Vandaag is het al zestig jaar geleden dat Béla Lugosi is overleden. Hij werd geboren als Béla Ferenc Dezső Blaskó in Transsylvanië, net als zijn geliefkoosd Dracula-personage. “Bela Lugosi meurt d’une crise cardiaque en plein tournage de Plan 9 from Outer Space,” meldt Alcide. En hij voegt eraan toe: “Certaines rumeurs affirment qu’il se prenait réellement pour un vampire à force de jouer cette créature, mais aucune biographie complète ne confirme ce qui s’apparente plutôt à un signe d’excentricité. De même, s’il a été enterré avec l’une de ses capes, ce n’était pas à sa propre demande mais celle de sa femme et de son fils.” Of het nu op zijn eigen aanvraag was of op die van zijn familie, ’t zal mij worst wezen, wat ik veel “creepier” vind, is dat er op het internet tal van foto’s in zijn kist te vinden zijn. Bijna had ik zelfs een dergelijke foto geselecteerd, aangezien ik dacht dat het een foto uit een Dracula-film was…

Griezelfilms zijn reeds zo oud als het medium zelf. Zo draaide filmpionier Georges Méliès in 1896 reeds “Le manoir du diable”, waarin de duivel als een vampiervleermuis wordt voorgesteld. Met veel goede wil kan men hier dus van de eerste griezelfilm spreken.
INDUSTRIELE REVOLUTIE
Men kan zich afvragen waarom een mens zichzelf zo graag schrik aanjaagt. Want vóór de film was er reeds de enorme populariteit van de zogenaamde “gothic novel” van het Engeland op het einde van de achttiende eeuw toen Horace Wallpole als eerste zijn “Castle of Otranto” uitbracht. Tal van andere “gothic novels” zouden volgen.
“Novel” betekent roman, zoals u misschien wel kon raden, en “gothic” is natuurlijk “gotisch”, maar waarom nu juist “gotische romans” als ze zich vooral in Engeland afspelen? Dit “gotisch” verwijst echter naar de bouwstijl van de meeste Engelse kastelen, liefst half in puin, met knarsende deuren, ingevallen grafzerken, half vergane mummies, zombies, spoken met smetteloos witte lakens en rammelende ketens, skeletten die van zichzelf al rammelen, roestige harnassen zonder ridders, vampiers en krijsende vleermuizen.
Niet toevallig ontstond dit genre in een tijd dat de Industriële Revolutie in volle opgang was. We zouden zelfs kunnen stellen dat het min of meer een reactie was tegen de verloedering van een bepaald cultuurpatrimonium. De oude Engelse landadel was vaak zodanig verpauperd dat zij de indrukwekkende kastelen niet meer kon onderhouden, zodanig dat zij aan verpuining ten prooi vielen en de ruïnes de dromerige geesten (daarmee bedoelen we dan de schrijvers) een uitstekend decor boden voor macabere vertellingen. Zo zien we dus samen met de eerste griezels ook de eerste groenen opduiken. Als dat niet merkwaardig is!
De allereerste griezelverhalen van Edgar Allan Poe zijn echter eerder nog “puur” romantisch. Poe zette eerder zijn hallucinerende visioenen te boek en Roger Corman heeft vele ervan verfilmd. Zo b.v. “The rise and fall of the house of Usher” (USA 1960 met Vincent Price). Daarna volgde “The pit and the pendulum” (USA 1961, alweer met Vincent Price). “The raven” dateert van 1963 en ook hier is de hoofdrol weggelegd voor Vincent Price. Voor “The Tomb of Ligeia” (1964) week Corman uit naar Engeland, maar hij nam Vincent Price mee in dit huiveringwekkende maar fascinerende verhaal van een man die zijn overleden vrouw niet kan vergeten en pas hertrouwt met iemand waarvan hij denkt door de geest van Ligeia bezeten te zijn. Zoals van zovele bekende films is hier ook een pornoversie van gedraaid, weliswaar in Frankrijk, zodat de namen totaal niet meer overeenkomen. Voor wie vertrouwd is met het verhaal van Poe mag echter duidelijk zijn dat “Le Parfum de Mathilde” (Marc Dorcel, 1994) wel degelijk op “Ligeia” is gebaseerd. Hoofdactrice Draghixa Laurent (Drajica Jovanovic) mocht voor haar vertolking zelfs een “Hot d’Or” (een soort van porno-oscar) in ontvangst nemen.
In de over-the-top interpretatie van het originele “House of Usher” is niets wat het lijkt te zijn. Wanneer de huwelijkskandidaat arriveert om de hand van het mooie, jonge meisje te vragen, openen de poorten van het huis van Usher zich en kunnen de kwellingen beginnen. In dezelfde lijn is “The Pit and the Pendulum” een vlot horrorverhaal à la Poe, dat zich afspeelt vlak na de Spaanse inquisitie. Vincent Price denkt dat hij wijlen zijn vader is, de meest kwaadaardige folteraar van de bloedige inquisitie. De befaamde klok- en slingermarteling van Poe in een prachtige enscenering. In “The Raven” wijkt Corman in zekere zin af van zijn vaste horroringrediënten; hij creëert hier een grappige satire op het horrorgenre waarin de tovenaars (Vincent Price en Peter Lorre) hun machtswellustige collega Boris Karloff (jawel, de beroemde Frankenstein-vertolker van James Whale) uitdagen, met alle gevolgen van dien.
