Het is al twintig jaar geleden dat Herman De Coninck in Lissabon is overleden. Om hem te herdenken, een interview van nog tien jaar eerder, afgenomen in de “donkere tijden rond Kerstmis”…

De bijslaap kent u al, maar de voorslaap?  Het is een uitvinding van Herman De Coninck, vereeuwigd in het gelijknamige gedicht in “Verspreide gedichten”, en op het gebied van slapen was De Coninck bij leven en welzijn een crack, je mag me op mijn woord geloven. Immers… “Mijn lief, mijn lief, mijn lief“, zo sprak mijn lief mij toe, terwijl hare lipjes over mijne lippen weidden (*), “waarom ruk je je nu de haren uit het hoofd omdat je Herman De Coninck moet gaan interviewen? Om meer op hem te gelijken?“.
Eilaas nee“, jammerde ik zoals Adriaen Brouwer in zijn beroerdste momenten, “maar het ziet er naar uit dat mijn ochtendlijke tocht morgen naar de Cogels-Osylei in Berchem alweer op niks zal uitdraaien. Net als de vorige keer zal De Coninck weer niet wakker te krijgen zijn!

Een jaar eerder was ik inderdaad reeds naar Canossa getrokken, alwaar zoniet de keizer dan toch de koning van onze Vlaamse poëzie door mijn bellen heen snurkte. Toen was de aanleiding het verschijnen van “De hectaren van het geheugen” en het poëzieprogramma dat Chris Lomme daarrond had gemaakt, een jaar later kunnen hoogstens een paar prijzen die hij voor deze bundel heeft gekregen nog als kapstok dienen. De week van mijn bezoek zijn het de prijs van de Vlaamse Poëziedagen en de Jan Campertprijs, ondertussen zijn er allicht alweer een paar bijgekomen.

Gode zij lof echter, die woensdagochtend volstaat één duw op de knop om een, weliswaar gehavende, dichter in de deuropening te doen verschijnen. Als ik hem deelgenoot maak van mijn diepste twijfels omtrent de doeltreffendheid van dit bezoek, geeft hij mij niet helemaal ongelijk. “Ik heb in de Ultieme Hallucinatie nog een vergadering gehad over De Morgen,” zucht hij. Zijn oogjes prikken door deze morgen alsof het een ultieme hallucinatie is. Een behoorlijk aantal koppen koffie maakt tijdens het gesprek echter de tong losser en de keel zachter. Maar eerst maken we nóg een sprongetje in de tijd, naar vier jaar eerder…
HERMAN DE CONINCK AAN HET LIJNTJE
Eén ding is zeker : Herman De Coninck verlaat Humo om per 1 oktober 1983 hoofdredacteur te worden van een nieuw maandblad dat zal worden uitgegeven door Julien Weverbergh van Manteau-Elsevier. Krijgt het statige Nieuw Vlaams Tijdschrift een face-lift ? Of wordt het in statu nascendi verkerende druksel een complete nouveauté ? Dát is vooralsnog het geheim der goden. En hoewel wij Herman De Coninck altijd al — o.m. op grond van zijn dichterschap — als een Ingewijde hebben beschouwd, toch wou hij aan het lijntje hierover geen woord kwijt. Wat niet belet dat het best een gezellige babbel werd.
— Alles verkeert nog in een voorbereidend stadium, o.k. Maar je hebt toch al wel enig idee hoe het nieuwe blad er gaat uitzien. Ik neem aan dat de literatuur toch niet geheel uit jullie kolommen zal verdwijnen ?
H.D.C.
: Nee, dat zeker niet. Maar het nieuwe blad zal wel erg verschillen van het literaire tijdschrift zoals wij dit tot dusver in Vlaanderen hebben gekend. Samengevat komt het hier op neer : we willen een betere kwaliteit. Dit houdt o.m. in dat de inhoud van het blad niet gereduceerd wordt tot een verzameling voorpublicaties van de redactieleden. Het NVT is ook iets te academisch. Wat ik zie is een blad op magazineformaat, met een fraaie lay-out, een al even fraai lettertype, kwaliteitsfoto’s, enz… Kortom, een uitgave waar een zeker chique van uitstraalt
— En welke inhoud wordt ons in deze fraaie verpakking gepresenteerd ?
H.D.C.
: Nou, literatuur blijft bij ons een heel belangrijke plaats bekleden. Zo plan ik voor elk nummer een onuitgegeven Nederlandstalig verhaal, plus een buitenlandse novelle in vertaling. En daarbij besteden we dan ook aandacht aan een dichter die om één of andere reden in de belangstelling gekomen is. Nu denk ik b.v. aan de Cubaan Padilla (van de gelijknamige « affaire »), waarvan zopas een geselecteerde bloemlezing is verschenen. Buitenlandse voetballers in Belgische ploegen helpen vaak het peil van het vaderlandse voetbalspel omhoog te tillen en ik denk dat de aanwezigheid van buitenlandse auteurs in een Nederlandstalige publicatie hetzelfde effect kan hebben. Daarnaast zie ik ruimte voor een waaier rubrieken allerlei : politiek, sport, tv, plastische kunsten, berichten uit de academische wereld en noem maar op. Als derde hoofdmoot is er een grote reportage, een vorm van betere journalistiek, waarbij b.v. uitgeplozen wordt hoe de leden van onze Vlaamse Academie hun negen miljoen per jaar opsoeperen. Of b.v. een verslag over het wereldkampioenschap pokeren dat een dezer dagen in Las Vegas gehouden wordt. Ten vierde wil ik veel plaats inruimen voor polemiek en essay. Ik verwijt de kritische en essayistische wereld in de Nederlanden een zekere grijsheid. Uitersten ontbreken, zowel geestdriftig bewonderende als radicaal afbrekende stukken. En dan moet er ook nog een rubriek « eerherstel » in, waar recht gedaan wordt aan ten onrechte in de vergetelheid geraakte figuren.
— Toekomstige medewerkers ?
H.D.C.
: Hugo Claus houdt voor ons een argusoog gericht op de Amerikaanse en de Italiaanse literatuur, terwijl hij ook de rubriek erotica voor zijn rekening neemt. Piet Piryns en Claus betwisten elkaar voor het ogenblik een rubriek « pastiche ».
— Je hebt bij Humo een mooie carrière achter de rug. Een hoogtepunt ?
H.D.C.
: Mijn interview met Louis de Lentdecker kort na zijn hartinfarct. Die man had duidelijk de behoefte om een aantal dingen te biechten, b.v. hoe hij tijdens zijn verblijf in de weerstand bij een terechtstelling is betrokken geraakt. Dit is een van mijn meest menselijke interviews geworden. Maar in dit vak krijg je de mooiste dingen cadeau natuurlijk. Het komt er op aan bepaalde figuren te ontmoeten op het juiste moment.
“DEWAEL SPREEKT NOOIT VAN KWALITEIT, ALLEEN VAN KWANTITEIT”

