Op 8 januari 1948 bezochten Laurel en Hardy Gent, meer bepaald de Capitole. Hélène Maréchal is de vrouw in het midden op de foto. Dat was in het kader van een tournee door België, zelfs door Europa in ’t algemeen. Toch heb ik geen beschrijving kunnen vinden van wat ze dan eigenlijk wel deden (ook niet elders: ik had anders wel verondersteld dat ze overal wel ongeveer hetzelfde brachten).

Dat jaar componeert Charles Schollaert de “Buffalomars”, het clublied van La Gantoise.
In maart 1950 zou Josephine Baker nog eens de Capitole aandoen, net als Maurice Chevalier (1889-1972), die er niet minder dan vijf keer optrad. Albert Warie (°1923) stapte in die tijd over van filmoperateur in een wijkbioscoop (Novy) naar de Capitole en vertelt hierover in De Gentenaar van 16/6/2000 een leuke anekdote: “Chevalier was een heel veeleisend man. Onze elektricien Edmond Rombaut was een echte Gentenaar en toen Maurice Chevalier weer eens een opmerking maakte, repliceerde die in ’t platste Gents: ‘Joa moar, as t’azzu es, kan t’jij mijn kluuten kussen.’ Hij dacht dat Chevalier dat toch niet zou verstaan, maar Chevalier had vrienden in Gent, de toenmalige exploitanten van Hotel De IJzer. Hij kwam wel eens incognito naar Gent en dan trokken ze vaak naar d’Oude Hoeve in Deurle. Wij dachten dat hij ’s avonds van zijn oren zou maken, maar hij klopte de elektricien op zijn schouders en vroeg: ‘Comment ça va?’ Hij heeft daar nooit iets over gezegd. Die twee konden het later goed vinden met elkaar.”
Een brasserie waar klassieke en jazz-ensembles optraden was die van Jean Daskalides (1922-1992), filmregisseur, gynecoloog, pralineproducent en… jazztrompettist. In de jaren twintig had zijn Griekse familie Constantinopel ontvlucht, nadat de Turken er Istanboel hadden van gemaakt, om zich in Gent te vestigen. Daar leidde hij tijdens de Tweede Wereldoorlog een big band met o.a. aan de drums Miel Rooms, de latere speaker in ’t Kuipke, en op de klarinet Leo Martin (eigenlijk Leon De Waegenaere, 1925-1993, in Antwerpen geboren, woonde hij lange tijd in Sint-Amandsberg). Hij studeerde klarinet aan het Gentse conservatorium en kon zo o.m. terecht in het orkest van Willy Rockin, dat de spektakels begeleidde in de Ancienne Belgique in de Veldstraat. Later werd hij hiervan zelf de leider. In 1958 nam hij de leiding van de big band van Boyd Bachman over, die hij tot 1972 leidde. Toen begon hij een carrière van komiek samen met Gaston Berghmans, waarmee hij o.a. ook een aantal films maakte. Een ander belangrijk lid van het orkest van Willy Rockin was Roger Renard (Roger De Vos, 1931-2006).
Bij het Metro Dansorkest daarentegen speelde Maurice Pauwels (°1929), die zichzelf accordeon en gitaar had geleerd. Daarnaast had ook hij aan het conservatorium hobo gestudeerd. Als hoboïst werkte hij bij de muziekkapel van de zeemacht en bij de Gentse opera, als gitarist bij het Welfare-dansorkest en het kwartet John Blarney. Hij leidde ook de Navy Big Band. Soms gebruikte hij het pseudoniem Morris Jane. Hij componeerde ook. Zowel marsen als “The chairman” als muziek voor de Gentse hardrockgroep Ostrogoth!
In 1954 wordt Léon Torck (1903-1969) benoemd tot directeur van het conservatorium, terwijl Karel Locufier directeur was van de opera. Hij was het die in 1969 Koen Crucke ontdekte toen die met een combo optrad op de Gentse Feesten.
In tegenstelling tot Antwerpen was de Gentse opera een vzw die voor z’n eigen inkomsten moest instaan. Daarom moest Bart Lotigiers (7/2/1914-4/2/1995), de grootvader van Helmut Lotti, wel publieksvriendelijk programmeren (wat hem overigens een grote populariteit opleverde), maar waardoor het operaleven in Gent stagneerde. Zelfs Mozart werd niet meer gespeeld in Gent!