Peter Bogdanovich leerde het vak bij Roger Corman. Hij kreeg in 1968 als “zijn eerste opdracht”: twee dagen filmen met Boris Karloff, die nog voor twee dagen in het krijt stond bij Corman. Dat moest twintig minuten film opleveren. Daarnaast had Corman zelf ook nog twintig minuten film met Karloff op overschot en dan kreeg Bogdanovich nog twee dagen de tijd om met andere acteurs hierrond een verhaal te bouwen! Dat werd dan “Targets” en het scenario zag er uiteindelijk als volgt uit: op de vooravond van de première van zijn nieuwste film kondigt Byron Orlok, ooit een gevierd horror-acteur (uiteraard gespeeld door Boris Karloff), aan dat het meteen ook zijn laatste zal worden. Hij heeft immers een grote afkeer gekregen van het toenemend geweld in de samenleving. Toch stemt hij toe om de première bij te wonen. Ondertussen speelt zich elders in de stad (natuurlijk, aangezien het om een totaal andere film gaat!) een drama af: Bobby, een wapenfanaat, heeft zijn vrouw doodgeschoten en vuurt nu vanop een gastank op al wat beweegt. Hij wordt door de politie in het nauw gedreven maar slaagt erin te ontsnappen. Hij verschuilt zich achter het scherm van de drive-in bioscoop waar Orlok de eregast is… Ook voor Boris Karloff werd dit trouwens de laatste interessante rol.
Met zijn tweede film, “The last picture show”, stapte Bogdanovich in tegenstelling tot Wood echter meteen al de legende binnen. Hij deed trouwens meteen ook de hoofdactrice Cybill Shepherd binnen.Zijn eerste opdracht bestond trouwens uit twee dagen filmen met Boris Karloff, die nog voor twee dagen in het krijt stond bij Corman. Dat moest twintig minuten film opleveren. Daarnaast had Corman zelf ook nog twintig minuten film met Karloff op overschot en dan kreeg Bogdanovich nog twee dagen de tijd om met andere acteurs hierrond een verhaal te bouwen! Met zijn tweede film, “The last picture show”, stapte Bogdanovich echter meteen al de legende binnen. Hij deed trouwens ook de hoofdactrice Cybill Shepherd binnen.
Edgar Allan Poe is ook door anderen uiteraard herhaaldelijk verfilmd. “Histoires extraordinaires” b.v. was een compilatie van drie kortfilms door Roger Vadim, Federico Fellini en Louis Malle. Deze laatste nam “William Wilson” voor zijn rekening, met in de hoofdrollen Brigitte Bardot en Alain Delon. Dit waren ingehouden meesterwerkjes. Wie liever van grand guignole houdt, kan terecht bij “The black cat” (Edgar G.Ulmer in 1934, maar veel meer nog in de remake door Lucio Fulci).
FRANKENSTEIN
Een waarschuwing tegen te veel vertrouwen in de wetenschap bevatte wel de klassieker “Frankenstein” (1818) van Mary Godwin, de echtgenote van de bekende romantische dichter Percy Byssche Shelley. Hierin keert een door de geleerde Dr.Frankenstein ontworpen “monster” zich uiteindelijk tegen zijn “meester”. Een paar gevoelige toetsen die mevrouw Shelley aan het “monster” meegeeft, zijn er duidelijk op gericht dat het wezen naast angst ook een zeker medelijden inboezemt, zodanig dat alle afkeer naar de “gekke wetenschapper” gaat, een aspect dat ook vaak in “de schone en het beest”-verhalen opduikt. Daarnaast is het ook wegens het autobiografische aspect dat het “monster” medelijden oproept. Haar vader William Godwin was na het overlijden van haar moeder Lady Wollstonecraft (een bekende feministe) hertrouwd en met die stiefmoeder vlotte het absoluut niet, zodat ze op 14-jarige leeftijd ergens ver van huis in Schotland werd ondergebracht. Net zoals het “monster” voelde ze zich dus in de steek gelaten door haar “schepper”. In haar nalatenschap vond men zelfs een roman, “Mathilda”, die over een incestrelatie tussen vader en dochter gaat! De inspiratie om een boek te schrijven over een mens die tot leven wordt gewekt door vuur vond Mary Shelley in haar eigen leven, want ze had steeds een droom over haar te vroeg geboren en dus snel gestorven baby die ze door warm te wrijven bij het vuur weer tot leven kon brengen.
Bij de tweedelige TV-film “Frankenstein: the true story” van Jack Smight uit 1973 wordt het monster zelfs vertolkt door de mooie Michael Sarrazin (“They shoot horses don’t they”), terwijl Frankenstein zelf eveneens door een onaards mooi knaapje wordt vertolkt, namelijk Leonard Whiting (“Romeo and Juliet”). Daarnaast doet men ook nog een beroep op grote Engelse namen: het scenario was van Christopher Isherwood en in kleinere rollen duiken acteurs op als John Gielgud, Ralph Richardson en James Mason, die heel toepasselijk Dr.Polidori wordt genoemd, naar de dokter die eveneens aanwezig was op de “ontstaansnacht” van Frankenstein. Deze visie leunt dicht aan bij het originele boek, want Mary Shelley heeft duidelijk ook erotische wensdromen in haar “monster” gestoken. Ook het feit dat Frankenstein zelf eigenlijk geen boosdoener was, maar aangesticht werd door iemand anders, verklaart zijn “mooi” (dus positief) uiterlijk. De “ontaarde” collega is hier David McCallum, die z’n rol meer in de kwaadaardige verf zet dan John Cleese in de Branagh-verfilming.