– U zou misschien eens kunnen beginnen met een soort balans op te maken van drie jaar Nieuw Wereld Tijdschrift.

Herman De Coninck: Zakelijk?

– Nee, daar ben ik niet zo goed in.

H.D.C.: Wel, ik ook niet. Ik word daar achteraf mee om mijn oren geslagen. Er zijn wel enkele dingen die er niet uitgekomen zijn. Zoals destijds voor het nulnummer aangekondigd was, de mix van literatuur en betere journalistiek bijvoorbeeld. Ik heb daar achteraf geen spijt van, want dat komt onder andere door met een druktermijn van twee maanden te moeten afrekenen, die al maakt dat je toch niet op de actualiteit kunt inspelen.

En het heeft ook te maken met het feit dat de beste journalisten op een redactie zitten, diegenen die free-lance rondlopen zijn meestal niet de beste. En het heeft tenslotte ook nog te maken met de Nederlandse markt waar niemand daarop zit te wachten, want daar hebben ze hun bijlagen voor. De weekbladen, Vrij Nederland, Haagse Post, maar ook de bijlagen van NRC en De Volkskrant. Dus dat is geleidelijk aan – ik moet zeggen niet tot mijn spijt – essayistischer geworden.
Maar dat blijft de grote moeilijkheid wel, om ook essays te vinden over niet-literaire onderwerpen, die in een niet-academische jargon gesteld zijn. Langs de andere kant is het mijn overtuiging dat daar een taak ligt. Dat is in Vlaanderen waarschijnlijk nog moeilijker dan in Nederland. Als je in Nederland rondkijkt dan vind je wel in elk vakgebied iemand die het ook nog op een briljante manier naar buiten kan brengen. Je hebt daar zelfs voetballers die goed schrijven…

Ook in het buitenland is het een beetje zoeken. We hebben, twee keer geloof ik, een essay van Hans Magnus Enzensberger gekocht. Daar waren we heel blij mee, want vooral het politieke essay, dat bestaat hier toch niet in die mate. En dat maakt het juist boeiend om te doen. Voor ik begon, had ik misschien meer een soort goedgemaakt magazine in mijn hoofd waarin literatuur een grote rol speelde. Nu zitten wij met een literair blad waarin daarnaast ook andere onderwerpen mogen. Dat is het verschil. Maar de mensen kopen het omdat het een literair blad is.

– Maar ook literair is er misschien niet helemaal uitgekomen wat u had gedacht. Als men bijvoorbeeld via een tijdschrift als het NWT op zoek wil gaan naar jong talent…

H.D.C.: Maar er zijn tijdschriften zoals De Brakke Hond die zich specialiseren in debuten, die kunnen zich wel iets meer permitteren. Ons hebben ze jarenlang verweten dat we alleen op grote namen speelden. Dat is echter enkel in de eerste nummers gebeurd. Claus en Brouwers en daarna was het afgelopen. Ik zal niet zeggen dat ik een stuk van Brouwers weiger als ik er nog een krijg, alleen dat ik niet meer echt die grote namen ga zoeken. Maar een debuut moet dan wel op dezelfde hoogte ongeveer staan. En dat is niet altijd het geval. Ik heb in Humo zo’n columpje geschreven tegen dat voorstel van Dewael (**) om van debutanten de eerste vijf boeken te steunen. Als ik dan op drie jaar tijd enkele mogelijke debutanten zie…

Tegenwoordig wordt elke scheet meteen op flessen getrokken! Dat is misschien een situatie die zal voorbijgaan, hoor. Dat heeft te maken met het splitten van Manteau, met het feit dat een groter aantal uitgevers op de loer liggen. Ze zitten eigenlijk met een stuk of vijf, zes te vissen in water waar niet veel vis op zit. Het probleem van debutanten is een beetje hetzelfde als van een 18-jarige voetballer die meteen in Anderlecht in de eerste ploeg wil spelen. Ik ontdek er zelfs geen vijf per jaar, waarbij ik geneigd zou zijn tot subsidiëring.

