een jaar verstreken was, is dat “ontploft” op mijn samenwerking met de toenmalige voorzitter. Ik ben toen weggegaan maar ik wel wel voor J & M België de uitzendingen op BRT3 blijven doen, tot men die heeft stopgezet. En dan kreeg ik ongeveer een jaar geleden plotseling verscheidene telefoontjes van mensen van J & M om mij te vragen of ik geen zin had om voorzitter van J & M Vlaanderen te worden. Ik heb daar niet direct ja op geantwoord omdat ik me eerst goed wilde realiseren wat dat allemaal inhield en bovendien wou ik dat ook thuis wel eens overleggen, want ik ben tenslotte al met zoveel bezig. Uiteindelijk heb ik dan toch toegehapt, al is die opdracht wel een beetje veranderd. Toen ik bij J & M kwam spiegelde men mij immers voor dat ik zo’n keer of vier, vijf per jaar een vergadering van een Raad van Beheer moest leiden en dat dit ongeveer alles was. Als je daar dan echter mee wordt geconfronteerd en merkt wat vier vergaderingen eigenlijk maar betekenen, dan heb je snel door dat dit niet kan. En alleen al de vergaderingen van de Raad van Beheer hebben we dus al op maandelijks gebracht, terwijl ik ook alle commissies doe die met verschillende dingen bezig zijn, zodanig dat ik het aantal vergaderingen zeker vertienvoudigd heb.
– Je zegt het zelf al: “ik ben tenslotte al met zoveel bezig”. De meeste mensen denken zelfs dat je aan de BRT verbonden bent, zo vaak zien ze je op het scherm, maar in werkelijkheid heb je een fulltime job als leraar in Bokrijk, niet?
F.B.:
Niet meer. Die heb ik gehalveerd. Ik heb op dit moment nog twaalf uren Engels, wat makkelijk is, omdat Engels sowieso gemakkelijk is om te geven, in die zin dat de leerlingen dat graag doen, het is dus een vak waarvoor je niet moet vechten. En verder kan ik in de school ook op veel steun rekenen, zodat men die uren mooi heeft geplaatst, wat maakt dat ik op vier halve dagen na voor de rest van de tijd vrij ben.
“WIJ VORMEN HET POTENTIELE PUBLIEK VOOR MORGEN”
– Je wou je goed realiseren wat die job inhield, zei je. En? Wat houdt ze in?
F.B.:
Tot nu toe is de belangrijkste opgave geweest: hoe kunnen wij geld krijgen, of houden, om de activiteiten van J & M verder te zetten. We weten allemaal hoe het met de Belgische staat gesteld is, ook wij moeten dus vechten voor subsidies. Op de laatste vergadering op het kabinet hebben we nu wel verkregen dat we onze subsidies van de voorbije jaar kunnen behouden, wat een zekere geruststelling is, maar we moeten zeker meedoen aan de zoektocht naar geld op andere plaatsen, namelijk in het privé-bedrijf waar het geld zit, waar soms zelfs zoveel geld zit dat je ervan duizelt.
– Bij ontstentenis van subsidies is men ook in de klassieke sektor overgegaan tot vrij rigoureuze vormen van sponsoring, dat is waar. Zo kan men b.v. individuele muzikanten sponsoren. Gelukkig mogen die (voorlopig?) nog in “pitteleer” optreden en niet in een merkentrui, maar je weet maar nooit, de publiciteitsmogelijkheden van zo’n grote contrabaskist zijn nog onvoldoende uitgebuit vind ik.
F.B.:
Je moet nog niet zo direct schrik hebben dat zoiets gebeurt. Het is immers zo dat privégeld heel vaak naar grote prestigieuze ondernemingen gaat, ik denk aan de Nationale Opera, ik denk aan het Festival van Vlaanderen. Die mensen gaan met grote delen van de koek lopen omdat zij uitpakken met grote namen, met dingen die een grote weerklank hebben in het land. Ik heb daar in se niets tegen, alleen vind ik dat de verhoudingen soms wel een beetje scheef getrokken zijn. Vooral als je ziet dat een club als J & M per jaar, vijftig, zestig duizend jonge mensen bereikt. Maar, ik geef toe, in de anonimiteit. Dat gebeurt allemaal in een of andere obscure lagere school in een Brusselse volkswijk of in een middelbare school in Kapelle-op-den-Bos, je merkt dat dus niet. Je plakt daar ook geen grote opvallende affiches op, dat is heel stil werk aan de basis. Maar wat dat allemaal met zich meebrengt is bijzonder belangrijk. Je vormt daar immers het potentiële publiek voor morgen. Wij houden ons bijvoorbeeld samen met de Munt en straks ook met de Opera voor Vlaanderen bezig met de vorming van een operapubliek. En dat vind ik de fout van J & M in het verleden, namelijk dat men altijd bescheiden is geweest over de eigen inbreng. Neen, dat is een bijzondere belangrijke rol en je moet daar ook mee uitpakken.
– Is het dan in die zin dat we projecten als “Mozart aan de kinderen verteld” moeten zien? Daar kan je toch al mee naar een groter publiek toe …
F.B.:
Dat moet een taktiek zijn. Ik ben in de eerste plaats voor de basiswerking, maar als je naar buitenuit de aandacht daarop wil vestigen dan moet dat via dergelijke manifestaties gebeuren. Zo zal ik in Gent volgend seizoen ook “La Cenerentola” vertellen aan kinderen, een complete operaproductie, misschien wel met een aantal coupures, waarmee we hopen een hele opera vol kinderen te krijgen. Het Mozart-programma hebben we op de manifestatie “Letter en tetter” voor tweeduizend mensen gedaan, dus dat moet kunnen.