Op de originele tekeningen bij het boek is het monster trouwens helemaal niet afschrikwekkend. Het wordt ook niet “monster” genoemd maar “creature”. Bij de eerste filmversie (een one-reeler uit 1910 door Thomas Edison, tevens de allereerste horrorfilm ooit gedraaid) is het allemaal nog wat onduidelijk, maar het is Boris Karloff, of beter gezegd grimeur Jack Pearce, die het beeld van het monster archetypisch heeft vastgelegd, geïnspireerd door een schilderij van Goya. Frankenstein mag dan al ontelbare keren verfilmd zijn, een hoogtepunt blijft immers de originele James Whale-versie uit 1931. Een briljante jonge dokter, Frankenstein (Colin Clive), raakt ziekelijk geobsedeerd door het geheim van de onsterfelijkheid. Hij tast de grenzen van de toenmalige wetenschap af en creëert een levend wezen met het brein van een misdadiger. Hij brengt daarmee zijn eigen leven in gevaar en dat van anderen die hem dierbaar zijn. In deze indrukwekkende productie naar het gelijknamige verhaal van Mary Shelley is vooral Boris Karloff fenomenaal als het verstoten monster dat zich uit onvrede tegen de buitenwereld en tegen zijn schepper keert. Met verder Mae Clarke (Elizabeth), John Boles (Victor Moritz), Edward Van Sloan (Doctor Waldman), Frederick Kerr (Baron Frankenstein), Dwight Frye (Fritz), Lionel Belmore (Burgemeester) en Marilyn Harris (Little Maria).
Karloff zou zijn succesrol vier jaar later nog eens overdoen in “The Bride of Frankenstein”. “To a new world of gods and monsters” zegt de geschifte Dr.Pretorius als hij zijn glas gin heft en toast op het morbide. Dit vervolg op Frankenstein wordt door de meest horrorfreaks eveneens tot de top gerekend. De film doet de stijl en de sfeer van de grote gotische horrorfilm alleszins alle eer aan; niet in het minst dankzij de tot de verbeelding sprekende, ijzige muziek van Franz Waxman. Een blinde kluizenaar raakt bevriend met het monster (opnieuw Boris Karloff), die deze keer sympathieker gekarakteriseerd wordt en op zoek is naar een bruid (Elsa Lanchester). Vooral de dorpsmoordenaar (Dwight Frye) en de geschifte Dr.Pretorius (Ernest Thesiger) – die een heel leger monsters wil creëren – zorgen voor de nodige portie spanning. Deze film is – om het met de woorden van Lord Byron uit de proloog van de film te zeggen – “a tale that sent my blood into icy creeps.” Deze film was geen “sequel” in de zin dat men met het onderwerp vrijer begon om te springen, want de “eis” van het schepsel dat Frankenstein hem een bruid zou bezorgen staat reeds in de originele roman. “Son of Frankenstein” uit 1939 was dat dan weer wél, evenals “Frankenstein meets the wolf man”, waarin trouwens niemand minder dan Bela Lugosi gestalte gaf aan het “monster”.
DE SCHONE EN HET BEEST
Eigenlijk kan het originele Frankenstein-verhaal dus ook een beetje gelezen worden als een variante op “de schone en het beest”. Moderne voorbeelden van “de schone en het beest”-verhaal zijn “The swamp thing” van Wes Craven of “Darkman” van Sam Raimi. In beide films verandert een professor immers in een monster als hij door tegenstanders in zijn eigen gruwelijke uitvinding wordt gedoopt. In “The swamp thing” moet hij verder als een soort levende plant, maar in “Darkman” kan Liam Neeson zich met een soort van geavanceerde plastische chirurgie uit de slag trekken en vreselijk wraak nemen.
Het verschil met “Frankenstein” is dat er in laatstgenoemde films meestal wel een “love intrest” is, zoals dat in het vakjargon heet, maar dat dit niet parallel loopt met het grondmotief van “de schone en het beest”, namelijk dat men onder het afschrikwekkende uiterlijk de innerlijke schoonheid ziet. In het geval van “Darkman” b.v. is het net andersom: de liefdesscènes speelt Liam Neeson natuurlijk met zijn masker op, zodat zijn geliefde niet met de vreselijke realiteit dient te worden geconfronteerd. Om dezelfde reden kan men ook de verhouding tussen Jeff Goldblum en Geena Davis in “The Fly” daartoe niet rekenen, want ook hier is het de omgekeerde beweging. Ook hier kan het meisje de confrontatie niet aan met haar in een monster veranderende geliefde. Dat is alvast een stuk realistischer dan in het sprookjesmotief van de lelijke kikker die in een mooie prins verandert, maar toch ligt zelfs in deze laatste voorbeelden niet zozeer een realistische dan wel een moralistische reden aan de grondslag: de wetenschappers hebben zich bezig gehouden met proefnemingen die “niet horen”, die tegen “Gods orde” ingaan, zoals de critici op de lay-out van het tijdschrift “Klasse” het zouden formuleren, en “dus” moeten zij gestraft worden.
De Engelse criticus Robin Wood interpreteert het werk van die andere “gewelddadige” filmer, Tobe Hooper, bekend van o.a. “The Texas Chainsaw Massacre”, als het losbarsten van seksuele energie die niet meer kan worden gecontroleerd binnen het kader van het traditionele familieverband. Volgens Marc Holthof is het tegenovergestelde waar wat “Deadly blessing” van Wes Craven betreft: niet de verdringing van seks leidt tot monsterachtige gevolgen, maar het beleven ervan. Een aloud thema in “blood & gore”-films: seks dient te worden bestraft.