Tijdens de directie van Bart Lotigiers weigerde Vina Bovy nog een voet in de opera te zetten, “maar meneer Locufier, dat was een mens met een groot hart!” (De Gentenaar, 13/9/1978)
Ook Luigi Martelli (1920-1996) kon op haar steun rekenen. Luigi Martelli was de laatste onafhankelijke directeur van de Gentse Opera (1978-1981). Geboren op 6 juni 1920 studeerde hij piano, koormuziek, compositie en orkestdirectie aan het Verdi-conservatorium van Milaan en het was dan ook haast vanzelfsprekend dat hij zijn carrière startte als repetitor in de Scala. Vanaf 1953 tot 1958 was hij vaste dirigent van de Gentse opera en van 1958 tot 1978 van de Antwerpse opera. Daarna werd hij directeur van de Gentse opera. Door het feit dat hij o.a. Montserrat Caballé, José Carreras, Marilyn Horne en Carlo Bergonzi voor concerten naar Gent kon halen, werd hij erg populair bij het Gentse publiek dat zeer afwijzend reageerde toen hij in 1981 aan de kant werd gezet om plaats te maken voor de Opera voor Vlaanderen. Hij is overleden in mei ’96.
In alle Europese landen begon in die tijd het succes van de variétézalen af te nemen, al zouden nog tot in de jaren zestig deze zalen van groot belang zijn voor de circusartiesten. Tijdens de winterperiode, van begin november tot half maart, werden er immers geen tentvoorstellingen gegeven zodat zij in die periode ook een inkomen konden verwerven in de variétéwereld. Eind de jaren vijftig, begin de jaren zestig, verdwenen deze zalen echter één voor één, vooral onder druk van de opkomst van de televisie en de grote exploitatiekosten. Duitsland is daarop echter één van de uitzonderingen. Daar zijn de variététheaters nooit echt verdwenen en kent een aantal onder hen het hele jaar door nog steeds een succesrijk en bloeiend bestaan. Zelfs nieuwe theaters openen er hun deuren tot grote voldoening van de talrijke circusartiesten die er aan hun trekken komen. Tot de meest bekende variététheaters bij onze oosterburen behoren het Tigerpalast Varieté Frankfurt, Hansa-Theater Hamburg, Dinner-Varieté Platzl’s München, Varieté Pegasus Bensheim, Weltvarieté Leipzig, Georgspalast Essen en Hannover. In Gent zijn alle zalen echter verdwenen, vaak nadat ze een ommetje hadden gemaakt als filmzaaltje. Dat is ook een tijdlang het geval geweest met de Capitole. Het laatste optreden in de “oude” Capitole werd in 1963 gegeven door Mireille Mathieu.
Ondertussen had in 1960 Roger Piers van de Drei Charels de Ancienne Belgique in de Veldstraat overgenomen en speelde daar tot 1968.
Nog in 1963 werd in Gent door Claude Coppens, Herman Sabbe, Pierre Bartholomée, Philippe Boesmans, Lucien Goethals, André Laporte, Norbert Rosseau, Karel Goeyvaerts, Jan Broeckx en Louis De Meester de Spectra-groep opgericht om de hedendaagse muziek te propageren. Bij de voorstelling in het kasteel van Beernem is geen enkele Vlaamse krant aanwezig. Wel Nederlandse.
GEEN AGNETA VAN ABBA IN GENTBRUGGE
Op 20 januari 1966 werd de Lazy River Jazz Club opgericht door Jean-Pierre De Smet en William Wauters. Dat was toen in het Hazewindstraatje naast het postgebouw op de Koornmarkt. De Club was voortgesproten uit een aantal jazzliefhebbers die elkaar hadden getroffen op concerten van Louis Armstrong en Lionel Hampton in het Kuipke. Deze concerten werden georganiseerd door de Culturele Kring van de Socialistische Partij. Eén van de grote promotoren hiervan was Gilbert Temmerman, de latere burgemeester van Gent. Hij zou ook altijd één van de steunpilaren van de Lazy River Jazz Club zijn.
Oorspronkelijk was het de bedoeling een “Jazz band” te vormen. Omstandigheden maakten dit onmogelijk. Toen besloten beide leraars om enkele jazzavonden in te richten tot hun eigen vermaak. Het bleek spoedig ook talrijke Gentse jazz liefhebbers te vermaken. De start in het Hazewindstraatje bij de Korenmarkt was veel belovend. Optredens van John Handy, Albert Nicholas, Benny Waters, Fats Sadi en anderen droegen bij tot het succes.
