Vandaag is het al 35 jaar geleden dat de Amerikaanse filmregisseur George Cukor is overleden. Hij stond bekend als een typische “vrouwenregisseur”, al was hijzelf homoseksueel. Een typisch voorbeeld was “The Women” uit 1939. In deze film kwamen 135 sprekende rollen voor, alle vertolkt door vrouwen. De voornaamste ervan waren Norma Shearer, Joan Crawford, Rosalind Russell en Paulette Goddard.

“The Women” is een ernstige film, maar Cukor was toch vooral bekend voor zijn komedies, meer bepaald de zogenaamde “screwball comedies”. Een screwball is een term die uit baseball afkomstig is, namelijk “een bal waarmee men alle kanten op kan”. En in feite is dat ook het thema van een screwball comedy: van bij de aanvang is het duidelijk dat de twee personen (uiteraard van verschillend geslacht) “voor elkaar gemaakt zijn”, maar ze zijn zozeer elkaars tegengestelde dat het niet duidelijk is hoe dit ooit gaat gebeuren. Men heeft hier ook de reden gezocht waarom dit genre nu juist zo populair was in een periode van economische crisis. Ondanks alle moeilijkheden heeft men immers toch de zekerheid dat het goed afloopt.
Vergeten we ook niet dat die moeilijkheden vaak ook klassenverschillen waren! En dan was het meestal de man die lager op de sociale ladder stond dan de vrouw. De vrouwen in screwball comedies zijn trouwens meestal de meerdere van de mannen. Ze zijn geestiger, ondernemender, soms zelfs intelligenter, al eindigt het natuurlijk wel plichtsgetrouw in een huwelijk, waarbij de vrouw haar eigen carrière opzij zet en moeder aan de haard wordt. In “Adam’s rib” (George Cukor, 1949) b.v. komen Spencer Tracy en Katharine Hepburn als advocatenechtpaar tegenover elkaar te staan in een proces over een poging tot moord. Het geheel mondt uit in een onwaardige farce, misschien omdat de plot de realiteit een beetje te dicht op de hielen zat. Spencer Tracy en Katharine Hepburn hadden immers 27 jaar lang een buitenechtelijke verhouding omdat Spencer Tracy “als goede katholiek” niet van zijn vrouw wilde scheiden. Maar hij wilde “als goede katholiek” wel naast het potje pissen blijkbaar! En dààr gaat nou precies de film over: een vrouw die overspel pleegt, zou er minder makkelijk vanaf komen, zij het dan dat deze stelling juist wordt “bewezen” door het omgekeerde, namelijk een vrouw die haar overspelige man tracht te vermoorden en Hepburn kan een (onwaarschijnlijke) vrijspraak bekomen, waarna voor de foto’s van de verzamelde pers niet enkel het “gelukkige gezinnetje” wordt herenigd, maar ook de minnares krijgt “een plaatsje” binnen het familieportret. De hypocrisie ten top!
Diezelfde Katharine Hepburn mag in “The Philadelphia Story”, eveneens van George Cukor, maar dan bijna tien jaar eerder uit 1940 weliswaar een hele film lang het vrijgevochten (rijke) vrouwtje spelen, maar uiteindelijk kiest ze toch voor de conventie door haar eerste man (Cary Grant) boven de artistieke bohémien (James Stewart) te stellen.
Toch is het “progressieve” aan deze film dat Grant (die hierin Katharine Hepburn voor de tweede maal trouwt) zich blijkbaar veel minder zorgen maakt over het dronken nachtje dat Stewart en Hepburn samen doorbrachten dan de oorspronkelijke echtgenoot-in-spe. Dat deze nouveau riche in de macht is van bladen als “Dag Allemaal”, waartegen de Eastcoast-elite (om te weten wat ik onder deze term versta kan ik naar het boek “The age of innocence” van Edith Wharton verwijzen, of beter nog naar de verfilming ervan door Martin Scorsese) samenzweert, wordt al te gemakkelijk als negatief beschouwd, terwijl het anderzijds toch ook zijn afkomst als mijnwerker zou kunnen zijn. Daar stelt men dan tegenover dat de berooide schrijver wél door de betere kringen wordt aanvaard, omdat hij brains heeft. Maar wat dan met de voortdurende toespelingen op het feit dat hij wel eens iets van de bruidschat zou kunnen meepikken. Conservatief is alleszins hoe fotografe-kunstenares Ruth Hussey toch voor de bijl gaat voor Stewart, ondanks het feit dat hij vóór haar ogen een huwelijksaanzoek doet aan Hepburn.
Het feit dat Hepburn op vijf minuten tijd driemaal van huwelijkspartner verwisselt, wordt door sommigen wel afgedaan als kritiek op de instelling als een pure bourgeois-instelling en men verwijst daarvoor naar de komedies van Oscar Wilde. Inderdaad, gebaseerd op het toneelstuk van Philip Barry (voor de film bewerkt door Donald Ogden Stewart, die dit ook al had gedaan voor “Holiday”, een andere film van Cukor, waarin Hepburn en Grant een paar vormen) zijn het vooral de dialogen die deze screwball comedy redden. En zeker niet de schmalzerige bij de jazz aanleunende muziek van Franz Waxman.