Zelf kan ik hetzelfde zeggen over diens “The people under the stairs”. Deze film vertrekt van een waar gebeurd feit: een psychopatisch echtpaar op zoek naar “de ideale zoon” gijzelt kinderen uit een arme buurt en mishandelt ze als ze niet aan de (zeer hoge) norm voldoen. Dat er ook een meisje in het huis is (niet toevallig “Alice” genaamd) en dat deze gespaard wordt van extreme folteringen zoals het uitrukken van de tong, kan enkel maar seksueel worden geïnterpreteerd. Bovendien is het uiteraard evenmin toeval dat de man een SM-pak aantrekt als hij zijn functie als wrekende vaderfiguur op zich neemt.
Deze tweedeling kunnen we ook terugvinden bij filmers als Luis Bunuel en Alfred Hitchcock en wel in de zin, zoals Ivo De Kock (De Andere Film) opmerkt: “Hitchcock (als) de sadist onder de filmregisseurs, Bunuel de masochist.”
In “Freddy vs Jason” van regisseur Ronny Yu zit Freddy Krueger (gespeeld door Robert Englund) in de hel – letterlijk. Tien jaar eerder infiltreerde Krueger de dromen van de tieners van Elm Street om zijn dodelijke wraak- en moordplannen uit te werken. Maar het stadje, dat vastbesloten is om voor eens en altijd een einde te maken aan Freddy, heeft de potentiële slachtoffers gedrogeerd, zodat ze niet meer kunnen dromen. De meester van de nachtmerries staat machteloos, want niemand is nog bang voor hem. En dat is verschrikkelijk voor een egomaniakale psychopaat…
BIBBEREN EN BEVEN
Heel iets anders dus zijn spookverhalen. Deze zijn zo oud als de literatuur en eigen­lijk nog ouder. Bijgeloof is voor onze voorouders steeds een middel geweest om de wereld te trachten te verklaren en gees­ten (bv. van voorouders) hebben daarbij steeds een rol ge­speeld, o.a. in mondelinge overleveringen. Zo oud als de mensheid is het begrip “geest” anderzijds ook niet, want kunnen we misschien pas eerst echt van “mensen” beginnen spreken wanneer er aan het stoffelijke bestaan ook iets “ver­geestelijkt” wordt gekoppeld (eerbied voor de doden bv.), dan is het natuurlijk nog niet zo dat er ook onmiddellijk werd gedacht aan het eventuele voortbestaan van die “geest”, in welke vorm dan ook, bij het afsterven van het lichaam. Er zijn er zelfs nu nog die daarin niet geloven! Hoe durven ze!
In de film zijn er ook vanaf de vroegste geschiedenis spoken te zien. Het allereerste uit “The apparition” (1903) blijft bijna de hele tijd onzichtbaar (het zijn voorwerpen die zich verplaatsen), maar op het einde krijgen we dan toch een vrouw te zien, die echter in niets verschilt van een levende persoon. Het cliché van het beddelaken gaat terug op “Haunted hotel” uit 1904. Opvallend is wel dat het hier twee komische films betreft. Nadien kwamen er b.v. ook veel romantische films met dat thema (heel recent nog “Ghost” of “Always” en daartussenin een mengeling van humor en romantiek in o.a. “The Ghost of Mrs.Muir” of “The Canterbury Ghost”), zodat van alle clichés men wel kan zeggen dat de spookfilms de minst angstaanjagende zijn, behalve dan klopgeesten in het genre van “Poltergeist”, maar die zijn niet “verpersoonlijkt” (*). Het verschrikkelijkste “spook” is zelfs een levende figuur, die zichzelf door een verminking tot een “spookachtig” bestaan heeft veroordeeld: in 1925 werd “The phantom of the opera” naar het boek van Gaston Leroux voor het eerst verfilmd (met een revolutionaire scène in kleur). Later zouden er nog talrijke remakes volgen, maar zoals zo vaak werd het origineel niet meer overtroffen. Opvallend is trouwens dat de schijnwereld van opera en toneel zich vaak als decor voor dergelijke verhalen leent. De hoofdrol werd vertolkt door Lon Chaney, een man die wel geboren leek voor griezelfilms. Reeds als kind was hij gefascineerd door clowns, met dien verstande dat hij ze buiten hun context helemaal niet grappig vond: “There’s nothing laughable about a clown in the moonlight!”
Als kind van doofstomme ouders was hij ook gewend te spreken door gebaren. Hij speelde al sinds 1913 kleine rolletjes, maar zijn doorbraak kwam er in 1923 toen hij Quasimodo speelde in “The Hunchback of Notre Dame” (Worsley).
Spookfilms werden zelden ernstig genomen. In een gefilmd interview zegt Arthur Conan Doyle wel dat hij heeft deelgenomen aan succesvolle spiritistische séances (tijdens de Eerste Wereldoorlog toen vele jonge gesneuvelden “op bezoek” kwamen om hun nabestaanden gerust te stellen). Mevrouw Houdini anderzijds verleende haar medewerking aan een film om het spiritisme te bestrijden (“Mystic circle mystery”). Houdini had haar namelijk beloofd dat hij na zijn dood zou proberen met haar in contact te komen. Ze hadden daar zelfs een geheime code voor afgesproken, maar toen ze na tien jaar nog niets had gemerkt, besloot ze dat dit het beste bewijs was dat het allemaal maar onzin was. Geef toe, als zelfs Houdini niet uit de doden kan opstaan, wie dan wel?
