Het is vandaag al twintig jaar geleden dat “Harry Potter and the Philosopher’s Stone” van J.K.Rowling is verschenen. Ik ben er zeker van dat op dat moment niemand, zelfs niet de schrijfster of de uitgever, besefte wat voor een revolutie dit zou te weeg brengen.

Zelf heb ik “The Philosopher’s Stone” pas zo’n zes jaar later gelezen toen mijn vrouw en ik in Wimbledon bij Tony en Julie Mullins verbleven en die waren toen al door de microbe gebeten. Ikzelf vond het niet slecht, maar het zette me toch niet aan om de andere delen te gaan lezen (deel twee staat hier wel klaar in mijn boekenkast, maar er is nog zovéél dat ik moet lezen). Mijn vrouw van haar kant heeft alle verdere delen verslonden.
Tot mijn verbazing heb ik Rowling echter niet eens vermeld in mijn artikel over fantasy en dat moest ik bij deze gelegenheid toch even recht zetten, vond ik. In het fantasy-genre kan de schrijver per definitie immers z’n fantasie de vrije loop laten. Hij creëert een wereld die hij (of zij, in het geval van Rowling) helemaal verzonnen heeft. Die wereld kan zich op onze aarde bevinden, maar ook in een verzonnen tijdperk in de toekomst (Jack Vance) of in het verleden (om precies te zijn: zeven duizend jaar geleden bij Tolkien), en uiteraard ook op een andere planeet (David Lindsay, E.R.Eddison). Het kan ook een “parallelle” wereld zijn waar men via een “magische poort” geraakt. Meestal een deur of een spiegel (“Alice in Wonderland”), maar het kan b.v. ook een orkaan zijn (“The Wizard of Oz”) of zelfs een gezelschapsspel (“Jumanji”) of natuurlijk ook het fameuze perron 9 3/4 van J.K.Rowling.
Maar wat drijft een 70-jarige er toe Harry Potter te lezen? Misschien omdat zijn oudste kleindochter (12 jaar) een tijdschrift opstartte en vroeg of opa een maandelijkse bijdrage kon leveren? Over… ja over??? Literatuur, boeken… Ja, Harry Potter bijvoorbeeld. Weigeren was uiteraard geen optie! Dus…
In ‘Harry Potter en de steen der wijzen’ (Harry Potter and the Philosopher’s Stone; 1997), de eerste van de reeks, ontmoeten we Harry die als baby van één jaar door de professoren Perkamentus en Anderling en de reus Hagrid gedropt wordt op de drempel bij zijn oom en tante Duffeling en hun zoontje Dirk dat even oud is als Harry. Zijn ouders – zo zal blijken – zijn vermoord; hij bleef ongedeerd en hield alleen een litteken in de vorm van een bliksemschicht op het voorhoofd over. Zo start zijn triest bestaan, want we zien hoe het is om op te groeien in een gezin waar je niet gewenst bent (slapen in een bezemhok, weinig eten, geen liefde), op een school waar je gepest wordt, en wanneer je geen vriendjes hebt. Een mooie waarschuwing van Rowling… en een niet te opvallende moraal.
Het tij keert wanneer Harry tien wordt. De reus Hagrid komt hem uit zijn lijden verlossen: een maand later zal hij mogen gaan studeren aan Zweinstein, de school van de tovenaars; ja… de familie Potter waren tovenaars. En eerst neemt Hagrid Harry alvast mee om boodschappen te doen: hij heeft kleding en boeken nodig. Zo duiken wij mee diep onder de grond van Londen, in straatjes met bizarre winkeltjes, waar de reus ook een mysterieus pakje afhaalt dat later een cruciale rol zal spelen. Met deze uitstap beklemtoont de schrijfster het ideaal van de fantasie tegenover het suffe, kleurloze leven, het burgerlijke dat boven de grond te zien is en dat Harry tot nu moest ondergaan. De ‘gewone’ mensen zijn de Dreuzels, saai… Lazen we op de eerste bladzijden niet reeds over zo’n man “Hij was tegen de verbeelding”. En dat is alles wat dit boek doet: zich uitspreken pro fantasie! Als verjaardagsgeschenk krijgt Harry van Hagrid een sneeuwwitte uil, Hedwig, die hem in zijn verdere avonturen zal begeleiden.
En dan, op 1 september, begint het avontuur definitief: Zweinstein. Daar beleeft Harry een reeks avonturen zoals gebruikelijk op een kostschool. Alleen is dit geen gewone school met gewone cursussen. En is Harry geen gewone jongen maar reeds voordien, dat lazen we al, een beroemdheid waarover Rowling in het boek zelf schrijft dat er boeken over hem zullen geschreven worden (dat kon zij weten vermits zij het van plan was), films gemaakt (dat zou inderdaad zo zijn), maar dat het tenslotte zo’n hype zou worden die hem en haar wereldberoemd (en haar rijk) zou maken, kon zij toen niet voorzien. Harry beleeft talloze avonturen, o.m. in het team van de Zwerkbal, een sport met bizarre spelregels. De auteur weet trouwens de wedstrijd te beschrijven als een heuse voetbalmatch. Hij heeft enkele goede vrienden. En er is een meisje Hermelien, ietwat bazig en te slim voor de jongens: we zien de typische relatie jongens – meisjes, afstoten, aantrekken. Mooi beschreven dit proces; tot, nadat Hermelien Harry gered heeft (en vice versa), zij opgenomen wordt in de vriendengroep.