Na anderhalf jaar verliest de Club echter haar lokaal en zit ze ook in zware financiële problemen. Etienne Hublau en Christian Collard reageren op een oproep van voorzitter Jean-Pierre De Smet en stellen voor dat de leden het financieel tekort aanzuiveren. Dat gebeurt en de twee treden toe tot het bestuur, resp. als ondervoorzitter en penningmeester.
Voor de concerten gaat men de hort op: eerst in de Club Nautique aan de Watersportbaan, daarna in zaal Fox, opnieuw op de Koornmarkt, en later in de Leo Tertzweillaan te Gentbrugge. Ondanks de verhuisperikelen ontstond er een nieuwe dynamiek, met als resultaat een groot aantal solisten die richting Gent afzakten: Alvin Alcorn, Louis Nelson; Dexter Gordon, Cecile Forde, Lillian Boutté, Freddy Kohlman, Chris Burke, Chris Blount.
De problemen blijven zich echter opstapelen, een vaste concertzaal is noodzakelijk. Die wordt uiteindelijk gevonden in de kelders van de oude brouwerij Van Hecke in Gentbrugge, dankzij het feit dat Etienne Hublau de bovenliggende ruimtes afhuurt als atelier.
roel-en-paul2In het magische jaar 1969 organiseerde de Universitaire Jazzclub van Patrick De Grote een festival van avant-garde jazz in het Gravensteen (sinds 2002 trekt men daar tijdens de Gentse Feesten opnieuw naartoe voor het Blue Note Festival). Organisator Paul Van Gysegem (rechts op de foto naast dichter Roel Richelieu Van Londersele) speelde er samen met mensen als Mal Waldron, Fred Van Hove en Steve Lacy. Er was toen ook al spraken van “wereldmuziek” avant la lettre met de Senegalese drummer Tidiane Fall. De toen nog alom tegenwoordige BOB zocht er doorzichtig vermomd als jazzliefhebber naar drugs.
De liefhebbers van “oude stijl” jazz bleven uiteraard op hun honger en dat was de aanleiding om een jaar later de Internationale Jazzmeeting in Gentbrugge te organiseren met Rhoda Scott als grootste naam op de affiche.
Het avant-garde festival ging reeds in 1972 ter ziele, maar in Gentbrugge gaat men nog steeds lustig door, zonder dat de programmatie ook maar enigszins werd beïnvloed door de gewijzigde omstandigheden. De organisatoren zijn weliswaar terecht fier op het feit dat zij geregeld groepen uit het buitenland naar hier halen, maar soms worden ze daar zo euforisch door dat ze gaan overdrijven. Zo wordt in het programmaboekje van het jaar 2000 met fierheid aangehaald dat zij ooit de Zweedse groep Scanjazz naar Gentbrugge hebben gehaald. Dat is natuurlijk waar en ongetwijfeld was de zangeres Agneta Engström een ranke blonde schone, zoals we dat in die contreien gewend zijn. Vandaar echter naar besluiten dat dit dezelfde Agneta was als die van de latere Abba, is een beetje te voorbarig. Voor zover we weten, heette mevrouw Agneta Ulvaeus immers wel degelijk Agneta Fältskog vooraleer ze met haar Björn trouwde…
In 1975 dient de Lazy River Jazz Club zijn lokaal in Gentbrugge te ontruimen, maar dankzij de nieuwe voorzitter (sinds 1971) Etienne Hublau wordt de lokatie aan de Kantienberg gevonden. Naast de politieharmonie kan hier nu ook de Lazy River Big Band repeteren die een jaar eerder werd gesticht door Frans Delarue. Hublau wil ook de kans geven aan jonge Vlaamse jazzmusici zoals Philippe Venneman, Marc Matthijs, Patrick Mortier en zelfs Dirk Brossé, maar wordt teruggefloten door zijn bestuur.
Dit euvel wordt verholpen als in 1976 het Uilenkot in de Sint-Denijslaan (buurt van het Sint-Pietersstation) wordt geopend door de legendarische Opa Tuur, al dient gezegd dat in de eerste jaren bijna uitsluitend folk- en bluesartiesten optraden. Vanaf 1985 stond er echter enkel nog jazz op het programma. In 1996 werd het Uilenkot gesloopt om een verkeersknoop te ontwarren en nam Opa Tuur zijn intrek in de voormalige dancing “The Queen” aan de Citadellaan. Deze keer noemde Opa Tuur zijn café gewoon “Opatuur”.