“ONS ONDERWIJS IS BIJNA LOUTER INTELLECTUALISTISCH INGESTELD”
– Laten we het even over dat werk in de scholen hebben. Je zal het met me eens zijn dat het muziekonderwijs daar totaal ontoereikend is. Is J & M dan niet de pleister op een houten been? Is zo’n interventie van laten we zeggen eenmaal per jaar dan wel voldoende? Veel meer zal het toch ook niet zijn?
F.B.:
Dat hangt ervan af. Maar het is natuurlijk tevens zo dat er ook scholen zijn waar we hoegenaamd niet komen. Ons onderwijs is inderdaad bijzonder celebraal, bijna louter intellectualistisch ingesteld. Je hebt slimme en domme leerlingen en voor de rest de fysieke, de emotioneel-karakteriële, de artistieke ontwikkeling, dat lapt men compleet aan zijn laars. En dat merk je bij heel wat schooldirecteuren die dat allemaal maar troep vinden die de zaak voor hen bemoeilijkt, want daar komt dan organisatie bij kijken enz. Maar in die scholen waar we wél komen, daar proberen we een zekere systematiek op te bouwen, bijvoorbeeld met alle instrumentengroepen komen en dan stilaan naar grotere ensembles toegaan.
– Even tussendoor: verschilt die belangstelling volgens de netten?
F.B.:
Ik weet niet of men dat al statistisch heeft nagedaan, maar wij maken daar alleszins geen onderscheid in.
– Goed, nu terug naar mijn vraag: is J & M dan juist geen alibi om die lamentabele toestand in ons onderwijs te handhaven?
F.B.:
Dat is een dubbelsnijdend zwaard natuurlijk. De concrete gegevenheid is nu eenmaal dat er op dit ogenblik in de lagere en middelbare scholen steeds minder en minder aan muziek wordt gedaan. Dat verdwijnt. Wat doe je dan? Lààt je dat verder verdwijnen? Of zeg je als organisatie: hier ligt voor ons een mogelijkheid om in te springen en die basis te verbreden en te verjongen? Ik geloof dat dit de put is waar J & M is ingesprongen. Anderzijds zou het natuurlijk wel gevaarlijk zijn om ons daar voor de volle honderd procent op toe te spitsen. Want als er dan morgen een minister komt die vindt dat men maar weer meer muziek moet gaan geven en dat J & M dan maar iets anders moet gaan doen, dan zit je daar plotseling met een organisatie die zich volledig heeft blind gestaard op één aspect van muziekopvoeding en dan sta je natuurlijk weer op straat. Op dit ogenblik is dit niet zo, maar we werden toch al gealarmeerd door een circulaire van minister Coens, waaruit vele directeuren hebben afgeleid – ten onrechte volgens het kabinet – dat er geen culturele activiteiten meer zouden mogen worden georganiseerd in de scholen. Wij voelen ons daardoor bedreigd, maar Coens heeft daarop gereageerd door ons expliciet een brief te schrijven waarin stond dat dit voor J & M niet geldt. Dat was dan wel een opluchting, maar je weet nooit hoe die zaken evolueren. Vandaar dat J & M die pyramide van de muzikale opvoeding compleet wil blijven bespelen: in de scholen maar ook concerten daarbuiten. Avondconcerten in de plaatselijke afdelingen die zoveel mogelijk op jonge mensen zijn ingesteld, qua aanpak en qua repertoire. En ik geloof wel dat wij nu met Johan Huys als adviseur van de minister van cultuur, een gelijkgestemde hebben getroffen, al vindt hij dat wij eigenlijk verder moeten gaan en dat J & M via creatief musiceren van jongeren muzikale smaak of gevoel voor muziek zou moeten bijbrengen.
– Dat wou ik net vragen: doen jullie op de scholen aan scouting voor jullie jeugdorkesten?
F.B.:
Neen, dat is onmogelijk, dat gebeurt veel beter via de muziekacademies.
– Maar jullie gaan wel zélf naar de mensen toe?
F.B.:
Neenee, men komt! Het is natuurlijk wel zo dat de jongste tijd samenspel in de muziekscholen wordt gestimuleerd. Hier en daar is er zelfs een eigen orkest, maar we ondervinden bij de mensen die naar ons toe komen dat ze dat dan vaak ervaren als een schoolorkest, een “verplicht” orkest, terwijl deel uitmaken van één van onze zes orkesten als écht orkestleven wordt ervaren. Dat is op een andere plaats, met een compleet andere chef, met andere jngeren en daarom geloof ik niet dat de orkesten van de muziekacademies die “vrije” J & M-orkesten zullen kunnen vervangen. Je krijgt daar trouwens weinig de kans een echt symfonisch orkest te vormen. En daarnaast worden er ook workshops georganiseerd voor jongeren die totaal geen muzikale vorming hebben. Wij zijn dus zeker geen soort van vagevuur tussen de nietswetende massa en de professionele elite.
“EEN GROTE ROCKDRUMMER MET HET NATIONAAL ORKEST, DAT ZIE IK WEL ZITTEN”
– Toch is het wel typisch dat we voorlopig uitsluitend over wat men dan noemt “klassieke” muziek hebben gepraat, niet?
F.B.:
Ja, maar de geschiedenis van J & M is dan ook een beetje de geschiedenis van jeugd en klassieke muziek, hé. Het is pas de laatste jaren dat daar openingen zijn gemaakt. Overigens vroeger kon het ook niet zo makkelijk. Door allerlei decreten en wetten kon men bijvoorbeeld geen jazz- of folkgroep aanbevelen. Eén van de vereisten om naar scholen toe te gaan was immers dat men een eerste prijs van een conservatorium moest hebben. Anders werd men niet betaald. Hoe kan je dan ’t Kliekske bijvoorbeeld naar een school sturen? Maar de laatste tijd is daar gelukkig verandering in gekomen en dat merk je dan ook.