Inmiddels weet Harry wat het grote gevaar is dat Zweinstein bedreigt en dat zijn ouders het leven kostte: de boze, afvallige tovenaar Voldemort. Maar er is meer: langzaam, intuïtief voelt Harry dat het kwaad reeds opnieuw de school is binnen geslopen. Is het professor Sneep die hem haat? En het mysterieuze pakje dat Hagrid ooit meebracht… Zal Harry met zijn vrienden de codes kunnen kraken om het pakje te vinden, en hoe eindigt het duel tussen Harry en Voldemort? En wat gebeurt er met de ‘Steen der Wijzen’ die alles in goud verandert en het eeuwig leven schenkt? Uiteraard eind goed al goed, maar voldoende ruimte om over te gaan naar een volgend deel, waar de strijd verder gestreden wordt.
Rowling schreef een spannend boek. En inderdaad met voldoende dubbele bodems om een volwassene te boeien. En wijze lessen zitten er eveneens in verstopt, maar meestal met een glimlach. En er zijn de vondsten, zwerkbal, de talloze bizarre snoepjes, de hoed die de selectie maakt om de jongeren in groepen te verdelen…
In 2001 werd het boek verfilmd door Chris Columbus met o.m. Daniel Radcliffe, Emma Watson en Richard Harris. Inmiddels zag ik ook deze verfilming: knap in beeld gebracht. De verhaallijn werd gevolgd maar enkele wat meer diepgravende elementen gingen verloren.
HARRY POTTER EN DE GEHEIME KAMER
“Harry Potter en de geheime kamer” (Harry Potter and the Chamber of Secrets; 1998) is het tweede deel van de serie en spannender dan het eerste boek. Het start wanneer Harry de zomervakantie doorbrengt bij zijn Dreuzelfamilie Duffeling, oom Herman, tante Petunia en neefje Dirk die hem het leven zuur maken. Hij wordt zelfs opgesloten en maakt dan kennis met de huiself Dobby die hem waarschuwt niet naar Zweinstein terug te keren, er dreigt hem daar groot gevaar – maar deze elf speelt een dubieuze rol zullen we later merken. Gelukkig wordt Harry uit zijn benarde positie gered door zijn vriend Ron Wemel en diens tweelingbroers; hij brengt de laatste vakantieweken door bij de familie Wemel, met o.m. het zusje Ginny dat met hem dweept. Avonturen uiteraard wanneer ze boodschappen doen, en bij het vertrek naar Zweinstein: de jongens missen de trein en moeten met een vliegende auto illegaal de school bereiken. Waar hen iedereen opwacht, de professoren Sneep, Anderling en het hoofd van de school Perkamentus. Maar uiteraard ook de reus Hagrid. En de vijand van Harry, Draco Malfidus met zijn accolieten Kwast en Korzel. En natuurlijk is Hermelien Griffel op post om de vriendengroep te vervolledigen. Er is ook een nieuwkomer die ze reeds ontmoetten in de boekhandel tijdens het boodschappen doen, professor Gladianus Smalhart.
Het avontuur kan beginnen! Met een zwerkbaltornooi dat ondanks een kwalijke ingreep toch gewonnen wordt (dankzij Harry uiteraard) door het team van Griffoendor (de ingreep gebeurde alweer door huiself Dobby). Onze vrienden worden uitgenodigd op het sterfdagfeest van een spook, een hilarisch/griezelig gebeuren! Dan gebeurt het: de vrienden vinden de dode/versteende kat van de conciërge Argus Vilder terwijl Harry een vreemd fluisteren hoort en een bloederige tekst op de muur ziet. De start van een reeks verontrustende gebeurtenissen… Er dient teruggegrepen naar de geschiedenis van Zweinstein. Zo’n duizend jaren geleden werd de school gesticht door vier tovenaars onder wie Zwadderich (nog steeds de naam van een afdeling!); deze kreeg ruzie, hij vertrok maar had een geheime kamer gebouwd, daar een monster in geplaatst en gezworen dat alleen een wettige erfgenaam de kamer ooit zou kunnen openen. Inmiddels vinden ze een blanco dagboek van ene Vilijn. Dan wordt ook een jongen versteend aangetroffen, het is nu duidelijk: de geheime kamer is open. Wie was Vilijn? Een student die 50 jaar geleden – toen zou de kamer ook open geweest zijn – de dader ontmaskerd zou hebben! Helaas, zijn dagboek is blanco. Maar nu? Is Draco Malfidus misschien de erfgenaam van die duistere Zwadderich? Harry en Ron Wemel gebruiken een wisseldrank en kruipen in de huid van Kwast en Korzel om Draco uit te horen: nee dus… Er werd een duelleerclub opgericht waarbij blijkt dat Harry kan communiceren met slangen, wat we reeds in het eerste boek konden vermoeden. Maar nu vallen er nog twee slachtoffers onder wie Ginny Wemel. Hagrid, met zijn voorliefde voor woeste dieren (de hond, de draken uit boek 1) wordt verdacht en opgesloten. En zelfs de directeur Perkamentus wordt uit zijn ambt ontzet.
