Het is vandaag precies zeventig jaar geleden dat de Vlaamse auteur Felix Timmermans is overleden.

Felix Timmermans werd op 5 juli 1886 geboren te Lier als dertiende kind uit een gezin van veertien kinderen. Zijn vader was kanthandelaar en daardoor tekende Felix als kind reeds patronen. Timmermans was ongeschoold en was dus niet goed in spelling en zinsbouw. Hij verliet de school op zijn vijftiende, maar volgde avondschool in de tekenschool en was een trouwe bezoeker van de bibliotheek. Vanaf zijn zeventiende begon hij onder invloed van romantische dichters als Karel Ledeganck gedichten te schrijven die ook geregeld werden gepubliceerd in “Lier Vooruit”. Deze gedichten werden gebundeld en uitgegeven onder de titel “Door de dagen”, dat de abonnees van “Lier Vooruit” als nieuwjaarsgeschenk kregen. Na het lezen van een boek van Stijn Streuvels begon hij naturalistisch proza te schrijven. In 1910 brak hij als schrijver door met het zwartgallige “Schemeringen van de dood”, dat mede ontstond onder invloed van Raymond de la Haye, een bevriend schilder.
Door een breuk werd Felix Timmermans opgenomen in het ziekenhuis. Hij vreesde te sterven doordat er allerlei complicaties optraden, maar hij genas en onder invloed van zijn “mirakuleuze” genezing begon hij vlak voor de Eerste Wereldoorlog nota bene een “vitalistisch” boek te schrijven: “Pallieter” (*). Hierin verwerkte hij ook zijn verliefdheid op Marieke Janssens, warmee hij op 12 oktober 1912 trouwde. Dit huwelijk bracht drie dochters voort: Cecilia, ook bekend als Lia (1919), Clara (1922) en Tonet (1926) en een zoon Gommaar (1930). Deze kinderen waren ook actief in de kunstwereld. Ze illustreerden o.a. werken van hun vader en schreven diverse biografieën over hem.
“Pallieter”, dat in 1916 werd uitgegeven, zou zijn bekendste werk worden, al werd het oorspronkelijk negatief onthaald. Het haantje de voorste van de tegenstanders was niemand minder dan Paul van Ostayen. Hij vond dat “Fé” van de Vlaming een mens met te veel nonchalante kanten had gemaakt. “Waarom,” zo vroeg van Ostayen zich af, “moet de Vlaming als de neger van het Nederlandse taalgebied gediscrimineerd worden?”
“Pallieter” is eigenlijk geen echte roman, het is eerder een opeenvolging van taferelen. Timmermans schrijft een dialectisch getinte taal (vooral als het de dialogen betreft) met veel neologismen (“een traagdokkende kar”) en naïeve vroomheid.
Pallieter, een jonge, levenslustige boer, bewoont met zijn aangenomen zuster Charlot een hoeve in de uitgestrekte Nete-vallei. Daar de kermis op handen is, nodigt Charlot haar petekind Marieke uit. Van zodra Pallieter haar ziet is hij stapelgek op haar en na het feest wil hij haar enkel laten gaan als zij belooft terug te keren.
En Marieke kwàm terug… en verklaarde hem haar liefde. Het huwelijk was dan ook een sinecure. Als huwelijksreis maken zij een boottocht op de Nete. Zij worden “gezegend” met een drieling en het boek eindigt met het feit dat Pallieter, Marieke, hun kinderen en Charlot op een huifkar de wijde wereld intrekken. In het slot heeft Timmermans reeds een waarschuwing tegen de bedreiging van het milieu ingelast, maar in de film van Roland Verhavert (nochtans naar een scenario van Hugo Claus) wordt dit toch fameus overdreven.