EROTIEK
Vaak kunnen geesten zich enkel manifesteren dankzij het optreden van een medium. Mediums zijn meestal vrouwen. Dat wordt dan uitgelegd omdat het om het wegcijferen van het intellect gaat en het zich laten drijven op gevoelens en intuïtie. In werkelijkheid was medium worden voor vele vrouwen vroeger de enige manier niet alleen om een eigen inkomen te hebben (en op die wijze niet louter afhankelijk te zijn van een man), maar zelfs om in niet geringe mate macht uit te oefenen.
Misschien komt het door de combinatie van gruwel en sentimen­taliteit in een tijd dat de vrouwen doorgaans nog niet over een eigen partnerkeuze mochten beslissen, zodat zij tussen deze twee polen heen en weer werden geslingerd, maar het is alleszins merkwaardig dat het griezelgenre veel succes had bij schrijfsters. Naast Mrs.Shelley is ook Mrs.Ann Radcliffe een bekende naam en zelfs grote namen uit de wereldliteratuur, zoals de gezusters Brontë kunnen niet helemaal los gezien worden van deze traditie (“Woeste hoogten” bv.). In de filmwereld is dit minder opvallend, maar dat is dan gewoon te wijten aan het feit dat vrouwelijke regisseurs nog altijd een uitzondering vormen.
In de inleiding op “De nachtzuster”, een verzameling spookverhalen exclusief door vrouwen geschreven, schrijft Renate Dorrestein dat de vrouwelijke obsessie voor griezelverhalen wellicht afkomstig is uit de maatschappelijke onmondigheid die een patriarchale samenleving hen oplegde. Op die manier konden ze gestalte geven aan hun angst of zelfs hun protest tegen de begrenzingen van hun eigen leven. Vandaar dat de verhalen doordrongen zijn van een verstikkende sfeer en een irrationele dreiging. Vervolging, opsluiting, eenzaamheid, verdriet om een onvervulde liefde of een verloren kind zijn dan ook constanten, later aangevuld door verdrongen erotiek.
Maar dat is natuurlijk niet enkel bij vrouwelijke auteurs het geval. Ook Bram Stoker (1847-1912), auteur van “Dracula” (1897), ontgaat de erotische ondertoon van de vampierenbeet niet. Eigenlijk schreef Stoker immers een parabel over de bevrijding van de vrouwelijke seksuele energie: de vampiersbeet windt immers niet enkel de vampier op maar ook het slachtoffer. Of hij dat had gelezen in het eerder gepubliceerde “Carmilla” van de Ier Sheridan Le Fanu weet ik niet, maar dit laatste boek heeft zelf ook twee vampierenfilms geïnspireerd: “Vampyr” van Carl Dreyer uit 1932 en “Et mourir de plaisir” van Roger Vadim uit 1960. Maar Dracula is ongetwijfeld de meest verfilmde vampier (180 keer). Eigenlijk wordt hij zelfs slechts door één personage voorafgegaan: Sherlock Holmes.
Het geniale van Stoker zit in het feit dat hij de algemeen verspreide vampierslegende heeft teruggevoerd naar een historisch personage, de Transsylvanische kruisridder Vlad V van Walachije uit de vijftiende eeuw. Twintig jaar geleden nog gecanoniseerd als vrijheidsstrijder door president Ceausescu heeft deze graaf, die in de vijftiende eeuw tegen de Turken vocht, zijn standbeeld in Transsylvanië, vlakbij zijn vermeende kasteel. Het is uiteraard niet dit aspect dat Stoker interesseerde. Hij baseerde zijn verhaal van de bloedzuigende “ondode”, die zich indien nodig in een vleermuis kon veranderen, op de volksverhalen die over deze (figuurlijk) bloeddorstige graaf de ronde deden. Met de werke­lijkheid komt enkel het “spietsen” overeen: toen noemde men hem immers ook al de Spietser, omdat hij zijn overwonnenen op lansen spietste. In Stokers fantasie wordt dat dan dat hij pas definitief kan worden gedood door een wig in zijn hart te spietsen. Het verhaal hoe hij van eerzame kruisridder (voor zover kruisridders eerzaam kunnen zijn) tot Dracul (duivel) evolueerde, wordt in de filmversie van Francis Ford Coppola geïllustreerd: door een misverstand pleegde zijn vrouw zelfmoord (ze dacht dat hij dood was) en zij mocht daarom niet kerkelijk begraven worden. Dàt zou graaf Vlad uitzinnig van haat tegen de kerk gemaakt hebben. Door zijn gedrag werd hij geëxcommuniceerd en zo heeft de kerk er oorspronkelijk zelf voor gezorgd dat dit bijgeloof ruime ingang vond. Een geëxcommuniceerde dode of een zelfmoordenaar waren wel degelijk dood, maar anderzijds mochten ze uiteraard de hemel niet in. Om onduidelijke redenen konden ze echter ook niet in de hel terecht, zodat ze als “ondoden” bleven verder leven, ’s nachts hier op aarde. In 1484 erkende paus Innocentius VIII (die zoals alle pausen toch onfeilbaar is, nietwaar) zelfs officieel het bestaan van deze “ondoden”. Een kerkelijke weerlegging kwam er pas in 1746, maar dan niet door een paus, maar door een Dominicaan, Augustin Calmet.
