Het is vandaag precies 120 jaar geleden dat de Duitse componist, dirigent, organist en pianist Johannes Brahms is overleden.

Brahms werd geboren in een sloppenwijk van Hamburg. Hij was de zoon van een muzikant die in cafés hoorn en contrabas speelde. Zijn ouders zagen al snel zijn grote muzikale talenten en hij kreeg op zijn zevende jaar pianoles van Otto Friedrich Cossel. Toen hij tien jaar oud was, speelde hij de pianopartij in het pianokwintet opus 16 van Ludwig van Beethoven. Dit optreden werd bijgewoond door een Amerikaanse impresario, die veel geld bood voor een tournee in de Verenigde Staten van dit wonderkind. Onder druk van zijn pianoleraar, die bang was dat het talent zich door dit plan niet verder zou ontwikkelen, ging de tournee niet door. Johannes kreeg daarop gratis les van Eduard Marxsen, de beste pianoleraar van Hamburg. Ondertussen moest de kleine Johannes, toen ongeveer dertien jaar, om zijn ouders te steunen in hun voortdurende strijd tegen de armoede, populaire muziek spelen in kroegen en bordelen. In deze periode arrangeerde en componeerde hij populaire salonmuziek voor piano-vierhandig: de manier in die tijd om amusementsmuziek in huiskamers ten gehore te kunnen brengen. Op zijn vijftiende begon hij volksliedjes te verzamelen en te bewerken, en in 1851 had hij zijn officiële eerste werk geschreven, het Scherzo in es-klein (opus 4).
Reeds tijdens het pianospelen in de bordelen las Brahms gedichten van onder meer Novalis en Hölderlin. In de negentiende eeuw stond de muziek immers, zoals men vaak zegt, “in de ban van de letteren”. Maar Brahms mag dan nog zijn koorliederen op tekst van romantici bij uitstek zoals Goethe en Schiller (b.v. “Nänie” uit 1881 en “Gesang der Parzen” uit 1882) geschreven hebben, helemààl in de lijn van zijn tijdgenoten ligt zijn muziek toch niet. Brahms wordt over het algemeen dan ook eerder beschouwd als de laatste “klassieke” componist.
Brahms ging in het midden van de negentiende eeuw zelfs doelbewust tegen de opvattingen van zijn tijdgenoten in. Zijn muziek is ‘absoluut’ en ligt als dusdanig in de lijn van de grote klassieke meesters Haydn, Mozart en Beethoven. Dat wil nu ook weer niet zeggen dat Brahms een conservatief zou zijn geweest. Integendeel. Op gebied van harmonische vondsten, instrumentatie, pianistiek en vooral ritmiek was hij een ware vernieuwer. Dat blijkt b.v. uit zijn sonate voor cello en piano uit 1886 (op.99), toen hij in Zwitserland verbleef, waar hij nog zijn tweede pianosonate en een pianotrio (resp. op.100 en 101) creëerde. De tremoli in het eerste deel wilden zijn tijdgenoten nog aanvaarden in pianotranscripties van orkestwerken, maar zeker niet in kamermuziek. En het pizzicato in het tweede deel heeft zelfs iets “jazzy”, al is dat natuurlijk een beetje onzinnig om zoiets te beweren. Maar zoals gezegd, in de pianocomposities kwam dat vernieuwende sterk tot uiting. Vandaar ook dat het niet verwonderlijk is dat uitgerekend Jan Michiels, die vooral als een specialist van hedendaagse pianomuziek zijn late pianomuziek op een CD van Eufoda heeft geplaatst. De uitgepuurde, transparante benadering van de partituur vormt inderdaad een aanloop naar Schönberg of Webern. Michiels deed dat bovendien op een historische Bösendorferpiano uit 1884, wat het effect nog vergroot. (Fantasien, Intermezzi en Klavierstücke, op.116-119, Eufoda 1253)
Uiteraard schreef hij onder invloed van zijn vriendschap met de Hongaarse violist Eduard Reményi (1828-1898), waarmee hij concerttoernees gaf, ook wel “Hongaarse dansen”, volledig in de lijn dus van de romantiek (ze worden niet toevallig, zeker in orkestversie, steeds gekoppeld aan de “Slavische dansen” van Dvorak, want deze is kunnen doorbreken dankzij de steun van Brahms en hij was daar ook dankbaar voor: hij was b.v. één van de dragers van Brahms’ doodskist), maar toch zette hij zich met zijn vioolconcerto bewust af tegen de virtuositeit van een Paganini b.v. “Een vioolconcerto mag geen match zijn tussen de solist en het orkest,” zei Brahms, “maar een creatie van het geheel.” Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen. Zo ging de première op nieuwjaarsdag volledig de mist in. Al kon dat ook zijn omdat Brahms, die het orkest dirigeerde, meer geconcentreerd was op zijn broek die voortdurend dreigde af te zakken dan op de muziek!