– Vroeger werd J & M vaak verweten elitair te zijn. Die klassieke muziek zou enkel maar aanslaan bij de kinderen “van beteren huize” die er reeds mee vertrouwd waren, terwijl de anderen er nog meer van gingen vervreemden. Nu lijkt me dat niet meer zo te zijn, maar dan wel wegens een eerder negatieve evolutie, een nivellering naar beneden. Om het met een boutade te zeggen: zelfs prinses Stefanie zingt nu disco …
F.B.:
Ik denk niet dat je zo maar meteen een complete verschuiving naar boven mag verwachten. Ik geloof dat wat naar beneden glijdt sowieso toch naar beneden zal glijden. Ik geloof dat je veel meer rekening moet houden met die groep die zij het door de film, zij het door een aantal andere factoren, bijvoorbeeld naar de winkel gaat om muziek van Amadeus te gaan kopen en dan niet enkel de soundtrack. En de positieve trend is dat er inderdaad meer jongeren naar de opera gààn. Dat er daarnaast nog een boel andere dingen bestaan op een heel wat lager niveau, dat kan je niet uitschakelen.
– Natuurlijk, als je over jeugd én over muziek spreekt, dan spreek je in de eerste plaats uiteraard over popmuziek. Jou kennende, neem ik aan dat jij daar hoegenaamd geen bezwaren tegen hebt?
F.B.:
Integendeel! Alleen vraag ik me wel af wat wij wat dat betreft nog kunnen doen. Je zit op dit ogenblik bij ons met een Torhout-Werchter en een Vorst-Nationaal, waar toch de grootste namen uit het popgebeuren geafficheerd worden. En ook op het gebied van kansen geven aan jonge rockgroepen, bestaan er wedstrijden zoals de Rock Rallye, er bestaat een circuit van jeugdclubs, dus ook op dat vlak denk ik niet dat wij daar iets kunnen doen. Mochten wij er natuurlijk in slagen om Springsteen of Dylan naar hier te krijgen, dan zullen we dat zeker niet nalaten. Anderzijds geven wij sporadisch maar nog niet gestructureerd wel een oriëntatie in die hele popwereld, inzicht in de marktmechanismen en de verdwazing bijvoorbeeld.
– Maar dat is natuurlijk eigenlijk wel een vrij negatieve aanpak. Anderzijds is er ook het gebruik van pop als verborgen verleider, daarmee bedoel ik het exploreren van de raakvlakken tussen pop en klassieke muziek. Men kan daarover verstoord zijn en groepen als The Nice of Emerson, Lake and Palmer naar het verdomhoekje wensen, het is toch een feit dat bijvoorbeeld ikzelf via die mensen klassieke muziek heb leren ontdekken.
F.B.:
Dat is bij mij net zo geweest, herinner je Deep Purple met het London Symphony Orchestra bijvoorbeeld. Ik denk inderdaad dat vele jongeren die weg afleggen. Maar bovendien ben ik steeds erg interdisciplinair ingesteld geweest en daarom vind ik dat samensmelten van pop en klassiek prachtig. En ik denk dat dit ook de jongeren van vandaag nog aanspreekt. Je gaat me niet zeggen dat indien ze Raymond van het Groenewoud Chopin horen spelen op piano, dat ze dan daar niet anders gaan naar luisteren. En daar zou J & M zeker positieve bijdragen kunnen voor leveren door het organiseren van dergelijke manifestaties. Ik was daar overigens al mee bezig. Zo had ik in Engeland contact met de componist Joseph Horovitz, die een concerto heeft geschreven voor rock percussion en symfonie-orkest en dan nog wel speciaal voor die Carl Palmer waarover je het net had. Palmer heeft dat opgenomen in de studio, ik heb die mastertape bij Horovitz thuis gehoord, maar door allerlei business-machinaties is die band “geclaimd”. Dat betekent dus dat hij niet wordt uitgebracht maar wel vastligt. Ik was eigenlijk van plan om voor J & M dat werk te laten creëren en ook Horovitz was daar geweldig enthousiast over, maar daar ligt nog altijd een embargo op. Maar goed, ik zie wel iets in een grote rockdrummer – of dat nu Palmer is of iemand anders – samen met het Nationaal Orkest van België. Trouwens de huidige chef daarvan, Mendi Rodan, is ook erg in dergelijke jeugdwerking geïnteresseerd.
DE ELISABETHWEDSTRIJD EN HET HEIZELDRAMA
Nai Yuan Hu, Ik-Hwan Bae, Kun Hu, Mi-Kyung Lee, Chin Kim. Zullen deze namen ons binnen afzienbare tijd even vertrouwd in de oren klinken als die van Pol Pot of de broertjes Tsjoe en Lai? Het betreft hier immers het palmares van de jongste Koningin Elisabethwedstrijd voor viool, waar zich enkel de Belgische Guatemalteek Henry Raudales op een derde plaats wist tussen de wringen. De ontgoocheling was groot vooral voor Michaela Paetsch en Peter Matzka, de gedoodverfde winnaars uit de Verenigde Staten. Ontgoocheling ook bij mij, aangezien ik een hele week lang m’n best had gedaan om de volledige wedstrijd op het televisiescherm te volgen, maar toch heb ik precies de winnaar gemist, omdat die net aan de beurt was op het moment van het Heizeldrama. Alhoewel, is ontgoocheling wel het juiste woord? Toen ik na afloop nog tien minuten konden meepakken op het tweede net, had ik het tegenstrijdige gevoelen enerzijds met iets heel futiels bezig te zijn en anderzijds met iets meer “verhevens”. Of om het met enige overdrijving te stellen: indien we ons wat meer bezig hielden met kunst dan zouden bepaalde uitwassen van massahysterie geen kans maken. Of toch? Ik vroeg het aan Fred Brouwers, de man die zoals gebruikelijk voor de televisie de verschillende kandidaten op een bevattelijke manier vlot aan elkaar praatte.