Maar we hadden het over erotiek en niet over spietsen, al komt dat daar natuurlijk ook soms om de hoek kijken. Het is duidelijk dat Dracula’s voorliefde om mooie maagdekens uit te zuigen een symbool is voor diens seksuele voorkeur. Maar Stoker was daar zeer kies in, de tijdsomstandigheden in acht genomen. Trouwens ook Roman Polanski toont aan dat hij dit aspect van het vampirisme goed heeft begrepen door in zijn schitterende parodie, “Het bal der vampiers” (“The fearless vampire killers”, 1969), ook een homoseksuele vampier ten tonele te voeren, iets wat later – toen het niet meer “politically correct” was om met homo’s te lachen – nog eens uitgebreid én ernstig werd overgedaan in “Interview with the vampire” (Neil Jordan, 1994).
Friedrich Wilhelm Murnau draaide in 1922 “Nosferatu” dat vrij trouw het boek “Dracula” van Bram Stoker volgt, maar omwille van auteursrechten een andere naam kreeg. Toch eiste de weduwe van Stoker dat de kopieën zouden worden vernietigd. Gelukkig bleef er één buiten schot in tegenstelling tot de twee jaar eerder gedraaide Hongaarse film onder de titel “Drakula”, met een k. Een opmerkelijk verschil met het boek is echter dat hoofdrolspeler Max Schreck (nomen est omen) er verschrikkelijk uitziet, terwijl er toch een erotische aantrekkingskracht van zou moeten uitgaan. Aangezien er ook twee doden vielen op het draaiplateau (uitzonderlijk op locatie in Tsjechoslovakije), deed zelfs het gerucht de ronde dat Schreck zelf een vampier was. Scenarist Steve Katts werkte dit in 2000 zelfs uit tot een film die door E.Elias Merhige werd gedraaid met John Malkovich in de rol van Murnau en Willem Dafoe als Schreck.
Voor een “aantrekkelijke” Dracula moeten we wachten tot in 1928 Bela Lugosi de hoofdrol vertolkt in de toneelversie door de Engelsman Hamilton Deane, die reeds dateerde uit 1925. In 1931, het jaar van James Whales “Frankenstein”, doet Tod Browning (1882-1962), de gewezen assistent van D.W.Griffith voor “Intolerance”, dan ook een beroep op deze Hongaarse Shakespeare-acteur om in zijn filmversie de rol te creëren (in 1938 was er ook een luisterspelversie van Orson “war of the worlds” Welles met hemzelf in de titelrol). Lugosi was dus in tegenstelling tot Max Schreck een seksueel zeer aantrekkelijk man en hij heeft op die manier zeker bijgedragen tot de “erotisering” van de Dracula-figuur. Lugosi’s carrière werd door het succes wel gelimiteerd tot louter rollen die aan de Dracula-figuur refereerden. In 1943 is Bela Lugosi wel te zien in een anti-nazi, maar vooral anti-Japanse film. In “Black Dragons” van William Nigh speelt hij een nazistische plastische chirurg die Japanners in Amerikanen omtovert opdat ze op die manier ongehinderd zouden kunnen spioneren.
Het verhaal van Dracula is overbekend. De Nederlandse dokter van Helsing wordt door de directeur van een inrichting bij zijn dochter geroepen, omdat zij aan een vreemde ziekte lijdt. Dokter en directeur staan voor een raadsel, tot zij beginnen vermoeden dat hun Transsylvaanse buren er iets kunnen mee te maken hebben. De zwart/wit film weet op indrukwekkende wijze te balanceren tussen horror en romantiek door te focussen op de seksuele aantrekkingskracht en de individuele conflicten van de personages. Browning focust hier op het thema van de lichamelijke onzuiverheid in Bram Stokers Dracula, die het gevolg zijn van verboden seksualiteit. De vampier is het prototype van de seksueel actieve man, die met zijn onzuiver, seksueel geladen lichaam de Victoriaanse moraal besmeurt en ruïneert. Onschuldige, reine dames komen in verval door zich over te leveren aan dit onweerstaanbare monster.
De opvolger “Dracula’s daughter” (1936) gaat nog verder op deze ingeslagen weg. Hier speelt Gloria Holden als erfgename van de beruchte graaf een extreem seksuele vrouw die haar slachtoffers leegzuigt na een door regisseur Lambert Hillyer onvergetelijk georchestreerde paringsdans. Dat ook haar prooien jonge maagden zijn, maakt deze Freudiaanse vertelling er niet minder controversieel op.
Een minstens even vraatzuchtige seksualiteit vinden we in “Cat People”, oorspronkelijk een film uit 1942 van Jacques Tourneur met Simone Simon (Irena Dubrovna), Kent Smith (Oliver Reed), Tom Conway (Dr. Louis Judd), Jane Randolph (Alice Moore), Jack Holt (The Commodore). “Cat People” was producer Val Lewtons eerste in een reeks van beroemde horrorfilms. In deze B-film wordt Joe (Kent Smith) verliefd op Irena Dubrovna, een vreemde, verlegen vrouw (Simone Simon) die bang is voor een oude vloek van een panter, die in haar gereïncarneerd blijkt te zijn. Deze horrorprent neemt bewust afstand van het nadrukkelijk in beeld brengen van het monsterlijke en creëert spanning door het gevaar net niet te tonen, door het in een waas van mysterie te hullen en door op de meest onverwachte momenten een tipje van de sluier af te rukken. Paul Schrader zou later de seksuele perversiteiten – die in deze film slechts gesuggereerd worden – uitdiepen in zijn versie van 1982, met de mooie Natassia Kinski in de hoofdrol. Toch is de vroegere symboliek van de schuchtere vrouw die bang is het beest in zichzelf los te laten veel erotischer dan het expliciete naakt. Het is ook een veel betere verwijzing naar de angst voor het “vrouwelijke” onbekende (de “vagina dentata”).