Dewael spreekt nooit van kwaliteitsverschillen en zo, die moet het enkel van de kwantiteit hebben. Dat vind ik een redenering die helemaal niet klopt. Boeken hebben de neiging om omhoog te vallen in zo een klimaat. Ook critici hebben de neiging om boeken te gaan overwaarderen omdat ze minder slecht zijn dan de anderen. Als ik een week lang slechte teksten lees en daar zit een verhaal bij dat minder slecht is, dan heb ik ook de neiging om dat op te waarderen. Ik heb me daar echter al in gecorrigeerd, in die zin dat ik niet meer dezelfde dag een enthousiaste brief schrijf, ik laat hem nog een week liggen en dan zakt het gewoonlijk ook weg.

– Doet dat probleem zich ook niet voor bijvoorbeeld met de Krijnprijs die onlangs uitgereikt is?

H.D.C.(lacht): Dat zal wel. Enfin, ik lach, maar ik heb het boek niet gelezen. Maar dat komt omdat Jeroen Brouwers daar ’n polemiek heeft over geschreven, die tegelijkertijd een definitieve afrekening met Angèle Manteau is. Van dat lijstje dat ik heb opgesomd in Humo heb ik trouwens ook geen enkele gelezen. Opzettelijk, omdat ik geen oordeel wilde geven, want dan zou je ze ineens alle dertig moeten lezen. Maar ik voel aan mijn water – en ik ben daar gewoonlijk niet ver naast – dat het interessantste debuut Lieven Tavernier is en dat er daarnaast nog een is van die Willy Van Poucke dat interessant is omdat het zich voor de Vlaamse roman in een nieuw milieu afspeelt, namelijk dit van de universiteit. En de rest, ik denk dat ge dat moogt vergeten. Enfin, misschien doe ik nu drie mensen of zo onrecht aan.

TOEN CLAUS HET WOORD “REDACTIEVERGADERING” HOORDE HAAKTE HIJ METEEN AF

– We hebben het gehad over de component journalistiek en over de component literatuur, maar er is ook een deelgebied, waarbij laten we zeggen het literaire primeert, maar waar ook andere factoren een rol spelen. Ik heb namelijk het interview dat Jan Mestdagh met u gehad heeft toen het NWT nog van start moest gaan (De Rode Vaan nr.30 van 1983) nog eens doorgenomen. En toen beloofde u een aantal zaken. U zei bijvoorbeeld dat Piet Piryns en Hugo Claus elkaar een pastiche-rubriek betwistten en Claus zelf zou instaan voor een rubriek “erotica”.

H.D.C.: Ja, Claus, dat was nogal vermakelijk om te zien hoe die bij het horen van het woord “redactievergadering” ineens afgehaakt heeft (wederzijds en smakelijk gelach). Godja, dat waren ideeën waarmee gespeeld is. Het stomme is dat, voor een blad er is, men moet vertellen hoe dat er gaan uitzien. Je hebt niets om op terug te vallen of om te laten zien. Dus dat zijn een soort geloofsverklaringen. En dan… uiteindelijk heb ik dat niet gedaan, neen. Wat je daar aan de ene kant aan lezers mee bijwint, verlies je aan de andere kant.

– Wat er wel is uitgekomen en zoniet tot ieders dan toch tot mijn tevredenheid, dat is de sportbijdrage van Jan Wauters. Jan Wauters heeft in het laatst verschenen NWT iets gemaakt over Pfaff, dan zie ik mij haast verplicht om u een vraag te stellen over Wilfried Hendrickx, waarvan ik niet zal beweren dat hij bij Humo uw opvolger is (want het is niet écht zo, hij was er al toen u er ook nog altijd waart), maar hij schijnt wel een beetje uw rol van “sterinterviewer” overgenomen te hebben. En dan heb je dus die fameuze interviews met Pfaff. Hoe staat u daar tegenover?
H.D.C.: Hendrickx is zeer geschikt voor een aantal dingen, die hij bijzonder goed doet. Hij heeft een aantal zeer goede sportinterviews gemaakt, bijvoorbeeld Hinault, formule I, ook Jan Ceulemans, geloof ik. Maar met Pfaff en in andere interviews ook, heeft hij de neiging om een soort van starfucker te zijn… Hij is een zeer cynische mythomaan die zich echter altijd indekt tegenover de redactie. Ik heb hem dat dikwijls verweten. Want zeggen van “jamaar, zie je niet dat dit ironisch is?”, dat is geen ironie, dat is op veilig spelen door achteraf nog te kunnen zeggen dat het ironie is, maar het is geen ironie.

