Vandaag is het ook al 25 jaar geleden dat acteur Dries Wieme in een auto-ongeval om het leven kwam, nadat hij uit Nederland terugkwam, waar hij bij het Theater van het Oosten “De Jodin van Toledo” speelde in een regie van Karst Woudstra.

Dries Wieme werd op 4 december 1927 geboren in Gent en studeerde daar dan ook aan het conservatorium, maar hij maakte zijn opleiding af aan de Studio Herman Teirlinck. Hij was één van de spilfiguren bij de opkomst van de kamertheaters in de jaren vijftig. Zo werkte hij mee aan het Teater op Zolder van Tone Brulin en het Nederlands Kamertoneel.
In het begin van de jaren zestig wisselt hij BRT-werk af met opdrachten bij KVS en KNS, tot hij in 1964 directeur wordt van de Beursschouwburg. Op 13 december 1969 was er echter een solidariteitsactie met De Werkgemeenschap in de Beursschouwburg (De Werkgemeenschap was een theatercollectief, bestaande uit o.m. Bert André, Rik Hancké, Dirk Decleir, Dries Wieme, Rudi van Vlaenderen, Herman Verbeeck en Frieda Pittoors), die werd uiteengeknuppeld door de Brusselse politie en dat leidde tot het ontslag van Wieme. Het feit dat hij ondanks alles steeds van de studenten eiste dat ze met een das naar de première kwamen, zal ook wel niet veel geholpen hebben.
In de jaren zeventig wordt hij de man achter Jeugd en Teater (met Tone Brulin en Dora van der Groen had hij ooit nog poppenkast gespeeld), dat later vorm krijgt in het Brialmonttheater, maar bijna onmiddellijk de mond wordt gesnoerd door het dichtdraaien van de subsidiekraan.
In 1983 is hij in Arca te zien in “Starkadd”. Na wat TV- en filmrollen (“Het koperen schip”, “Daar is een mens verdronken”, “Springen”, “Tot nut van ’t algemeen”) krijgt hij in 1987 de De Gruyterprijs voor zijn rol in “De moed om te doden” van Lars Noren bij Malpertuis.
In maart 1991 zie ik hem in Antwerpen in een stuk over Stalin, namelijk dat van Gaston Salvatore door het Reizend Volkstheater. Dit stuk voert slechts twee personages op en toch heeft het een heel klassieke structuur met vijf bedrijven. Slechts héél sterke stukken doorstaan zo’n lange zit. Hier zouden één, maximum twee bedrijven reeds hebben volstaan. Het uitgangspunt zelf is immers niet slecht: de oude Stalin voelt zijn einde naderen en nodigt een joods acteur uit om met hem over King Lear (het beroemde stuk van William Shakespeare, alweer hij) te discussiëren. De oude jood, Itzik Sager, speelde daarin weliswaar de titelrol, maar het is vooral de rol van de nar die hij voor Stalin (die zichzelf in Lear herkent) moet spelen. Want de nar mag ongestraft de waarheid zeggen.
Knap uitgangspunt, zeg ik, maar al gauw loopt het verkeerd. Het blijkt namelijk dat Stalin in zijn beduchtheid voor een joodse samenzwering niet alleen de acteur zelf, maar ook zijn vrienden-medespelers en vooral zijn zoon in zijn macht heeft. Op die manier kan de nar moeilijk zijn rol vertolken natuurlijk. Bovendien valt ook Stalin zelf voortdurend uit zijn rol. Zoals gezegd ziet hij zich in beginsel als Lear die zijn macht afstaat aan zijn dochters, maar eraan ten onder gaat. Stalin denkt aan aftreden, heeft het ook reeds herhaaldelijk aangekondigd, maar aangezien de “wolven van het politburo” (hiermee verwijs ik naar de tekeningen in het vierde bedrijf) het nog niet eens zijn geworden wie zijn plaats dan zal innemen, wordt zijn ontslag steeds afgewezen. De dag dat er echter wel iemand klaar staat om hem op te volgen, zal men hem naar de keel vliegen. Dat is Stalins overtuiging en op die manier ziet hij in Cordelia, die in het stuk van Shakespeare het pleit wint, niet de voorbeeldige dochter zoals ze meestal wordt voorgesteld, maar de meest geslepene, de meest uitgekookte. Heeft ze immers uiteindelijk niet haar slag thuisgehaald?