EXPRESSIONISME
De griezelfilms van Browning en Whale waren duidelijk geïnspireerd door de Duitse expressionisten: nevelige fotografie, sombere decors, korte shots van afkeer opwekkende ratten en spinnewebben e.d. als sfeerschepping. Een ander belangrijk element was het functionele gebruik van geluidseffecten (huilende wind, gedempte voetstappen, schurende scharnierkes enz.) en het introduceren van een romantisch-huiverige soundtrack. Nu zijn dat clichés, maar toen waren dat vondsten, die een echt poëtische angstsfeer schiepen. Bij de film komt de nadruk veel meer te liggen op spectaculaire effecten i.p.v. op literaire dialogen. Later evolueerde dit zelfs tot walgelijke, bloederige toestanden: de Freddie-films of “Friday the thirteenth” of Halloweens e.d.
VAMP
In 1953 ziet dan opnieuw een niet-westerse Dracula-film het licht (of eigenlijk juist niet natuurlijk!): “Drakula Istanbulda” kan deze keer de wraak van de familie Stoker wel overleven. Christopher Lee van zijn kant speelde in 1958 in de eerste van zijn zes “Dracula”-films voor de Engelse Hammerstudio’s. In 1971 brachten die (en meer bepaald Peter Sasdy) een film uit die “Countess Dracula” heette, maar die in werkelijkheid het verhaal van Erzsébet Bathory (1560-1614) vertelde, wat rond die tijd ook heel erotisch werd verfilmd door Wladimir Borowycz. In de Engelse versie wordt de gravin vertolkt door Ingrid Pitt, in die van Borowycz door Paloma Picasso. In werkelijkheid was deze gravin uiteraard geen vampier die op zoek naar de eeuwige jeugd het bloed van haar dienstmaagden dronk, maar ze deed dat wel figuurlijk in die zin dat ze tiranniek regeerde en haar personeel afranselde en uithongerde, zodanig dat de bleke tint van ondervoeding het verhaal van vampirisme deed ontstaan. Eigenlijk is Bathory eerder een soort voorloper van mevrouw Thatcher, in die zin dat ze voor die tijd erg veel macht uitoefende voor een vrouw. Nadat haar man was omgekomen in de strijd tegen de Turken weigerde ze immers haar bezittingen te verdelen onder de mannelijke erfgenamen, maar ging ze zelf door met besturen. Het is dan ook niet haar (figuurlijke) bloeddorstigheid die haar ten val heeft gebracht (dat was maar al te zeer schering en inslag in die tijd), maar wel haar machtshonger, waardoor de Habsburgse onderkoning zich bedreigd voelde.
In Frankrijk had in 1919 Louis Feuillade reeds “Les Vampires” gedraaid met Musidora, de eerste “vamp” uit de Franse filmgeschiedenis. In 1996 draaide Olivier Assayas een satire rond een zogezegde remake van deze film, onder de titel “Irma Vep” (een anagram voor “vampire”) door ene René Vidal. Deze rol werd gespeeld door Jean-Pierre Léaud. De rol van Irma Vep (of Musidora als u wil) door de Hongkong-ster Maggie Cheung.
De naam “vamp” is ontleend aan de film “A fool there was” (1915) met de allereerste “filmvamp” Theda Bara, gebaseerd op het verhaal “The vampyre” van Rudyard Kipling, op zijn beurt een romantisering van het waargebeurde verhaal van Kiplings neef, de schilder Philip Burne-Jones, die letterlijk ten onder ging aan zijn liefde voor de actrice Mrs.Patrick Campbell.
HAMMER
In 1957 hadden de Hammerstudio’s voor het eerst ophef gemaakt met “The curse of Frankenstein” van Terence Fisher, waarin Peter Cushing de rol van de dokter vertolkt. Hij zal dit ook doen in “The revenge of Frankenstein” (1958) en “Frankenstein must be destroyed” (1969), al ben ik er niet zeker van dat het monster dan telkens opnieuw door Christopher Lee wordt vertolkt, wat in de eerste film wél zo was. Ook in de Dracula-films speelt hij naast Christopher Lee, die de titelrol vertolkte en daarnaast was hij ook nog Sherlock Holmes in “The hound of the Baskervilles”. En dat alles terwijl hij gedebuteerd was in Laurel & Hardy-films!
Wat “Dances with wolves” deed voor de western, deed Francis Ford Coppola’s “Dracula” voor de griezelfilm. Vandaar dat griezelfilms nu geen B-films meer zijn, maar dat de grootste vedetten van stal worden gehaald en er een speciaal budget wordt voorzien voor de speciale effecten. Dat heeft vooral vruchten afgeworpen voor “Interview with the vampire” van Neil Jordan. Zelf ben ik daar niet zo erg over te spreken. We hebben hier immers te maken met een conventie en die heeft haar eigen wetten. Die kan je niet zo maar opzij zetten om op twee uur te proberen nieuwe conventies op te bouwen (b.v. over hoe men vampier wordt en hoe men een vampier kan doden). Daarvoor was er reeds “Innocent blood” met Anne Parillaud, waarbij vooral de titelsong opvalt, die eigenlijk een bewerking is (in fifties-stijl) van de aria uit “Samson et Dalilah”. De filmmuziek is van Ira Newborn, maar hij heeft wellicht niets te maken met deze verkrachting, die toch ergens ook sympathiek klinkt.