– Het lijkt misschien een vraag die er niets bij komt doen, maar ik vind ze net zeer belangrijk: vindt u Pfaff een goeie keeper?

H.D.C.: Euh, ja, maar niet zo goed als hij zichzelf vindt.

– Vindt u hem een goeie showman?

H.D.C: Ook, maar dat is onder meer wat Jan Wauters schrijft in dat stuk, dat je dat niet zozeer Pfaff kunt kwalijk nemen als wel mensen d’r rondom die zo eigenlijk mee in het zonnetje gaan staan. En dan achteraf zeggen van “hé, hé”. Achteraf komt de distantie, maar ze laten die op dat moment niet zien. Dat is iets anders dan je journalistiek distantiëren, met kritische vragen en al wat je maar wil. De distantie komt achteraf en dat is ook wat ik verwijt aan die zogezegde ironie van Hendrickx die er geen is. Hendrickx doet gelijkaardige dingen in een interview met Komrij. Die inleiding waarom niemand hem gevraagd heeft, waarin hij met persoonlijke reisavonturen uitpakt die er niets bij komen doen, en dan een slot, zogezegd ook ironisch, waar Komrij met vochtige ogen… Ironie, ja, maar van een dubieuze soort.

“HET BOEKBEDRIJF IS NIET ERG GEDIEND MET MULTINATIONALS”

– De overstap van het NWT, van Manteau naar Nijgh en Van Ditmar …

H.D.C.: Ik zit daar niet meer, hé! We zitten natuurlijk nog altijd bij de Weekbladpers, maar het is losgemaakt van Nijgh en Van Ditmar. En die half time job die ik ernaast deed, als redacteur voor Nijgh en Van Ditmar, die doe ik niet meer. Het klikte niet, is de simpelste verklaring.

– Nu, hoe dan ook, post factum is dat dan geïnterpreteerd als een eerste teken aan de wand van de Weverbergh-affaire. En u bent ook bij diegenen die Weverbergh, ‘k zal maar zeggen: zàl volgen, want voor zover ik weet is er nog niets verschenen bij Hadewijch…

H.D.C.: Neen. Ik had met de herdruk van de “Hectaren …” naar Weverbergh gewild, maar daar zijn toen advocaten tussengekomen. Enfin, dat is nog altijd niet uitgesproken, intussen hebben ze zonder mijn toelating dat boekje toch herdrukt. Maar goed, Weverbergh dus. Ik denk dat die dat al lang had zien komen. Ik heb het onlangs nog tegen Lionel Deflo (de nieuwe baas van Manteau, RDS) gezegd. Volgens mij wordt Manteau tussen dit en ten hoogste twee jaar doorverkocht. Misschien tot zijn groot voordeel, want zoals hij daar nu zit, bij Elsevier nog, dat is ook voor de schrijvers die gebleven zijn, Geeraerts en Ruyslinck en zo, niet interessant. Elsevier heeft alles afgestoten, binnenkort zelfs de encyclopedieën…

Je hebt daar te maken met een multinational die van voren niet weet dat hij van achteren bestaat en voor wie literatuur een zo miniem percentage van de omzet is, dat je daar eigenlijk nooit zeker bent van je bestaan. Je maakt afspraken met dié directeur, maar een half jaar later is die weggepromoveerd en heb je geen afspraken meer. Het NWT is niet het enige, hé. Ik heb daar twee jaar gezeten en op die twee jaar heb ik een hoop projecten heel enthousiast zien starten en een jaar later heel enthousiast zien schrappen.

Dat gold bijvoorbeeld voor een serie die Weverbergh met veel bombarie had aangekondigd, “Oost-West”. Ik vond die niet goed uitgebouwd, maar daar zaten mogelijkheden in. Hij heeft daar veel te pamflettaire, politieke boeken in uitgegeven, hij had dat literairder moeten spelen. Ze hebben daar eens die reeks schoolbloemlezingen gemaakt met De Wispelaere, Raes en Van Aken. Ik geloof dat ze nog bestaan, maar er gebeurt niks mee. Ze hadden daar toen een extra-vertegenwoordiger op willen zetten om de scholen te doen, maar ze kregen die niet en, hop, het project werd opgedoekt. En dan heb je die serie met Waalse schrijvers. Dat heeft efkes gelopen omdat het wederzijds gesubsidieerd was, dus daar scheurden ze hun broek niet aan, maar dat is ook ongeveer afgelopen.

Enfin, ik wil maar zeggen dat was het klimaat daar. Een boek, een serie zeker, of een tijdschrift, dat zijn projecten van lange adem die een aanlooptijd moeten hebben. De Russische Bibliotheek van Van Oorschot, dat heeft nog jaren gehad. De beroemde Privé Domein-reeks van de Arbeiderspers, dat heeft de eerste jaren niets gedaan, het is pas na zoveel jaar dat men dat reeks-effect krijgt. Dat zijn nu projecten waarnaar elke uitgever jaloers zit te kijken, maar ik denk, toen ze ermee begonnen, dat er hier en daar ook wel eens iemand naar zijn voorhoofd wees.