Fred Brouwers: Ik ben én voetballiefhebber én kunstliefhebber en ik voel me niet “verhevener” in de ene hoedanigheid dan in de andere. Als ik naar een mooie voetbalwedstrijd ga kijken, dan kan ik me even ontroerd voelen door mooie spelfasen dan door het vioolconcerto van Elgar. Ik zie trouwens het grootste deel van de voetbalsupporters niet tot “hooliganisme” overgaan. Ik sluit mij eerder aan bij de voorzitter van Liverpool die stelde dat het hier voornamelijk om mensen van het National Front ging, die dus op zich niets met voetbal te maken hebben. Ik heb dan ook het vermoeden dat dit geval op een kunstmatige wijze in dat voetbal gedropt wordt. Al vindt dat natuurlijk in kringen van mensen die labiel zijn een gemakkelijke aanhang. Het zou dus nogal naïef zijn te zeggen: laten we die mensen dan maar in het Paleis voor Schone Kunsten droppen en dan zullen ze tot inkeer komen. Ik denk eerder dat dit soort figuren ook daar de duurste Guarnieri-viool aan diggelen zou slaan.
– Blijft natuurlijk de vraag: is zo’n vioolwedstrijd op zich relevant?
F.B.:
Luister, iemand die de wedstrijd wint heeft natuurlijk onmiddellijk een voetje voor. Die komt zonder een heleboel tussenstadia meteen in het middelpunt van de belangstelling en die kan van daaruit dan beginnen zijn carrière op te bouwen. Veel hangt er echter van af in welke mate hij gesteund wordt of niet. Heeft hij iemand die hem artistiek en ook zakelijk begeleidt? En wordt dat behoorlijk gedaan?
– Belangrijk op zakelijk gebied dus eventueel, maar twaalf mensen rangschikken die eigenlijk aan elkaar gewaagd zijn is op artistiek vlak toch maar een futiele bezigheid?
F.B.:
Dat is wel zo, natuurlijk. Kijk, de twaalf mensen die bekroond zijn, zijn op zichzelf al laureaten, dat wil dus zeggen dat zij eigenlijk alle twaalf al winnaars zijn. Het is echter nu eenmaal zo dat het een wedstrijd is, laten we dus maar het spel doorspelen en ze van één tot twaalf klasseren, tenslotte zijn het toch allemaal grote jongens en meisjes, hé, en weten ze waaraan ze beginnen.
– U heeft dus blijkbaar wel een aantal randbemerkingen, maar u gaat er wel vanuit dat men – om een carrière te lanceren – via een wedstrijd moet passeren?
F.B.:
Dat doe ik niet! Je kan ook voor de andere manier opteren, namelijk die van de geleidelijke opbouw van de carrière. Maar al degenen die voor deze wedstrijd kiezen, die kiezen natuurlijk ook voor alle mogelijke gevolgen. De markt is immers zeer groot en de plaatsen zijn zeer gering in aantal. Een aantal haalt het dus niet en dat om diverse redenen. Misschien zijn ze niet goed genoeg meer, misschien worden ze slecht gemanaged, misschien hebben ze er ook niet de persoonlijkheidsstructuur voor. Een stap terug naar een plaats in een orkest kan in bepaalde gevallen dan ook zeer hard zijn. Ik denk nu bijvoorbeeld aan Michaela Paetsch die in zekere zin nu reeds daarop neerkijkt – al zegt ze dat niet met zoveel woorden. De kans is dan natuurlijk groot dat wanneer zo iemand het niet maakt, dat die als kunstenaar kapot gemaakt wordt.
– Enfin, ook zonder Heizeldrama viel er niet meteen veel te lachen in het Paleis…
F.B.:
Al is humor natuurlijk een relatief begrip. Allicht ook door de spanning bij zowel vertolkers als publiek is het voldoende dat dirigent Georges Octors de hoogte van de pupiter van een laureaat aanpast om een gedempte lach uit het publiek te horen. Als hij één van hen zijn zakdoek geeft kan je bijna van hilariteit spreken. Doodgewone gebaren die je in doodgewone omstandigheden doodgewoon vindt. Op dit plaats, op dat moment wordt zo’n gebaar humor. Geen enkele laureaat zal echter tussen het Allegro moderato en het Adagio di molto van Sibelius’ concerto borstbollen tussen het hoestende en fluimende publiek gooien. Bij het concerto van Tsjaikovski heb ik nog nooit een violist “Allemaal!” horen roepen. De inzet is te groot. De Brahmssonates worden plotsklaps ernstige muziek. Net zo in topsport. Waar is de kanovaarder die midden in de race onverwacht rechtveert en met heldere tenorstem Lohengrins “Nun sei bedankt” over de watersportbaan keelt? Bestaat er een jury die de overwinning toekent aan de gewichtheffer die net 245 kilo heeft geduwd maar eveneens een meesterlijke, onbedaarlijke wind?
TOMASINO
Deze belangstelling voor het scatologische keert ook terug in “Tomasino”, een roman die Fred in 1995 heeft uitgegeven bij Houtekiet. “Dat is de enige frisse wind die door het boek waait,” schrijft Stef Vanwoensel in de GVA. Maar misschien verwart deze recensent Brouwers’ belangstelling met die van Mozart zelf.
Met deze thriller die zich afspeelt in de muziekwereld treedt Fred in de voetsporen van Jan Broeckx en Jef Geeraerts, zijn grote voorbeeld. Die Tomasino (eigenlijk Thomas Linley) heeft overigens echt bestaan en was een jeugdvriend van Mozart. Het verhaal gaat over een diefstal van een partituur en oorspronkelijk was deze zelfs in de bibliotheek van Bologna gesitueerd. Na “het geval” Van Nevel schrapte Brouwers deze verwijzing. Anderzijds zijn bepaalde karaktertekeningen wel op reëel bestaande figuren (Jan Caeyers en Rudolf Werthen b.v.) gebaseerd, al heeft hij er ook hier weer van afgezien ze iets crimineels te laten uithalen.