Nog in 1940 was er “The Two-Faced Woman” van George Cukor, waarin Greta Garbo de skilerares is van miljonair Melvyn Douglas. Het is een beetje onbegrijpelijk waarom deze “sophisticated comedy” flopte, maar het zette alleszins de toon voor wat komen zou.
Een jaar later draaide Cukor “Born yesterday”. De rol van het spreekwoordelijke domme blondje bezorgde Judy Holliday destijds een oscar. Haar mannelijke tegenspelers zijn Broderick Crawford als de rijkaard die vindt dat zijn vriendinnetje een beetje cultuur nodig heeft en William Holden is de leraar die haar ernstig neemt. Een mislukte zedenkomedie waarin duidelijk wordt gemaakt dat fysieke schoonheid en intelligentie niet noodzakelijk elkaars tegenpool zijn.
George Cukor was ook de regisseur van de eerste “officiële” draaidagen van “Gone with the wind” (de kennismaking met Scarlett, het bal, waarop men nota bene op een bewegende vloer danste, omdat Clark Gable een hark is als danser). Na tien dagen hadden ze nog maar 23 minuten film, waarvan er dan nog tien opnieuw moesten worden gedraaid. Ook het ritme van de film zelf lag volgens producer David O.Selznick veel te laag. Cukor wijdde dit aan het script en wilde opnieuw werken met het originele script van Sidney Howard dat door Selznick bijna onherkenbaar was verminkt. Ondanks het feit dat ze in het gewone leven bevriend bleven, stuurde Selznick Cukor toch de laan uit. “Nu is het enige wat ik aan deze film leuk vond ook nog verdwenen,” zuchtte Vivien Leigh.
Ook tijdens de opnames van “Let’s make love” ging het mis. Regisseur George Cukor had er al geen goed oog in en ook Simone Signoret (pas oscarwinnares voor “Room at the top”) zei het al: de titel van de film was een “omen”. Het was nochtans via haar vriendschap met Arthur Miller (zij had “Les sorcières de Salem” gecreëerd in Parijs en de hoofdrol gespeeld in de film die Raymond Rouleau ervan gemaakt heeft) dat haar man Yves Montand de rol van “millardaire” (zoals de film in Frankrijk zou heten) had binnengehaald. Tegen zijn zin (maar goed betaald) wordt Miller binnengehaald om het krakkemikkige scenario wat op te vijzelen. Op de koop toe doorbreekt hij daarmee een staking van de scenaristen, wat zijn vrouw Marilyn Monroe niet zinde. Het verhaal gaat dat ze daarom hem bedroog met de mannelijke hoofdrolspeler Yves Montand, die op zijn beurt hiermee Simone Signoret bedroog, maar als je’t mij vraagt: “Les excuses sont faites pour s’en servir.” George Cukor van zijn kant vond dat Yves Montand vreselijk acteerde (zijn Engels was alleszins abominabel) en dat Marilyn Monroe onuitstaanbaar, zo niet gewoon krankzinnig was. Het zal dus ook in zijn ogen wel niet z’n beste film zijn.
Op het moment van haar dood was Marilyn Monroe overigens opnieuw aan een film van George Cukor aan het werken, “Something’s got to give”, die dan ook niet werd afgemaakt. Het zou nochtans de enige film geworden zijn waarin ze helemaal naakt te zien was. Ongevraagd draaide ze de scène in het zwembad immers zonder badpak. Dat was wel de enige dag van de voorziene veertien dat ze was komen opdagen, waardoor twee miljoen dollar aan draaidagen was verloren gegaan. Cukor (die haar – zie hoger – niet kon uitstaan) en de bazen van Fox konden er dan ook niet mee lachen en dreigden haar te ontslaan. Die waren immers nog niet bekomen van het débâcle van “Cleopatra”. De Griekse directeur van 20th Century-Fox Spyros Skouras begint te panikeren en ontslaat ze, de film wordt nooit afgemaakt en Monroe overlijdt een maand later. Volgens sommigen heeft dit bijgedragen tot haar zelfmoord.
Voor “My fair lady” (1964) werd Audrey Hepburn verkozen boven Julie Andrews, die de rol in het theater had gecreëerd. Dit maakte zoveel ophef dat de producers “voor alle zekerheid” nadien de stem van Audrey voor de liedjes vervingen door die van Marni Nixon. Met alle sympathie voor mooie Audrey (zéker tegenover Andrews), maar haar muzikale exploten in “Breakfast at Tiffany’s”, waarin ze “Moon river” kweelde, waren toch niet echt om over naar huis te schrijven. Ondertussen bestaat er trouwens ook een kopie van “My fair lady”, waarin men wél haar stem kan horen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s