Het boekbedrijf is volgens mij niet erg gediend met multinationals. De beste uitgevers in Nederland op dit moment zijn KMO’tjes, kleine en middelgrote dan nog. Een man of tien of zo. Neem bijvoorbeeld het probleem van de vaste boekenprijs, het voornaamste argument om die niet los te laten is dat het boekbedrijf leeft bij de gratie van een soort interne subsidiëring. Elke uitgever, enfin, elke goeie uitgever wil graag wel een aantal bestsellers, maar bedruipt van die bestsellers de boeken waar hij anders geen winst mee maakt en die geeft hij ook uit: debuten of andere risico-volle boeken.
Dus, dat zijn zakenlui, gehaaid genoeg om te weten wat winst en verlies is, maar die niet op de winst speculeren, die literatuurliefhebbers genoeg zijn om alles uit te geven wat zij de moeite vinden. Maar het ene financiert het andere. Als je die vaste boekenprijs afschaft, schaf je ten dele de winst op de bestsellers af, want die worden beneden de prijs verkocht, en heb je dat systeem van interne subsidiëring niet meer. En dàn ga je boeken moeten subsidiëren, vanuit het ministerie, die nu probleemloos meedraaien.

“IK KEN HEEL VEEL INTELLECTUELEN DIE GEEN KRANT HEBBEN”

– Hoe dan ook, wie daar “voordeel” bij gehad heeft, bij die ganse zaak Weverbergh, is misschien “De Morgen”. Ik geloof dat zowel Weverbergh als Manteau een aandeel hebben genomen. Het blijkt nu dat u gisteren nog op een vergadering was, dat wist ik natuurlijk niet, maar hoe dan ook wou ik het met u wel eens over “De Morgen” hebben. U heeft toch lang genoeg bij “Humo” mogen werken, dus bij de, laten we zeggen, linkse onafhankelijke weekbladpers, om te weten of een links onafhankelijk dagblad levensvatbaar is. Leuk zijn, dat is wel o.k., maar…

H.D.C.: Nu, ze zijn meer dan leuk, zeker?

– Als ik zeg “leuke” krant, dan citeer ik een beleidsoptie…

H.D.C.: “Onder andere” een leuke krant, zeker. Humo is “onder andere” een leuk blad, naast de rest.

– Daar zijn natuurlijk ook de televisieprogramma’s waar het nog altijd in de eerste plaats om draait, neen?
H.D.C.: Ja, maar “Humo” is meestal ook geestig gemaakt, vind ik.

– Akkoord, maar dat is meegenomen, daarom koop ik “Humo” en niet “TV-Ekspress”. Maar je koopt het in feite omdat je de TV-programma’s wil.

H.D.C.: Ik denk dat daar een verschuiving in zit. Toen ik twintig jaar geleden in het leger zat, was er niemand die daar Humo kocht, omdat je daar toch geen TV had. Toen werd het nog uitsluitend als televisieblad gezien. Maar de laatste opiniepeiling die ik gezien heb bij Humo, een jaar of vijf geleden, wees er toch op dat daar een verschuiving was, dat niet iedereen hem daarom nog las, of niet in hoofdzaak. En dat zou toch ook kunnen zijn voor “De Morgen”.
Maar het wordt in politieke kringen niet geaccepteerd, gek genoeg. Dat er een soort dagelijkse “Humo”, in krantvorm dan, zou komen, ongebonden. Dan vinden ineens Van Miert en Manu Ruys mekaar, die dat geen van beiden willen, terwijl men jaren De Morgen heeft doodgeverfd als partijkrant! En als ze dan er weg van zouden willen, dan gaat iedereen steigeren natuurlijk. Raar, hé. Maar de leefbaarheid, dat is het grootste vraagteken dat ik heb bij die hele operatie. Het kan echter net zo goed zijn dat ze gewoon van vandaag op morgen ineens erdoor zijn.

– Dat is net wat ik bedoelde. Het gaat hem niet over de reddingsoperatie als zodanig, het gaat over het feit of een onafhankelijk blad – noem het dan leuk – kàn in Vlaanderen.

H.D.C.: De markt is hier klein. Vlamingen lezen veel minder dan Hollanders, die gemiddeld twee kranten kopen, een ochtend- en een avondkrant. En dan nog een weekblad. Ik ken heel veel intellectuelen die géén krant hebben, hier. Dan ben je in Holland al geen intellectueel meer. “De Standaard” heeft ook niet zo’n schitterende oplage, hé. Die bestaan dankzij “Het Nieuwsblad”. Het gaat er uiteindelijk om of men er zal in slagen een kwaliteitskrant te maken.

– Wat bedoel je met “kwaliteitskrant”?

H.D.C.: Ik vind dat “De Morgen” nu geen kwaliteitskrant is, maar ik vind dat ze zeer goed die focusformule uitgebouwd hebben. Behalve in de vakantie, in de komkommertijd, dan moesten ze echt onderwerpen van niks gaan opblazen tot vier bladzijden. Maar voor de rest vind ik die formule uitstekend. Ik vind dat verfrissend om zien in vergelijking met andere kranten. Dus, telkens één onderwerp waarop ingegaan wordt.