De figuur van Pallieter heeft Timmermans – uiterlijk althans – opzettelijk vaag gehouden om meer nadruk te leggen op de idealen waar hij voor staat. Het grootste gedeelte van het boek bestaat dan ook uit natuurbeschrijvingen. In een amusant stuk schrijft een anonymus (ik gok op Herman De Coninck) in Humo: “Toen wij als veertienjarige in een schoolopstel met als titel De Veemarkt gewaagden van varkens met ballonronde billetjes, stond er na verbetering Bravo, Timmermans! in de marge bijgeschreven. Sindsdien trokken wij naar geen proefwerk Nederlands opstel meer zonder een paar zinnetjes natuurbeschrijving van Felix Timmermans tussen onze papieren, die we hoedanook te pas brachten. Op die manier heeft Timmermans zonder het te weten hele generaties besmet met zijn overvloedig taalgebruik. (…) Waarom zou je ’t met één adjectief afdoen als je ’t ook met tien kan? (…) Zoals Pallieter zijn naam in de sneeuw pist, zo schrijft Timmermans onze literatuur vol.”
Dit laatste mag dan als voorbeeld gelden van Timmermans’ volkse humor en dito uitspattingen wat eten en drinken betreft -vandaar de opmerking van Van Ostayen trouwens, maar ik verwijs ook weer naar de grappenmaker in Humo: “Als je Pieter Breugel leest, begrijp je meteen waarvandaan het raadseltje komt waarom Vlamingen ’s mandags schrammen op hun gezicht hebben. Dan hebben ze namelijk met mes en vork gegeten.”
Felix Timmermans was niet alleen een vitalist, hij was ook een activist. Na de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij naar Nederland om een veroordeling te ontlopen. Hij keerde begin 1920 ongehinderd terug. In 1922 kreeg hij zelfs de Staatsprijs voor Literatuur. In 1930 ontving hij de jonge Leon Degrelle die hij een tekening met opdracht cadeau deed. Dat jaar werd hij in de Berliner Illustrierte Nachtausgabe samen met Joris Van Severen (Verdinaso) en Ward Hermans (VNV) genoemd als één van de leiders van het Vlaamse fascisme. (**)
Tussen 1933 en 1940 trok Timmermans zo’n 20 à 30 keer naar Duitsland, af en toe op uitnodiging van het Cultuur- en Propagandaministerie van Goebbels. In 1936 werd zijn vijftigste verjaardag zowel in Vlaanderen, Nederland als Duitsland met veel aandacht gevierd.
Net een jaar vroeger had hij “Boerenpsalm” gepubliceerd, in alle opzichten de tegenpool van “Pallieter”. “Boerenpsalm” is een lyrische, hymnische verheerlijking van het boerenleven, in de mond gelegd van boer Wortel, een verstandige, werkzame en gevoelige boer, een soort humorist en kunstenaar tegelijkertijd.
Drie vrouwen spelen een rol bij boer Wortel:
1) Fien: met wie hij een heleboel beproevingen moet doormaken (de ongelukken, de rampen worden in “Boerenpsalm” net zo sterk overdreven als het geluk in “Pallieter”). het ergste is dat het dochtertje bij de geboorte blind is en dat de oudste zoon, Fons, zich misdraagt. Deze pleegt uiteindelijk zelfmoord, maar gelukkig kan boer Wortel dat verborgen houden voor zijn vrouw (zij sterft zonder het te weten).
2) Frisine: de vrouw van Fons. Aanvankelijk door Wortel opgenomen in de huishouding, maar later zal hij ermee trouwen. Het is een zorgzame vrouw waarop Wortel jaloers is wegens haar jeugd en schoonheid. Hij verdenkt haar ten onrechte van ontrouw. Wanneer Wortel eens laat weg blijft, gaat zij op zoek naar hem. Ze valt in een gracht en sterft. Dan pas beseft Wortel hoeveel hij van haar hield.
3) Angelik: de oudste kinderen zijn reeds getrouwd. Wortel heeft enkel nog een paar jonge kinderen (o.a. Amelieke, het blinde meisje) en de pastoor zoekt een vrouw voor hem. Hij vindt een rijke kwezel en Wortel laat zich ompraten in het vooruitzicht van een rustige oude dag. Toch loopt hij de ochtend van zijn huwelijk weg. Hij blijft uiteindelijk liever alleen met zijn kind en met zijn land.
BETEKENIS
