Het is vandaag al veertig jaar geleden dat de Amerikaans-Russische auteur Vladimir Nabokov in Zwitserland is gestorven.

In tegenstelling tot wat de meesten denken is Vladimir Nabokov, die in Sint-Petersburg werd geboren, niet op de vlucht voor de revolutie in de Verenigde Staten beland. Zijn vader was immers een democraat die nog voor de revolutie zijn hofuniform verkocht en door tsaristen werd vermoord. Gezien zijn aristocratische afkomst behoorde hij wel tot de Mensjivieken en toen die door de Bolsjevieken werden verslagen, dàn pas gingen de Nabokovs in ballingschap (met achterlating van al hun bezittingen), eerst in Londen, dan in Berlijn. Hier ontpopt (het woord is niet toevallig gekozen) Vladimir zich tot een vlinderspecialist, maar hij komt vooral aan de kost door anti-communistische teksten te publiceren in een tijdschrift voor Russische emigranten.
In 1932 publiceerde Nabokov het boek “Camera Obscura” (niet te verwarren met het gelijknamige werk van Nicolaas Beets uiteraard), dat in 1950 door hemzelf werd heruitgegeven als “Laughter in the dark” (in 1940 had hij met vrouw en zoon nazi-Duitsland de rug toegekeerd voor de VSA). Dit boek kunnen we als een voorloper van “Lolita” beschouwen, want ook dit gaat over een nymfolepticus en een nymfijn, “nymphette”, zoals Nabokov het zelf schrijft.
“Lolita” zorgt voor schandaal, maar Nabokov beweert bij hoog en bij laag dat het hem enkel om de stijl is te doen: hij noemt zichzelf een volgeling van Gustave Flaubert. “Ik heb de morele invloed van de kunst nooit willen ontkennen,” schrijft hij, “maar wat ik wél ontken en tot mijn laatste druppel inkt wil bestrijden is een plicht tot moraliseren: voor mij doodt gemoraliseer in een werk, hoe knap geschreven ook, iedere kunst.”
Buiten zijn literair werk zal hij zich wel degelijk tot moraliseren laten verleiden. Hij zal zich vooral als anti-communist blijven manifesteren, o.a. in 1974 als Alexander Solzjenitsyn de Sovjet-Unie verlaat en hij hem zijn bijval betuigt. De nochtans erg intelligente Nabokov had dan ook een vernietigend oordeel over collega’s die hij ook maar een beetje van linkse sympathieën verdacht: Louis Aragon, Jean-Paul Sartre en Saul Bellow natuurlijk, maar ook T.S.Eliot, Thomas Mann en zelfs de notoire fascist Ezra Pound.
Alhoewel men auteur en personage nooit met elkaar mag verwarren, toch kan men zich vragen stellen bij een auteur die steeds weer diezelfde fascinatie verwerkt in zijn boeken. Anderzijds dient gezegd dat Nabokov, zelfs bij zijn romanpersonages, de penetratie achterwege tracht te laten (als het dan toch gebeurt, zoals in “Lolita” b.v., is het vaak een ontwijding en een begin van het einde; dit is immers een uiting van “volwassen” seksualiteit). Of zoals hij in het postuum uitgegeven “De tovenaar” zegt: “Ik ben een zakkenroller, geen inbreker.”