– Men zegt in sommige middens ook wel eens dat het eigenlijk nog een produkt van oud-achtenzestigers is, en ja, die kennen daar in feite toch niks van, van zaken. Dus, ik zou eerst en vooral willen vragen, zie je jezelf ook als een oud-achtenzestiger?

H.D.C.: Als iemand van die generatie in elk geval.

– Maar wil u dat dan even definiëren? Wat dat voor u betekent, want de generatie van ’68 wordt de jongste tijd eerder scheef bekeken.

H.D.C.: Ik weet het niet. Ik ben ook van een aantal dingen teruggekomen. Dat is een normale ontwikkeling, denk ik. Als je reageert, als generatie, dan overdrijf je die reactie. Dan denk je niet eens aan politiek. Een verschijnsel als Amada, de PvdA, is typisch voor een generatie die vanuit het niets in de politiek gekomen is. Die komt niet uit een politieke familie. Dat is het verschil met de RAL, die kwam grotendeels uit een socialistisch nest. Jong, radicaal, maar met een politieke traditie achter zich. PvdA, dat was typisch een bekeringsfenomeen. Van mensen die uit de lucht kwamen vallen, uit het politieke niets, die zich van katholiek ineens bekeerden… Zoals de missionarissen vroeger bekeringen hadden. Maar dingen zoals de pedagogische theorieën van toen, de anti-autoritaire opvoeding en noem maar op, daar ben ik nogal zwaar van teruggekomen, hoor.

“HET ONDERWIJS NEDERLANDS IS ONTAARD TOT EEN DEBATCULTUUR”

– U houdt geregeld pleidooien voor een herwaardering van het Nederlands, of van het aanleren ervan in de scholen. U spreekt van de tucht van de “dt” bijvoorbeeld, in uw bijdrage voor “Hard op de Tong”. De collega die dat moest uitschrijven, heeft dat trouwens beaamd, want hij heeft meteen een dt-fout in de zin gezet (HDC lacht smakelijk). Is die “tucht” die u bepleit dan zo belangrijk?

H.D.C.: Ik heb gisteren nog zitten discussiëren over de verloedering van het Nederlands. Ik had het daarover met Leo De Haes, die zei op een bepaald moment, dat het de domste studenten zijn die nog Germaanse gaan studeren. Omdat de “slimsten” weten dat daar geen toekomst meer in is en daar rekening mee houden. Dat zijn de studenten die geen twee zinnen kunnen aan mekaar schrijven, die dt-fouten schrijven, die geen zinsontleding kennen. Die gaan nu Germaanse studeren.

Dat is misschien ook wel een fout van onze generatie, die het ineens belangrijker vond om ideologie over te brengen en meningen in plaats van vaardigheden. Het onderwijs van het Nederlands is ontaard tot een debatcultuur, waarbij het schrijven geen rol meer speelt. En als het al in het Nederlands geen rol meer speelt, waar dan nog wel?
In mijn visie moet elke leraar een soort leraar Nederlands zijn. Maar het schrijven op school is overal veronachtzaamd. Vroeger was elke ondervraging toch een soort bondig en zo helder mogelijk formuleren van wat je wist als antwoord op die vraag. Als dat vervangen wordt door multiple choice tot in de universiteiten, valt dat weg.

Dit is allemaal in feite geen kwestie van verstand, hé, dit is een kwestie van tucht. Maar ja, die tucht of die zorg zijn dan wel nodig in dat geval. Zoals ook bij de opvoeding het idee van “moeite” voor een groot stuk is weggevallen. Het wordt ervaren als kind-onvriendelijk. Dat moeite die zichzelf beloont niet onplezierig is, dat is nochtans iets wat elke sporter weet. Maar ik weet niet of dat er in het onderwijs nog inzit. Dat principe is wel een van de moeilijkste attitudes om aan te leren.

“CULTUUR IS HET TERREIN WAAROP JE BESCHAAFD KENNIS NEEMT VAN DE IDEEEN VAN JE TEGENSTANDERS”

– Over tucht op school gesproken. Ik heb het geluk gehad (en ik wik mijn woorden) om bij Anton van Wilderode les te volgen. Ik beschouw hem overigens samen met u en Hugo Claus als de grootste Vlaamse dichter van het ogenblik. Ik vraag me af wat u van die vergelijking denkt, te meer daar ik nog wel méér verbanden zie met u. Bijvoorbeeld de strenge versvorm en vooral de weemoed, de melancholie… (**)

H.D.C.: Die melancholische toon. Ja. Dat kan. Ik vind Van Wilderode een goeie dichter. Hij is een van de meest gelezen dichters, maar door de linkerzijde totaal ongelezen. En daar speelt toch wel op een rare manier ook de polarisering, waarvan ik dacht dat die in de literatuur eigenlijk niet bestond. Die hokjesmentaliteit… Dat zijn dingen waar ik met veel genoegen tegenin ga. Toen in het NWT Benno Barnard over Van Wilderode schreef, kreeg je als reactie vaak ook de wijzende vinger naar het voorhoofd. Van Wilderode die werd ter linkerzijde doodgezwegen.