Er dient drastisch ingegrepen! Er volgt nog een scène waarin de vrienden, op aanraden van Hagrid, reuzespinnen opzoeken in het verboden bos – uitermate griezelig en angstaanjagend. Na deductie ontdekken ze dat het beest een basilisk moet zijn, een reuzeslang die zich via de buizen van de waterleiding verplaatst; het spookje Jenny, ooit door die slang gedood, speelt hierin een rol. Het zal Harry zijn die de geheime kamer moet vinden en de basilisk doden. Maar wie was Vilijn werkelijk? En wat met zijn dagboek? En welke cruciale rol speelde Ginny Wemel in dit alles… Dat wordt onthuld op de laatste bladzijden.
Een boek vol spanning, zeker. Maar ook vol humor. Vooral met de hilarische figuur van professor Gladianus Smalhart, een man die zwelt van trots en eigendunk, een blaaskaak die niets voorstelt. En dan ook steevast door de mand valt. Waaruit blijkt dat dwepen – met slechte maar in wezen ook met goede dingen/personen – niet bijzonder gelukkig is. En Rowling geeft ergens nog een moraal mee: “Uit onze keuzes blijkt wie we werkelijk zijn, veel meer dan uit onze talenten.”
THE CASUAL VACANCY
373074In 2012 schreef Rowling dan “Een goede raad” (oorspronkelijke Engelse titel: “The Casual Vacancy”), een boek bedoeld voor volwassenen. Oorspronkelijk wilde ze haar boek de titel ‘Verantwoordelijk’ meegeven, tot ze op een dag één van de werken van Charles Arnold-Baker (1918-2009) las en daar de term ‘casual vacancy’ tegenkwam. In The New Yorker verklaarde de schrijfster: “Dit boek gaat over verantwoordelijkheid. In haar kleine vorm – hoe verantwoordelijk we zijn voor ons eigen geluk en waar we onszelf tegenkomen in het leven – maar ook in haar grote vorm: hoe verantwoordelijk we zijn voor de armen, de benadeelden, de ellende van anderen”. De Nederlandse titel is dus geen letterlijke vertaling, daar het in dat geval “een onverhoopte vacature” had moeten eten. ‘Een goede raad’ verwijst volgens Wikipedia waarschijnlijk naar de gemeenteraad, waarin nu dus een vacature vrij is, en de zeer verschillende karakters en meningen van de leden en degene die lid willen worden.
Hoe dan ook, het boek werd maar matig ontvangen omdat het werd vergeleken met het enorme succes van de Potter-boeken en daarom publiceerde Rowling een jaar later een thriller, “The cuckoo’s calling” (in het Nederlands vertaald door Sabine Mutsaers als “Koekoeksjong”), onder het pseudoniem Robert Galbraith (*). Net als Paul McCartney die “Woman” schreef voor Peter & Gordon onder het pseudoniem Webb, wou ze nagaan hoe haar boek zou worden ontvangen als men niét wist dat zij de auteur was. Maar net als bij McCartney lekte het geheim voortijdig uit (Rowling was furieus, al zit er in het werk zelf wel een leuke verwijzing: “Jij zou je detectivewerk aan de wilgen moeten hangen en fantasyboeken moeten gaan schrijven”, p.492) en daarom bleef het antwoord op het experiment uit. Net als “Woman” werd het wel een “hit”, maar geen overweldigend grote, zoals de nummers van The Beatles zelf of – in haar geval – zoals de Potter-boeken.
Het boek zelf is a run-of-the-mill detective die in niets verschilt (noch negatief, noch positief) van tal van dergelijke werken. Alleen is het me niet helemaal duidelijk, waarom ze van haar privé-detective een gehandicapte maakt (hij heeft zijn voet verloren in Afghanistan, people are so careless these days). Men kan zeggen: dat komt toch van pas in de ontknoping? Jazeker, maar die ontknoping had ze natuurlijk ook anders kunnen laten verlopen, indien hij niét werd gehinderd door zijn vroegere blessure. Bovendien zal het een probleem blijven, indien er nog meer verhalen zouden komen rond het speurdersduo Strike-Robin (zijn pientere secretaresse). Alhoewel… nu het “grote geheim” is uitgelekt, is het nog de vraag of er ooit een vervolg komt natuurlijk…

Johan & Jan de Belie-Segers

(*) Eigenlijk was J.K.Rowling ook al een pseudoniem. Ze heet immers gewoon Joanne Rowling zonder tweede voornaam, zodat die “K” gewoon verzonnen is. En de reden daarvoor is dat de uitgeverij zich met de Potter-boeken oorspronkelijk louter op een jongerenpubliek wou richten en “jongens lezen geen boeken die door een vrouw zijn geschreven”. Vandaar dus het mysterieuze “J.K.” in plaats van gewoon “Joanne”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.