NATIONAAL ORKEST VAN BELGIE
Na de staking tijdens de Elisabethwedstrijd uitgelokt door de coöperatieve die instaat voor de verdeling van de opbrengsten van de nevenrechten onder de muzikanten, werd Fred Brouwers in 1989 door toenmalig minister Tobback gevraagd om de leiding (en dus de hervorming) van het NOB op zich te nemen. Hij vond het “inciviek” van te weigeren (ook al omdat hem 200.000fr. bruto per maand werd aangeboden, tegenover 55.000fr. voor de muzikanten) en gaf daarom na een overgangsfase zijn functie bij het Nieuw Belgisch Kamerorkest op om vanaf 1/1/90 intendant van het NOB te worden.
Vooraleer hij intendant was van het N.O.B., was Fred Brouwers dus reeds intendant geweest van het Nieuw Belgisch Kamerorkest. In die hoedanigheid beschuldigde hij er Rudolf Werthen van om voor het orkest van de Vlaamse Opera musici uit het N.B.K. te “ronselen”. “Dat neemt de vorm aan van Amerikaans opbod, een beetje zoals in het voetbal, met aanlokkelijke financiële aanbiedingen” (Het Belang van Limburg, 8/12/88).
Rudolf Werthen in “Humo”: “Brouwers heeft de ‘onnozelaar’ uitgehangen. Hij heeft me een uur lang uitgehoord over het beleid van ‘I Fiamminghi’, zonder daarbij te vertellen wat zijn plannen waren. Daar heeft hij niet over gepiept. Wél, op zijn persconferentie heeft hij mijn woorden in de mond genomen toen hem werd gevraagd naar zijn plannen voor het ‘Nieuw Belgisch Kamerorkest’. Excuseer, ik vind dat onnozel, belachelijk zelfs. Afkomen met ‘Rudi, beste vriend…’ en dan het gras voor mijn voeten wegmaaien: dat doet men niet. Tegenover zo iemand heb ik geen scrupules meer.”
Volgens Fred Brouwers was het probleem van het NOB tot dan toe dat zij altijd “offers they couldn’t refuse” aangeboden kregen. Als staatsinstelling deed men van alle kanten beroep op hen, maar ze kregen dan wel een programma, een dirigent en soms zelfs een solist voorgeschoteld, die te nemen of te laten was, zodat alle artistiek perspectief verdween. Chefdirigent Zollman wilde, om toch een zekere selectie te maken, de vraagprijs voor het orkest optrekken tot 175.000 fr.
Anderzijds was niet iedereen even enthousiast over Zollman. Volgens Fred Brouwers werd-ie zelfs door de muzikanten weggehoond. En er was ook het “incident” met Jos Van Immerseel, die blijkbaar uit geen enkel artikel over klassieke muziek kan worden gebannen. Tijdens de Elisabethwedstrijd 1991 wees hij BRT-presentator Fred Brouwers op de slechte prestatie van “het stel ambtenaren” in het orkest. Zich niet realiserend (zo meen ik toch) dat Fred tegelijk ook intendant van dat orkest was. Fred trok een pokerface en de discussie ging gewoon verder.
Na afloop werd hij hiervoor getackled door dirigent Ronald Zollman, die het niet nam dat hij de verdediging van “zijn” orkest niet had waargenomen. Maar Fred Brouwers zat daar op dat moment natuurlijk met een andere pet op. “Ikzelf had gedacht dat de twee functies theoretisch verenigbaar waren,” verklaarde hij mij, “maar in de praktijk bleek dat niet zo te zijn. Ik heb daaruit de passende conclusie getrokken en onmiddellijk mijn ontslag aangeboden, wat ik eigenlijk toch al van plan was, want televisiewerk komt bij mij nog altijd op de eerste plaats.”
Maar volgens Fred moet het NOB zeker blijven bestaan en daarom is hij (in tegenstelling tot Bernard Foccroulle) alvast tevreden dat er iets gebeurt. Hij gaat ermee akkoord dat interessante muzikale experimenten meestal in de privé-sector plaatsvinden, maar orkesten om het “grote repertoire” uit te voeren kunnen in ons land (in tegenstelling tot b.v. de Verenigde Staten) nu eenmaal niet bestaan zonder subsidies. België heeft vooral een grote naam verworven in de “authentieke uitvoeringspraktijk” (met Anima Eterna en La Petite Bande b.v.), maar die komen uiteraard voor dit repertoire niet in aanmerking. Zelfs de verdienstelijke orkesten van Jan Caeyers of Rudolf Werthen zijn te klein om die rol op zich te nemen. Daarom moet het N.O.B. zeker blijven bestaan, maar toch kan hij zich slechts zelden terugvinden in het wetsvoorstel terzake van Simonne Creyf (CVP).
Eerst en vooral herkent hij erin de hand van de heer Brassine, voorzitter van de Raad van Bestuur van het N.O.B., ook in de tijd toen Fred er intendant was. Toen heeft hij die man leren kennen als “een echte potentaat”. In Humo zegt hij zelfs dat hij “op het fascistoïde af de Raad van Bestuur leidde”. En dat terwijl hij het medium totaal niet kende. Daarin was hij binnen de Raad van Bestuur echter helaas geen uitzondering. De hele raad kenmerkte zich door incompetentie, maar Brassine onderscheidde zich door misprijzende uitlatingen zoals “les zozos”, zoals hij de orkestleden steevast noemde. In de periode vóór het duo Brouwers-Zollman mocht Georges Octors de vergaderingen van de RvB zelfs niet bijwonen!
De samenstelling van de RvB ligt Brouwers nochtans nauw aan het hart. “Zelfs in een duivenbond is die samengesteld met mensen die het goed menen met de duivensport, niet zo evenwel als het een klassiek orkest betreft!”
Zoals voorgeschreven is die RvB samengesteld volgens het cultuurpact. Daar is op zich niets tegen, alleen blijkt dit in de realiteit voor gevolg te hebben dat hij bevolkt wordt met “apparatchiks” die geen bal kennen van muziek, die er zelfs niet van houden, als men hun (onbestaande) aanwezigheid op concerten in rekening brengt.