Ondertussen was sedert 3/2/1978 op de Koornmarkt het aloude café Het Damberd tot een jazzcafé “omgeturnd”. “Sinds 1750 is hier ononderbroken een café gevestigd onder de naam Damberd. Dammen was toen een populair tijdverdrijf. Het gebouw zelf dateert uit de 13de eeuw en heeft nog dienst gedaan als graanopslagplaats,” aldus jazz-bassist Paul Feyaerts (°1947) in de Gazet Van Antwerpen van 26/2/2008.
Feyaerts ging in 1979 als barman aan de slag in het Damberd en enkele jaren later nam hij de zaak over. “De Korenmarkt was toen een katholiek bourgeoisbastion. Het Damberd was een van de vele bourgeoiscafés. Maar de bazin was 77 jaar en stelde haar herberg te koop. Die is toen overgenomen door Guido Bass, een Zwitser die een studentencafé had.”
“In het begin hadden we veel last met de politie. De burgerij zag dat niet zitten. Dat langharig, werkschuw tuig naast hun deur! (…) We zijn een echte bruine kroeg. Het interieur is sinds 1936 niet wezenlijk meer veranderd. De negen schilderijen met stadsgezichten in sepiatechniek aan de muur zijn zelfs beschermd.”

Misschien zal dat ooit ook nog eens het geval zijn voor de schilderijen van jazzgrootheden door Patrick Streulens, want in totaal organiseerde Feyaerts ongeveer 800 concerten, waarvan de bekendste namen allicht Archie Shepp, Lee Konitz en Ronald Shannon Jackson zijn. “Free-jazz was toen niet zo geliefd en de dollar stond laag. Nu is dat financieel niet meer haalbaar. (…) Nu richten we ons vooral op de aankomende generatie jazzmuzikanten. Daarmee is de cirkel rond. Toen we begonnen, waren er nog geen jazzscholen. Daarom hield de jammerlijk verongelukte tenorsaxofonist Philippe Venneman boven het café jazzworkshops voor jonge muzikanten.”
Sympathiek is dat Feyaerts in De Gentenaar van 1/2/2008 nog eens met lovende woorden over de Sixties spreekt, want “het moment nadert waarop je nog beter fout in de oorlog geweest kan zijn dan een mei-achtenzestiger” (Jan Leyers in Humo van 6/12/2005): “Ik ben zeer blij dat ik dat heb mogen meemaken. De dynamiek die dat heeft teweeggebracht in onze Westerse beschaving is niet te meten. Piet Van Eeckhaut vergeleek de impact ooit met die van de Franse revolutie.” In datzelfde interview stelt hij ook nog: “We zijn heel populair bij Erasmusstudenten en zeker bij de Spanjaarden. Die Zuiderse mensen herkennen de sfeer.”
Ondertussen is de Lazy River Jazz Club in 1986 voor een laatste (?) keer verhuisd: deze keer naar de vroegere kelder van het Arcatheater, gelegen in de Hoogstraat, onder het Novotel. In 1989 neemt Hublau ontslag. Hij weet zich nu immers verzekerd van het voortbestaan van de club.
TOEGEPASTE ZWAKSTROOM
Ondertussen was in 1968 Gabriël Verschraegen (1919-1981) aan het hoofd gekomen van het Gentse conservatorium. Een nieuw koninklijk besluit in 1973 trekt de leeftijd om toegelaten te worden tot het conservatorium op: men moet tenminste 15 jaar oud zijn, voor zang zelfs 17 jaar. Toch zijn er nog altijd zo’n 500 leerlingen.
De Gentse componist Norbert Rosseau (geboren in de Van Eyckstraat) schenkt in 1970 zijn collectie oude instrumenten aan het conservatorium.
In 1982 wordt Johan Huys (°1942) directeur van het conservatorium. Hij zal later kabinetsmedewerker worden van cultuurminister Patrick Dewael.
In 1984 wordt het nieuwe orgel, gebouwd door de firma Loncke en zonen uit Kortemark, ingespeeld in de concertzaal van het conservatorium. Het aantal leerlingen is op dat moment gedaald tot een goede 400.