Ik had toen ook nog gedichten van hem gevraagd. Hij was net begonnen met de voorpublicatie van die bundel over Keizer Karel. En dat waren zeer sterke gedichten. Ik had die eigenlijk in datzelfde nummer willen hebben als het stuk van Benno Barnard. Maar toen hij dat stuk gelezen had was hij, denk ik, niet meer geneigd om ze af te staan. Ik vond nochtans dat Benno Barnard het goed opgelost had. Hij had zich volledig gedistancieerd van de politieke figuur Van Wilderode en tegelijkertijd gezegd dat hij een zeer goed dichter was. Dat moet toch kunnen. Maar blijkbaar was Van Wilderode daar dan niet gelukkig mee. En een aantal linksen ook niet.

Maar dat doe ik dan wel met plezier. Omdat ik altijd pluralist ben geweest en literatuur of cultuur is een van de laatste domeinen waar het pluralisme in de praktijk soms nog wel bestaat, waar die politisering nog niet helemaal is doorgetrokken. Je hebt zelfs een aantal beruchte staatsprijzen gehad waarbij die compartimentering verkeerd uitviel, waarbij katholieke juryleden bijvoorbeeld de Staatsprijs gaven aan Boon. Boon heeft de Staatsprijs gekregen dankzij de derde stemmer, Piet Thomas, jezuïet. Ten gevolge waarvan Van Wilderode jarenlang niet meer met hem gesproken heeft trouwens… (****)
Ik bedoel maar, dat politiseren … De literatuur was het laatste domein waar dat nooit zou mogen gebeuren. Cultuur is het terrein waarop je beschaafd kennis neemt van de ideëen van je tegenstanders. Twintig jaar geleden had je het verwijt, toen de katholieken wat meer de scène domineerden, dat bepaalde linkse schrijvers zoals Boon niet aan bod kwamen, maar ik kende geen enkele linkse schrijver, hier bij ons in Vlaanderen, die echt de dichter Van Wilderode gelezen had, tot vóór een paar jaar.

– Boeiender dan het puur politieke aspect, de opdeling links/rechts, vind ik de thematische opdeling. Natuurlijk, àlle gedichten hebben te maken met leven en dood. Dood is in dit geval geen probleem. Leven heeft dan meestal, of zeer vaak, als uitgangspunt de erotiek. Het lijkt mij vrij logisch dat die als een levensdrift naar voren komt. Als we dus nogmaals die drie nemen, dan schrijven u en Claus op een zeer boeiende manier over erotiek. En daar staat dan tegenover Van Wilderode, die dan als priester zichzelf amputeert van dat onderwerp.

H.D.C(glimlacht): Ik denk niet dat hij daar veel last van heeft.

– Maar daar komt dan die technologische component voor in de plaats …

H.D.C.: Ja, dat is ook een Trieb of hoe noemt Freud dat. Net zoals erotiek. Je mag dat niet zeggen of je krijgt weer te horen van ai, je weet wel, één keer katholiek opgevoed, het gaat er nooit uit. Toch vind ik het heel boeiend om nu te lezen bij Kruithof – onverdachte bron! – hoe hij die link legt tussen religiositeit (als iets totaal anders dan godsdienst) en ecologie. Dat je pas die bekommernis voor ecologie krijgt als je de ervaring hebt van de mens als iets nietigs in het groter geheel. Dat vage gevoel zou ook ik dan religie noemen. Het gevoel van unheimlichkeit tegenover het oneindige. Als je dat allemaal religie noemt, dan, denk ik, is dit een even belangrijke drijfveer net zoals erotiek dat is. Het zijn dingen die fundamenteel des mensen zijn. Bij de ene meer dan bij de andere. Ik ken er die het zonder erotiek doen, ik ken er die het zonder religie doen. Ik weet dat die uitspraak mij weer vijf jaar zal achtervolgen, maar…

“ZOLANG ER SNEEUW IS, IS ER HOOP”

– Tot slot: de keuze om u te interviewen is minder het al dan niet krijgen van de één of andere prijs, maar wel juist die toon van uw gedichten. Als ik gedichten van uw hand lees, vraag ik men wel eens af welk een man deze gedichten schrijft en vooral: hoe reageert hij op dit tijdstip van dat jaar waarover een ander groot dichter, zijnde Raymond Van het Groenewoud, schreef, lang geleden, “dit zijn weer de harde dagen, Kerstmis spreidt zijn walm weer uit”… Hoe ervaart u dat? Want men heeft enerzijds die valse melancholie, die er van buitenaf op geënt wordt, al was het maar met de muzak in de winkelstraten, maar waar we dan als individu in feite niet echt tegen bestand zijn. En als je dan geen mooie gedichtjes kunt schrijven, zoals Herman De Coninck…

H.D.C.: Een dichter heeft het voordeel dat hij het eventjes goed kan zeggen, dat is waar. Maar dat geldt dan ook voor dat ene gedicht dat lukt. Je hebt ook het nadeel van die negen andere die niet lukken. En daar zit je meer mee dan met dat ene dat lukte. Poëzie is vaker een reden tot ontevredenheid dan tot tevredenheid… God, Kerstmis, ik zit daar eigenlijk niet echt mee.