In het voorstel Creyf wordt echter op geen enkele manier gegarandeerd dat de nieuwe Raad van Bestuur op een andere wijze zou worden samengesteld. Dat maakt Fred zeer achterdochtig. Hij wijst (terecht) op de verantwoordelijkheid van de diverse partijen terzake.
Anderzijds geeft hij toe dat een RvB die volledig uit experten zou bestaan, die dan een beleid opleggen dat door de artistiek directeur gewoon wordt uitgevoerd, dat dit systeem ook niet werkt. Die experten houden er immers vaak dergelijk tegengestelde opinies op na dat de middelmaat triomfeert als men al niet aan conflicten ten onder gaat. Bovendien is een artistiek directeur die een louter uitvoerende functie heeft, niet gemotiveerd zodat het ook hier mank loopt.
De oplossing is dus een RvB met mensen die het goed menen (in dit geval met het N.O.B.), maar die anderzijds de artistieke directie de grootst mogelijke vrijheid laten. Dit was bij het N.O.B. tot hiertoe zeker niet het geval. Het is geen toeval dat achtereenvolgens Fred zelf het slechts twee jaar, Luc Vanackere één jaar en Denis Stokkink (van de galerij Isy-Brachot, overigens ooit beschuldigd van fraude) ook slechts één jaar heeft uitgehouden. Als voorbeelden dat het kan, verwijst Fred naar de Nederlandse orkesten, die internationaal gezien trouwens veel beter scoren dan de Belgische.
Dat wil niet zeggen dat die artistieke directeur carte blanche moet krijgen. Dat er naast (en eigenlijk onder) hem/haar een financieel directeur wordt benoemd, vindt Fred een goede zaak. Hij vergelijkt dit met de aanstelling van een “manager” voor het onderwijs door Luc Van den Bossche. Of nog: “Eigenlijk moet je ervan uitgaan dat iedere artistieke directeur een Gerard Mortier in spe is. Dat wil dus zeggen dat die in staat moet zijn om een degelijk beleid uit te bouwen, maar dat anderzijds financieel toezicht ook noodzakelijk is.”
Zo’n financieel directeur moet dus de haalbaarheid van artistieke projecten inschatten. Maar dat moet zeker niet gebeuren door de regeringsafgevaardigden zoals dit in het voorstel staat. Fred Brouwers heeft die in de praktijk leren kennen als “incompetente betuttelaars”. Dat ze niet uit de artistieke wereld komen, is misschien nog te begrijpen, maar ze komen zelfs niet uit het bedrijfsleven: het zijn gewoon ambtenaren!
Uit wat voorafgaat zal wel duidelijk zijn dat Fred Brouwers de grootste twijfels heeft over de manier waarop de programmacommissie in art.15 wordt samengesteld.
Anderzijds is hij een absolute voorstander van art.9, waarin in een nieuw statuut voorzien wordt van de orkestleden. “Dat het ambtenarenstatuut voor een artistieke functie niet deugt, is ondertussen genoegzaam bewezen,” aldus Fred. Een normaal arbeidscontract van onbeperkte duur met de nodige opzegmogelijkheden is een must. Voor de overgangsmaatregelen die voorzien zijn voor degenen die reeds het huidige ambtenarenstatuut bezitten verwijst hij naar de maatregelen die werden toegepast bij de overgang van OVV naar VLO.
In het algemeen pleit Fred voor meer middelen voor het orkest. Voor àlle Belgische orkesten trouwens. “Men spreekt zoveel over een Europese norm, wel op orkestgebied zit België ver onder die Europese norm. Ik weet wel dat iederéén meer geld vraagt en dat het moeilijke tijden zijn, maar men moet ergens consequent zijn: ofwel betoelaagt men op een redelijke manier, ofwel stopt men er beter mee. Eén symfonieorkest en één opera-orkest per gemeenschap en dan ook nog telkens een nationaal orkest is een minimum. Zeker als men ermee rekening houdt dat er slechts één omroeporkest meer bestaat.” (En dat is ondertussen ook al niet meer het geval!)
“Het N.O.B. is op dit moment minimaal bezet,” aldus nog altijd Fred Brouwers. “Er dient echt een uitbreiding te komen. Ook de verloning dient te worden opgetrokken om de motivatie te vergroten. Nu is dit immers aanleiding om nog vele aanbiedingen naast het orkest te aanvaarden, waardoor het werk voor het orkest zelf soms bijna op de tweede plaats komt. Bovendien trekken onze beste muzikanten naar Nederland. Er is ook meer geld nodig om betere dirigenten aan te trekken. Nu is er meestal slechts geld aanwezig voor middelmatige dirigenten.”
Het feit dat een orkest beter kan presteren als het door een dirigent gemotiveerd wordt, blijkt met name uit het N.O.B. onder Joeri Simonov, maar ook b.v. uit Alberto Zedda die het Luikse opera-orkest wist op te zwepen of uit de solisten uit het zo verketterde OVV-orkest, die nu in andere orkesten hoge toppen scheren, zoals Eddy Van Oosthuyse, Ivan Dudal enz.
Een fusie hangt reeds lang in de lucht, maar men kan zich afvragen of deze voorgestelde constructie daaraan beantwoordt. Vooral het feit dat één van de drie poten, namelijk het PSK, zelf ook nog eens uit drie poten bestaat (muziek, film, tentoonstellingen), maakt dit conglomeraat wel heel hybridisch. Bovendien kan men ook niet beweren dat het een poging is om de hele biculturele kunstsector te groeperen, want wat doe je dan met b.v. dans en theater die uit de boot dreigen te vallen? Of met de biculturele musea?