Toch gaat Herman Teirlinck in de vijftiende jaargang van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (dat wil dus zeggen: in 1961, in hetzelfde nummer waarin de eerste aflevering van Claus‘ “De Verwondering” staat) briesend tekeer over de “marginaliën” bij Vladimir Nabokov en met name in zijn “Lolita”. ’t Strafste is nog dat Herman niet enkel suggereert, maar smikkelend en smullend tracht te bewijzen dat Humbert Humbert een alterego is van Nabokov. Volgens Teirlinck zou Nabokov immers als leraar aan een meisjeslyceum uit zijn ambt zijn ontzet. Teirlinck protesteert daar dan tegen, maar vindt het anderzijds normaal dat de ouders hun dochters uit dat lyceum wegnemen…
Eigenaardig: van zodra Lolita haar interesse voor H.H. verliest, komen er volgens onze Herman “mooie bladzijden”. Teirlinck besluit zelfs: “Het monumentaal einde van het boek is onvergetelijk en in weerwil van mijn haat voor de menselijke ontaarding en een amorele laagheid, die mij voortdurend in zedelijke alarmtoestand heeft gebracht, zijn mij de tranen in de ogen gekomen. Hoe is het mogelijk, vraag ik mij nog af, dat op een zo stinkende mest een zo verheven, een zo reine bloei is opgestaan!” (blz.612)
Ook Hubert Lampo ging nogal uit de bol over dit boek: hij noemt het “semi-pornografie” en een “vervelend geval” en hij besluit dan ook dat hij “de aankoop ervan voor een gesubsidieerde bibliotheek met gelden van het ministerie niet kan toestaan.”
Overigens, voor liefhebbers van het magisch-realisme: Lolita loopt van Humbert weg in Elphinstone. Nu is elphin een oudere spelling voor elfin (elf, nimfijn!), maar ergens zegt hij er wel bij dat hij niet te lang naar zijn deknamen zoekt. Hoe dan ook, misschien bestaat er wel een of andere legende over deze “elfensteen”.
Sommigen vinden dat ook het incest-motief aanwezig is in “Lolita”, aangezien Humbert Humbert de stiefvader is van zijn jonge geliefde. Hier gaat men dan wel voorbij aan het feit dat het huwelijk dat hem tot “vader” van Lolita maakte, enkel in functie van die passie werd aangegaan en dus weinig vandoen heeft met een echte stiefvader, iemand die een kind van kleinsaf heeft opgevoed. Als men een relatie wil tussen incest en Lolita dan kan men beter terecht in de boeken van Kathryn Harrison, zij het dat de dochter als 20-jarige een verhouding met haar vader die ze nooit heeft gekend is aangegaan (vergelijkbaar met het verhaal van Anneke Lucas). In “Exposure”, in het Nederlands ongelukkig vertaald als “Geschonden”, gaat het eigenlijk meer over het Lolita-motief, want de vader-fotograaf zegt dat hij niets kan aanvangen met borsten en schaamhaar, waarop de dochter: voor dit laatste hebben ze toch het scheermes uitgevonden? (Het zogenaamde Poeske Scherens)
Hiermee wordt wel voedsel gegeven aan de boude bewering van Goedele Liekens dat geschoren kutjes eigenlijk blijk geven van verdrongen of althans toch verborgen pedofilie.
Een andere veel voorkomende vergissing is dat men zegt dat de moeder van Lolita “zelfmoord pleegde” toen ze het dagboek van “haar echtgenoot” onder handen kreeg. Niets is minder waar! Ze loopt juist de straat op om aan de wereld de “verdorvenheid” kenbaar te maken! Maar precies op dat moment, omdat God blijkbaar partij heeft gekozen in dit conflict, wordt ze door een auto aangereden.
Ook in “De tovenaar”, dat weliswaar postuum werd uitgegeven, maar vóór “Lolita” werd geschreven, trouwt het hoofdpersonage met de moeder van het kind, een moeder die in dit geval ziek is. Als ze een operatie ondergaat die tot volledig herstel zou moeten leiden, komt ook hier de Voorzienigheid tussen en loopt de ingreep fataal af. Thank you, Lord! Als later de tovenaar zijn toverstaf toch niet langer in bedwang kan houden, zal hij echter op zijn beurt een vreselijk lot ondergaan.
Net als Jef Geeraerts schreef ook Nabokov met het oog op een verfilming (dit lijkt wel de beste methode om ooit verfilmd te worden) en het zou dus interessant zijn om na te gaan of Stanley Kubrick inderdaad volgende raad opvolgt: na de beschrijving van een aantal “wanted” gangsters aan de muur van een postkantoor, schrijft hij: “Als U een film wilt maken van mijn boek, laat U dan een van deze gezichten langzaam overgaan in het mijne, terwijl ik kijk.” (blz.236)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s