Op 27 april 1985 werd de Gentse Filharmonische Vereniging opgericht met als voorzitter Robert Vandewege. In de Raad van Beheer treffen we naast de twee Briersen, Roger De Vocht en Raymond Van Dyck ook nog Albert De Schepper, pastoor van de Sint-Pieterskerk aan. Bij de oprichters verder nog o.a. Gerard Mortier (met als beroep “drukker”, dus ik neem aan dat dit de opperdeken van Gent is en niet dé Gerard), Ronny Pede, Fons Van Impe en Micheline Heyse.
Bij het begin van het schooljaar 1994-1995 schafte Kamiel D’Hooghe als directeur van het Brusselse conservatorium de cursus “elektronische muziek”, gegeven door Eric Feremans en Hans Vermeulen, gewoonweg af, zodat Gent met het IPEM van Marc Leman (de opvolger van Lucien Goethals) de vlag moet hoog houden. Het IPEM was in 1961 ontstaan binnen de afdeling “toegepaste zwakstroom” (!) van de Gentse universiteit. Met 500 gerealiseerde opnames behoort het tot de top vijf in Europa (het fameuze IRCAM b.v. heeft er slechts 200). Daarnaast bestaan er nog evenveel banden met opnames van concertes. Deze worden nu allemaal voor het nageslacht bewaard op CD. Binnen het IPEM bestaan er twee stromingen: de “zuivere”, “abstracte” muziek o.l.v. Lucien Goethals en de “functionele” muziek o.l.v. Louis De Meester. Deze laatste heeft ook zijn geluidsarchief nagelaten, waarin o.m. ook opnames zitten van een driestemmige nachtegaal en van Gent in de jaren zeventig. Hij wordt wel eens “de eerste sampler” genoemd. Typisch was trouwens dat de zomercursus die ik bijwoonde ook gevolgd werd door jongeren met een omgekeerd petje op het hoofd.
In het begin van het nieuwe millenium verlieten de 405 conservatoriumstudenten met hun 18 piano’s het gebouw in de Hoogpoort om zich gedurende twee jaar te vestigen in het Hotel des Flandres (Poel 1), het vroegere bank- en verzekeringskantoor Saverijs & Cooreman. De Hoogpoort werd immers gerenoveerd. De examens zullen worden afgenomen in het departement gezondheidszorg van de hogeschool van het gemeenschapsonderwijs (Vesalius), de vroegere verpleegstersschool achter het UZ. Een theaterzaal kon men in het centrum (nog) niet vinden. (In het oude gebouw zelf blijft het kleine theaterzaaltje bestaan, de grote zaal wordt wel aangepast aan “multimediaspektakels”, maar theater zelf hoort daar niet bij.) Men wilde per se in het centrum blijven omdat de Hoogpoort een traditie heeft van muziekstudenten die daar op kot gaan. Ook oud-directeur Johan Huys heeft dat nog gedaan bijvoorbeeld. Muziekstudenten kunnen niet zo maar eender waar terecht omdat zij uiteraard ook moeten oefenen.
In de Hoogpoort heeft Monique haar zegen gegeven over de uitbreiding van het cafetaria, want Jan Rispens (overigens ooit pianoleraar van Jean Blaute) mag dan zogezegd wel het departementshoofd zijn, het is en blijft natuurlijk Monique die de scepter zwaait in de Hoogpoort.
De lift voor gehandicapten zal ook vervangen worden door een “normale” lift, zodat onze handen niet meer vol smeerolie zullen hangen, als we toevallig die leuning vastnemen.
De vochtregeling voor het orgel blijft, inclusief de geluidsproblemen die dat meebrengt, maar het is blijkbaar de bedoeling dat die wordt uitgeschakeld tijdens concerten. Het orgel zelf wordt tijdens de verbouwing ingepakt in plastic.
Het podium zal op en neer kunnen gaan, er komen spots, een groot projectiescherm en mogelijkheid tot coulissen. Er zullen ook artiestenloges met douche worden geïnstalleerd, zodat we de artiesten niet meer in de gangen tegen het lijf zullen lopen.
Los van die renovatie is een deel van het conservatorium ook reeds in de linkerkant van de Bijloke gevestigd, met name de afdelingen jazz en lichte muziek en gedeeltelijk ook toneel en zang. Ook de historische instrumenten hebben daar een plaats gekregen, namelijk in de oude conciergewoning op de tweede verdieping.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s