Eigenlijk heeft het NOB met het PSK slechts één ding gemeen, namelijk dat het de functie van “huisorkest” vervult. Daar is niets op tegen, dat is integendeel zelfs uitstekend, maar dat is een heel zwakke basis voor een fusie. Het Kon.Filharmonisch Orkest van Vlaanderen heeft ook een concertcyclus in de Singel en er is toch niemand die eraan denkt om de twee te fusioneren?
Bovendien heeft het NOB ook nog andere functies die dan weer niets met het PSK te maken hebben. Wat met de internationale spreidingsfunctie b.v.? Het Rotterdams orkest speelt 150 concerten per jaar en het NOB amper 60!
Over het begrip “artistiek directeur” stelt Fred zich een paar vragen wat het NOB betreft. Is dit noodzakelijkerwijs een dirigent? Luc Vanackere bij het KFOVV is dit alvast niet. Men kan m.a.w. dus ook werken met een chefdirigent. Ook André Laporte en Alexander Rahbari vormden bij de BRTN een dergelijk goed samenwerkend team.
Anderzijds lijkt art.7 erop te wijzen dat men wel degelijk een (buitenlands) dirigent voor ogen heeft. De mogelijkheid om daar dan een jong Belgisch dirigent als assistent aan toe te voegen, wordt door Fred Brouwers zwaar toegejuicht. Alleen zou hij de “mogelijkheid” liever veranderd zien in een “verplichting”. Als voorbeelden geeft hij de manier waarop Grant Llewellyn (KFOVV) is kunnen groeien onder de vleugels van Seiji Ozawa in Boston of hoe Patrick Davin of Jan Caeyers zo’n assistent-functie zouden aankunnen.
Als denkoefening lanceert Brouwers ook nog de gedachte van een omvorming van het NOB tot een Europees orkest. “Tenslotte is Brussel toch de hoofdstad van Europa?” Zelf vraag ik me wel af, hoe dit orkest zich dan zal verhouden tot b.v. the European Chamber Orchestra?
Fred Brouwers biedt tenslotte aan om de tekst aan een scrupuleuzere lezing te onderwerpen mocht dat noodzakelijk zijn en volgens zijn eigen logica is hij ook kandidaat voor een RvB-functie, maar dan wel slechts nadat zijn functie bij de commissie voor muziektheater is afgelopen.
KLARA
Met de omvorming van Radio 3 naar Klara koos Fred in 2001 echter resoluut voor een radio-carrière. Bij de “die-hards” was er veel tegenkanting tegenover de filosofie die achter Klara schuil ging. Zelf kon ik me daar niet echt in terugvinden, maar ik was wel een hevige tegenstander van het afschaffen van mijn geliefde “Tafelmuziek” op de middag en de vervanging door een praatprogramma dan nog wel! Alhoewel ik nu wel geregeld naar “Ramblas” luister (wat alvast een verbetering is tegenover het oorspronkelijke programma van Chantal Pattyn), dan is dat toch meestal omdat ik gewoonweg te lui ben van zender te veranderen of een CD op te zetten. Want ik vraag me nog altijd af vanwaar de waanidee afkomstig is dat een mens bij zijn soep en patatten liever gezwets hoort dan aangename muziek.
Enfin, oorspronkelijk probeerde ik dus Fred Brouwers voor mijn wagen te spannen, maar dat lukte niet. Ik deed dat met de volgende mail: “Tot nu toe heb ik me niet gemoeid met de discussie rond Klara om de eenvoudige reden dat ik, als één van de grote tegenstanders van de afschaffing van Tafelmuziek, plotseling de tegenstanders van Klara in het algemeen als bondgenoten in de schoot kreeg geworpen. Eigenlijk ging het hier om een monsterverbond, want ikzelf trachtte juist te argumenteren dat Tafelmuziek volledig binnen de nieuwe filosofie van Klara paste, terwijl de intello’s zoals ik ze maar gemakshalve zal noemen eigenlijk juist in hun nopjes zouden moeten zijn met het praatprogramma van Chantal Pattyn (al twee keer Josse de Pauw en de uitzending over “de intuïtieve aanpak” van Frie Leysen wordt zelfs heruitgezonden! Heerlijk, zo kunnen ze tweemaal masturberen.)
Vandaar dat ik nu reageer op je uitspraak in Humo: “Denk je nu heus dat wij ongevoelig zouden zijn voor iemand die ons met een goed beargumenteerd schrijven iets diets maakt?”
Ja dus! De Führer (scheldproza!) Couvreur heeft letterlijk gezegd dat de liefhebbers van Tafelmuziek desnoods op hun hoofd mogen gaan staan: het komt niet terug. Met andere woorden: argumenten of niet, IK heb het zo beslist en daarmee uit.
P.S. Speel deze mail met plezier door naar alle betrokkenen a.u.b.!!!”
Het antwoord van Fred: Radio maken is keuzes maken. Voor elk programma dat je brengt heb je mensen die het goed vinden en mensen die dat niet doen. Tafelmuziek terugbrengen zou de voorstanders van de huidige formule ongelukkig maken. Die zijn er heus hoor. Ik bijvoorbeeld. Snappen jullie dan niet dat er geen radio voor ieder individu apart kan worden gemaakt waarin iedereen zich altijd 100% terugvindt. Wij hebben voor een bepaald programmaschema gekozen en daar gaan we ons ten volle voor inzetten. Ik antwoord op deze mail omdat jij het bent en ik je erg waardeer en omdat jij niet bij degenen hoort die ons met scheldtirades de huid volkipperen. In die contekst – je moest het allemaal lezen! – begrijp ik de wat boude reactie van Walter (Couvreur, bij wie ik geprotesteerd had) perfect. Maar goed, ik stop mijn energie in het maken van een goed programma in een goed net waar ik enorm in geloof. Opmerkingen zijn voor de rest altijd welkom. Van dit word ik echter niet veel wijzer. Bijvoorbeeld de sneer alweer aan het heruitzenden van Chantal. Zijn jullie echt van slechte wil? Hebben jullie er nooit bij stil gestaan hoe vaak dit bij die ‘fantastische’ Radio 3 gebeurde?