– Ik vraag dat vooral omdat als men uw gedichten leest, men daarin ook een aantal van die “valse” beelden terugvindt. Ik denk aan vallende bladeren, sneeuw die naar beneden dwarrelt… en die herken je dan wel als echt. En je gaat me toch niet zeggen dat dit dan een puur spraakkundige kwestie, een puur taalkundige kwestie is?

H.D.C.: Nee, maar ik heb nogal een groot gevoel voor cliché, dus voor wat je er niét mee moet doen. Als dichter, als het er echt op aankomt, denk ik, dat je bijna altijd terugvalt op een aantal archetypische beelden, die voor iedereen anders zullen liggen en waarvoor je een verklaring zoekt. Of die blijven intrigeren. Ik zou zelf niet weten waarom, maar ik geloof dat ik in totaal toch een stuk of vijf keer over sneeuw geschreven heb. Die clichés die telkens symbool staan voor iets anders. Het zijn eigenlijk de oersymbolen in de zin van Jung, de archetypische beelden die meer zijn dan wat ze zijn. En toch weet je niet wat.

Water, ik zal wel eens over water geschreven hebben. En waarom schrijven zoveel dichters over de maan? Terwijl dat puur cliché is, maar toch… Ik vind dat een knappe dichter diegene is die over de maan nog iets kan zeggen waardoor ik opnieuw kijk of die daar een nieuw beeld voor vindt. Op een bepaald moment kun je zeggen: dat is cliché-poëzie. Maar dat is het alleen als het slecht gedaan wordt. Ik denk dat dit een soort van eeuwige thema’s zijn…

Het zijn zelfs niet eens thema’s, het zijn aanwezigheden. Water kan zowel Freudiaans zijn, het vruchtwater, waaruit alles voortkomt, als… ik weet niet wat voor betekenissen het allemaal kan hebben. Sneeuw kan een symbool zijn zowel van zuiverheid als van een soort genade die uit de lucht valt. (“Genade” is dan weer zo’n katholiek beladen term).

“Zolang er sneeuw ligt”, die bundel van mij, dat ging over de ervaring van een nacht in het leger dat ik op wacht moest staan. Het had gesneeuwd en er stond volle maan. En dan wordt het nooit donker, want die maan weerkaatst op die sneeuw. Dus ook: midden in de nacht blijft het altijd licht. Zoals het noorderlicht aan de Noordpool. En dat gebruikte ik dan als beeld voor, god ja, om te zeggen: die situatie is niet optimistisch, maar ook niet totaal uitzichtloos, want het wordt nooit helemaal donker. Zolang er sneeuw is, is er hoop. Ik bedoel, daar kom je ook toe via het beeld van die sneeuw.

Mensen vragen altijd waarom schrijf je gedichten? Of: wat is inspiratie? Wel, ik denk dat elke dichter een stuk of twintig – niet veel meer – van die beelden heeft waarvoor hij woorden zoekt. Waarom? Als je zou weten waarom, dan doe je het niet meer.

Referenties
Jan Draad, Herman De Coninck aan het lijntje, De Rode Vaan nr.30 van 1983
Ronny De Schepper, De Rode Vaan sprak met… Luk? Romain? Albert? Boudewijn? Nee, HERMAN De Coninck! De Rode Vaan nr.52 van 1986

(*) Naar P.C.Hooft. In het seminarie dat Frans Dambre eraan wijdde, betoogde Staf De Wilde dat het hier “schaamlipjes” betrof…

(**) Patrick Dewael was in die periode minister van cultuur.

(***) Jan Mestdagh in De Rode Vaan: “Anton van Wilderode is een rechtse rakker, maar deze priester-dichter zal veel vergeven worden omdat hij een uitmuntend kenner én beoefenaar is van de edele dichtkunst. In zijn laatste bundel ‘Dorp zonder ouders’ werpt van Wilderode een weemoedige blik op het landschap en de mensen van zijn jeugd, met wie hij zich blijvend verbonden weet. Met de klassiek geschoolde van Wilderode bevinden wij ons ver van de roze bonbon-poëzie van de huidige neoromantici. De vertaler van Vergilius schrijft een voornaam vers, dat binnen zijn vormelijke perfectie de sentimenten bedwingt, doch ze juist daardoor weer tot een grotere intensiteit opvoert. Deze mannelijke melancholie lijkt ons de grondtoon van dit dichterschap.

(****) Op een postkaart, afgestempeld op 10/1/1987, schreef Anton van Wilderode me hierover: “Dank voor de toezending van het interview met Herman de Coninck die zich over een paar dingen vergist: prof.dr.Piet Thomas is géén jezuiet mar priester in het Bisdom Gent (prof. aan de Universiteit Kortrijk) en het is niet waar dat ik ‘met hem niet meer sprak’: wij zijn goede vrienden wat niet betekent dat wij over alles op dezelfde manier oordelen: hij heeft zijn opvatting, ik de mijne. Toen en thans.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s