Maar dan weer verplaatst Stalin zichzelf in die figuur van Cordelia. Zeker als hij zich voor de geest haalt hoe hij erin geslaagd is het testament van de zieke Lenin in zijn voordeel om te buigen. Ook dit is een interessant uitgangspunt, maar de auteur wist blijkbaar niet wat te kiezen, wipt op een dramaturgisch zwakke manier van de ene visie op de andere over om op het einde het hele Lear-project zelfs te laten varen.
Geen wonder dat Dries Wieme, voor wie ik anders een grote achting koester, mij hier ontgoochelde in deze rol. De mens wist wellicht ook niet op welk been hij moest gaan staan en regisseur Ronnie Commissaris is hem niet ter hulp gekomen. Kon-ie wellicht ook niet.
De joodse acteur wordt gespeeld door Huib Rooymans. Deze prestatie kon mij zéker niet bekoren. Maar ook hij verdient verzachtende omstandigheden. De auteur haalt met zijn personage de vreemdste karpersprongen uit. Na de pauze pakt hij b.v. uit met een omkering van de rollen, waarbij de jood een jonge, krachtige Stalin uitbeeldt, terwijl de echte Stalin ontredderd op de pot zit! Alweer een aanzet voor een interessante interpretatie, maar even later “vergeet” de auteur deze ingreep, zodat de jood weer in zijn onderdanige houding vervalt en Stalin als de baarlijke duivel wordt voorgesteld. Een Satan die enkel door waanzin wordt gedreven, geen politieke analyses, gewoon een door en door slecht personage.
Dat is precies de fout van dit stuk: met zo’n aanpak geraken we nergens. De tijd van de geschiedenis te herschrijven is gelukkig voorbij, maar het minste dat we kunnen doen, is trachten te begrijpen waarom alles is gegaan zoals het is gegaan. En aan zo’n “duivelse” interpretatie heb je dan natuurlijk niets. Ik geef toe dat ik een hekel heb aan werken waarin “begrip” wordt gevraagd voor iemand als Hitler. Nochtans kan een kunstwerk alléén op die manier functioneren. “Du choc des idées jaillit la lumière”. En dan moet men zich bovendien realiseren dat de misdaden van Hitler rechtstreeks uit zijn ideologie voortvloeiden, terwijl die van Stalin juist haaks op het communistische ideaal stonden. “Gefundenes fressen” voor een toneelauteur dacht ik zo, maar Gaston Salvatore verknalt het, ook al omdat hij in het laatste bedrijf erg de (joods) religieuze toer opgaat, waaraan toch maar heel weinig mensen een boodschap hebben.
Dries WiemeOp 31 mei 1991 zag ik dan in Malpertuis van Lee Blessing “A walk in the woods” (“Een wandeling in het bos”), in een regie van Jo Gevers en een decor van Jacky Berwouts. Naast Dries Wieme (Andrey Botvinnik) staat alleen Herman Verschelden (John Honeyman) op het podium.
In vier seizoenen volgen we het kat-en-muisspel tussen een Amerikaanse en een Russische onderhandelaar die in een bos in de buurt van Genève geregeld informele gesprekken voeren over het verminderen van het aantal lange en middellange afstandsraketten die ze op elkaars territorium gericht houden. Botvinnik is een oude rat in het vak, Honeyman daarentegen is pas gepromoveerd en wil daarom zo vlug mogelijk resultaten bereiken. De onderhandelingen blijven maar aanslepen, maar men eindigt toch met de lente, het seizoen van de hoop…
Dit stuk uit 1987 werd een jaar later in Londen door Alec Guinness gespeeld en is geïnspireerd op een aantal wandelingen die VS-onderhandelaar Paul Nitze en zijn Sovjet-collega Yuli Kvitsinsky in Genève maakten in 1982. Blessing is ook de auteur van “The War of the Roses”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s