Hierop – en vooral op de veralgemenende “jullie”, waarmee Fred me aansprak – had ik natuurlijk mijn antwoord klaar: “Bedankt voor je reactie, Fred, ook al helpt ze me niets vooruit. (“me” klinkt dan wel individueel, maar we zijn echt wel met velen die Tafelmuziek terug willen). Slechts één opmerking: ik heb niets tegen herhalingen bij Chantal (ik luister er toch niet naar, dus wat kan het mij schelen), maar ik wou er enkel op wijzen dat het weer typisch de namen uit “de Brusselse kliek” zijn die steeds terugkeren. Je zou overigens naief zijn om die te verdedigen, Fred, want je weet heel goed dat je bij die mannen (vrouwen zijn daar ook mannen) niet in de bovenste schuif ligt. Maar daar gaat het eigenlijk allemaal niet om, ik wil niet terug naar vroeger, ik wil alleen Tafelmuziek terug en dat kan perfect binnen de filosofie van Klara. En al hou ik dan zelf niet van Chantal, ik vind wel dat haar programma moet kunnen, maar enkel vanaf de vooravond.”
Anderhalf jaar later (op 4 november 2002 om precies te zijn) had ik me neergelegd bij het feit dat Tafelmuziek nooit meer zou terugkeren en daarom had ik het met Fred over iets helemaal anders: “Ik was erg blij met de opmerking van auteur Dimitri Verhulst die bij jou te gast was en die via… James Last tot de klassieke muziek is gekomen. Nu is James Last wel “the worst of the worst”, maar daarom is de bewijskracht zo van belang voor de fameuze Helmut Lotti-discussie. Hiermee refereer ik aan de zware discussies die ik destijds heb moeten voeren ter gelegenheid van de eerste “Lotti goes Classic”. Ik geef toe dat het feit meespeelt dat ik Helmut nog als klein jongetje heb gekend bij de wielertoeristen, evenals het gegeven dat ik hem wel een goede rocker vind (zijn Elvis-plaat valt door de schmalzerige arrangementen wat tegen maar in Lalala-live heb ik hem ooit niemand minder dan Raymond van het Groenewoud weten in de verdrukking zingen!), maar het punt was vooral: houdt Lotti nu de mensen van klassiek weg of brengt hij ze er juist naartoe? Zelf was ik eerder geneigd tot de tweede stelling, al was mijn overtuiging vooral dat het succes van zijn plaat in deze tijden van rap en hiphop aangaf dat vele mensen nog altijd hunkeren naar een mooie melodie (overigens een gegeven dat men op dit moment ook niet luidop mag poneren in de klassieke wereld). Tenslotte ben ikzelf ook via The Nice tot de klassieke muziek gekomen en dat is nu ook “absolutely not done”. Ik geef toe dat ik de Nice-verzamelcd die ik liggen heb eerder spaarzaam draai, want er staat veel rommel op, maar sommige stukken (de Karelia-suite bijvoorbeeld) blijven toch tot mijn favorieten behoren. Daarom ook dat ik, met alle respect, de oekaze van Pieter Andriessen destijds dat Lotti niet op Radio 3 mocht worden gespeeld zo belachelijk vond. Niet dat ik vind dat Radio 3 of Klara Lotti moet spelen (verre van zelfs), maar ik heb nu eenmaal nog altijd een beetje de reflex dat het “verboden is te verbieden”. Ik was dan ook erg blij met onze vriend Yves Knockaert die Lotti toch speelde in zijn uitstekende reeks “Novecento”!”
En het antwoord kwam terstond: “Ik moest eigenlijk niet zo bijdraaien wat Helmut betreft. Ik heb hem altijd een verstandige, bescheiden en vaak grappige jongen gevonden met een enorm veelzijdige stem. Zijn ‘classic’ repertoire is niet het mijne, maar ik ben wel ‑ op zijn vraag ‑ naar de opname van zijn eerste CD geweest. Wat hij op het Elisabeth-concours zei was absoluut niet dwaas, soms intelligenter dan wat uit het zogenaamde expertenpanel kwam, dat vaak meer interesse had in mekaar elegant afmaken dan in een goede analyse. Dat we geen Wally‑effect beoogden, zullen ook de gasten van de volgende dagen duidelijk gemaakt hebben.”
Ondertussen heeft Fred zijn ochtendprogramma met zijn eigen naam geruild voor het namiddagprogramma met de al even welluidende naam van “Ludwig”. Ook over die wijziging moest ik natuurlijk weer mijn zegje doen: “Alhoewel ik vind dat je je in het namiddagprogramma minder kunt profileren dan vroeger in de ochtend, slaag je er telkenmale toch weer in om me iets bij te brengen. Enige tijd geleden was dat over Fritz Wunderlich en Sylvia McNair, nu weer over Barbara Bonney. Dank hiervoor. “
En om af te sluiten dit mooie antwoord: “Dat profileren lukt wel hoor. Ik kom stilaan onder stoom. Zo’n nieuw uur is wat aanpassen op allerlei vlakken, bioritmisch is het al heel wat anders dan vroege ochtenden, en ook wel zoeken naar de juiste toon en verhoudingen, want een programma ontwerp je in je hoofd en op papier maar dat van de ‘pudding’ en de ‘eating’ geldt ook voor programma’s! Maar ik vind het heerlijk! Na zes jaar was wat afwisseling welkom. En ik heb een schitterend tweespan muzieksamenstellers. Jij ook bedankt voor je reactie want dat blijft een mens goed doen!”

Referentie
Ronny De Schepper, De politiek van Politheek, een gesprekje met samensteller Fred Brouwers, De Rode Vaan, 19 april 1979
Ronny De Schepper, Parlando con Alfredo Brouwers (ma non troppo), De Rode Vaan nr.31 van 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.