1) “Boerenpsalm” is merkwaardig door de figuur van boer Wortel die tegelijk echt is en geïdealiseerd. Echt: wat hij is als boer. Geïdealiseerd: enkele onbewuste kwaliteiten als filosoof, kunstenaar of humorist. Dit is dus een overeenkomst met Pallieter: zij zijn allebei door Timmermans zeker niet als realistische figuren bedoeld.
Ook vertegenwoordigen zij allebei de aarde (dat is zelfs expliciet in de naam Wortel). In hun opstijgen naar het “hemelse paradijs”, komen zij langs de kant van de schoonheid eerst schilders tegen, zoals Pieter Bruegel (Timmermans schreef niet minder dan drie romans en één toneelstuk over deze man) of Adriaan Brouwer (postuum), en daarna – dichter bij de hemel – pastoors, zoals die uit “Pallieter” en “Boerenpsalm”, maar ook “De pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt”.
Langs de kant van het geluk daarentegen zijn er eerst volkse typen zoals “En waar de sterre bleef stille staan” en “Bij de krabbekoker”. Maar vrouwen als “Leontientje” en “De zeer schone uren van Juffrouw Symforosa, begijntjen” staan een trapje hoger.
2) Vergelijking Pallieter/Boerenpsalm
Stijl: bij Pallieter gaat het vooral om kleur (het uiterlijke), bij Boerenpsalm is het kernwoord beweging (werkwoorden!)
De hoofdfiguur: Pallieter is een onmogelijk gelukkige hereboer met een eindeloos domein, hij moet niet werken, hij kan zich volop overgeven aan genieten (hij bekijkt graag zijn land vanuit de hoogte). Wortel daarentegen is de zwoegende boer, hij bewerkt een lapje gehuurde grond en zijn blik is altijd naar de aarde gericht. Als hij wegens stropen acht maanden naar de gevangenis moet, dan wordt Fien het symbool van zijn land.
Pallieter is ook het voorbeeld van een paradijselijke christen, iemand die veel prààt over het geloof en in de godsdienst enkel de mooie, folkloristische uitingen ziet, zoals processies. Wortel daarentegen is een christen van na de zondeval, vol zondebesef. Hij heeft het vertrouwen in God nodig om het vol te houden. In plaats van processies is de biecht bij hem het uiterlijke symbool van religie.
Pallieter is een man van onmogelijk geluk. Alles zit hem mee. Hij is een symbool van levenslust. Wortel daarentegen wordt geconfronteerd met ongelukken in zijn gezin, met zijn vee en met de oogst. Hij is het symbool van een man die verbonden is met de aarde.
Tijdens de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog was Timmermans redacteur van het Vlaams-nationalistische Volk. In 1942 ontving hij aan de Hamburgse universiteit de Rembrandtprijs. Als Vlaams-nationalist en in Duitsland gekende schrijver was hij een graag geziene figuur bij Duitse officieren tijdens de Duitse bezetting. Na de bevrijding van Lier op 4 september 1944 werd hij verdacht van culturele collaboratie en hij werd bijgevolg onder huisarrest geplaatst. De aanklacht werd zonder gevolg geseponeerd op 22 december 1946.
Nadat Timmermans op 6 augustus 1944 reeds getroffen was door een kransslagadertrombose (hartinfarct), stierf hij te Lier op 24 januari 1947.

Ronny De Schepper

(*) Toen ik in 1974 lesgaf aan de Broedersschool in Sint-Niklaas, werd het als groepswerk besproken door Frans Drossaert, Marc Thijssen, Pierre Wauters en Theo Hiels.
(**) Hugo De Schampheleire in Humo, 25 december 1986.

Bronnen
Hugo Gijsels, De zeer zwarte uren van Felix Timmermans, Humo, 25 december 1986
Wikipedia (wat de biografische gegevens betreft)
Anton van Wilderode, De Dubbelfluit II
XXX, Het gat des Timmermans, Humo, 23 januari 1975

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s