Bovendien deed Brahms veel onderzoek naar oude muziek. Dat zou men op zich als romantisch kunnen beschouwen, maar hij ging daarbij zo wetenschappelijk te werk, dat zijn collega’s zijn interpretaties als “reactionair” van de hand deden. Dat komt vooral omdat het grote voorbeeld van Brahms Johann Sebastian Bach was, dat was hem bijgebracht door zijn eerste leraar, Eduard Marxsen, vooral met de anti-romantische bedoeling van niet op “inspiratie” te zitten wachten, maar vooral op “transpiratie” te teren. Het religieuze aspect van Bach liet Brahms overigens links liggen, want hij was een overtuigd agnost. Zo is zijn “Deutsches Requiem” zeker niet religieus getint.
Als men dit alles in overweging neemt, is het eigenlijk merkwaardig dat Brahms zo zwaar op de hand klinkt. Volgens dirigent Fabrice Bollon ligt dat aan een verkeerde interpretatie. Hij maakt een onderscheid tussen “biermuziek” en “wijnmuziek”. Brahms werd tot nu toe altijd als zware biermuziek gespeeld, terwijl hij eigenlijk lichte wijnmuziek heeft geschreven.
Brahms zelf kende overigens het onderscheid maar al te goed: net als zijn vader, een doodgewone contrabassist, is hij aan leverkanker gestorven. In zijn jeugd heeft hij nog piano gespeeld in zeemanskroegen om aan de kost te komen. Hij speelde ook in bordelen, maar tegelijk speelde hij tot zijn achtentwintigste nog met tinnen soldaatjes.
Ondertussen heeft ook Jos Van Immerseel zich met zijn Anima Eterna aan Brahms begeven en dat lijkt me een meer aangewezen orkest voor deze benadering. Men zou trouwens kunnen zeggen dat Jos voldoende affiniteiten heeft met Brahms, want ook Johannes’ privé-leven was “a mess”. Toch is er een pertinent verschil. Zo was Brahms eerst verliefd op Clara Schumann en hij nam dan ook de zorg op zich van haar en haar zes kinderen toen Robert Schumann overleden was. Dan werd hij verliefd op de oudste dochter, maar zijn wereld stortte in toen hij hoorde dat ze met een graaf ging trouwen. Als “huwelijksgeschenk” schreef hij voor haar in 1869 de Alt-Rhapsodie (op.53), die echter druipt van de weemoed. Leuk huwelijksgeschenk dus. Het werk werd overigens gecreëerd door het lief van Toergenjev. Van dan af werd Brahms voortdurend verliefd op zangeressen, hij werd door hen (en niet alleen door hen) ook aanbeden, maar toch kwam hij er nooit toe te trouwen, ondanks het feit dat hij kinderen “de enige ware onsterfelijkheid” vond. “Met het huwelijk vergaat het mij net als met de opera,” placht Brahms te zeggen, “tot geen van beide kan ik het besluit nemen.” Na wat Beethoven gepresteerd had in het strijkkwartetgenre, zag Johannes Brahms het als een bijna onbegonnen zaak om de Weense meester te overtreffen. Vandaar dat hij pas op 40‑jarige leeftijd een eerste poging ondernam. Het strijkkwartet in a, op.51/2 van Brahms is een tweede proeve. Brahms hoeft zich hier niet zo nodig meer te bewijzen en schrijft gewoon lichter. De thema’s zijn duidelijk van elkaar gescheiden en geprofileerd en Brahms brengt een organisch proces op gang waarin kleine motieven zich steeds verder transformeren en ontwikkelen.
Johannes Brahms was vijftig toen hij zijn derde symfonie componeerde. Zijn classicistisch geïnspireerde stijl lokte grote controverses uit bij de Liszt‑ en Wagneraanhangers. Zo bestond componist Hugo Wolf het om een vernietigende recensie te schrijven na de creatie. Iets wat tussen haakjes achteraf Wolf veel meer schade berokkende dan Brahms. Overal waar de symfonie gespeeld werd, riep het werk enthousiasme op. Zijn derde is dan wel de kortste van de vier, het is daarentegen wel zijn meest ambitieuze symfonie in het streven naar een structurele samenhang over de grenzen van de vier delen heen.
In 1891 ontmoette Brahms in Meiningen klarinettist Richard von Mühlfeld, uit het orkest van de hertog. Op die manier leerde hij pas zeer laat de technische mogelijkheden en de klankeigenschappen van de klarinet kennen. Hij gebruikte het instrument toch nog in vier gedenkwaardige composities, waaronder het trio op.114, dat een jaar later in Meiningen werd gecreëerd door Brahms zelf aan de piano, von Mühlfeld uiteraard op klarinet en Hausmann aan de cello. Ook het kwintet op.115 ging de geschiedenis in als één van de mooiste bladzijden voor klarinet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s