MA, ONZE PA WORDT WEER WOLF!
“Vampiers zijn voor meisjes wat weerwolven zijn voor jongens,” schrijft Filip Huysegems in De Standaard van 5/1/2000 naar aanleiding van de televisieserie “Buffy, the vampire slayer”. En hij legt uit: “Het zijn symbolen van de verwarring die pubers ervaren bij hun seksuele ontluiking. Neem de weerwolf. Zie zijn plots opkomende lichaamsbeharing. Zie hoe de dierlijke driften in hem opwellen. Hoor hem huilen naar de maan, als een echo van de seksuele extase. De figuur van de vampier is iets complexer. Elk meisje dat vrouw wordt, zal hen wel op haar weg vinden, de oude snoepers die uit zijn op haar maagdenbloed. Dramatischer nog: zodra ze door hem ‘bezeten’ is, gaat ze ook zelf de drift voelen woelen. In de klassieke ontknoping zal een jonge held, in een gruwelijke parodie op haar ontmaagding, de sater met een houten paal doorboren. Zijn romantische liefde zal haar ontketende verlangens binnen normale banen brengen. Zo ging dat vroeger.”
Naast monsters en vampiers kregen we in 1994 ook nog een weerwolf in de gedaante van Jack Nicholson in “Wolf” van Mike Nichols met “special effects” van Rick Baker (“An American Werewolf in London”). Aangezien seksuele opwinding zijn dierlijke instincten opwekt (of is het vice versa?), kan hij enkel geboeid met Michelle Pfeiffer de liefde bedrijven. Ja, we hebben altijd al gedacht dat vrijen met Michelle een boeiende bezigheid moet zijn.
HET GROENE MONSTER
In 1994 draaide Stephen Frears in Engeland (maar in opdracht van de Hollywoodstudio TriStar) “Mary Reilly” naar “Dr.Jekyll and Mr.Hyde”, het klassieke boek van Robert Louis Stevenson, maar dan verteld vanuit het standpunt van de meid (Julia Roberts), zoals in de gelijknamige roman van de Amerikaanse Valerie Martin. Ook bij de ontstaansgeschiedenis van het oorspronkelijke werk hoort een heel verhaal. Stevensons vader was vaak afwezig (hij ontwierp en inspecteerde nadien vuurtorens) en zijn moeder had “zwakke zenuwen”, zodat hij ze niet mocht “storen”. Het gevolg was dat de kleine Robert werd opgevoed door zijn streng methodistische nurse, die hij “my second mother and my first wife” noemde! Deze zorgde met haar verhalen over hel en verdoemenis voor panische nachtmerries, die Stevenson zelfs als volwassene zouden blijven achtervolgen. Bovendien was Stevenson zelf ook ziekelijk, waardoor hij zijn avontuurlijke wensdromen projecteerde op zijn kleerkast, waarachter een paradijselijke wereld voor hem zou open liggen (“Treasure Island”!). Niet alleen was dit dus voor hemzelf een symbool van de gespleten mens, ze kreeg nog meer symboolwaarde toen bleek dat de gerespecteerde maker van die kast zich ’s nachts tot een vrouwenmoordenaar ontpopte. Men dient zich dus niet meer af te vragen, wààr Stevenson de stof voor zijn roman heeft gehaald. Ondanks het feit dat zijn omgeving (zijn bazige Amerikaanse vrouw, die hij “mother” noemde, op kop) negatief reageerde op het boek (ze waren zich er klaarblijkelijk van bewust dat Stevenson hiermee een hint gaf dat in de gerespecteerde schrijver allerlei opgekropte frustraties scholen), was het een onmiddellijk succes. Het werd echter pas een “monstersucces” toen tegelijk met de creatie van de toneelversie door Richard Mansfield in Londen ook een nooit gevatte vrouwenmoordenaar actief was, die de geschiedenis is ingegaan als Jack the Ripper. De overeenkomst met de toneelversie was zo frappant dat de publieke opinie vond dat het stuk de moordenaar had geïnspireerd. Daarop gaf Mansfield nog een laatste benefietvoorstelling voor de bewoners van de getroffen East End buurt, waarna hij zijn succesproductie vrijwillig afvoerde, “omdat er in de realiteit al genoeg monsterachtige dingen gebeurden, zodat er op scène niets meer dient te worden aan toegevoegd.” Men zal zich dergelijke uitspraken ook voor de geest kunnen halen toen in 1996 in België de zaak Dutroux aan het licht kwam…
Zelfs Richard Mansfield zelf werd op een bepaald moment ervan verdacht Jack the Ripper te zijn en dat was eigenlijk een compliment voor ’s mans acteerkunst. En ook voor zijn belichter, want Mansfield slaagde erin de transformatie van Jekyll in Hyde te ondergaan op de scène zelf! En dit uitsluitend dankzij acteertalent en een handige combinatie van schmink en belichting. Met deze transformatie zou Mansfield trouwens de traditie creëren dat Jekyll en Hyde door één en dezelfde acteur worden vertolkt, ondanks het feit dat ze bij Stevenson nogal wat van uiterlijk verschillen en men zeker bij het filmen dus makkelijk twéé acteurs had kunnen nemen. Zo is het lange tijd onverklaarbaar gebleven hoe in 1920 in de stomme film van John Stuart Robinson de acteur zonder coupure van gedaante kon wisselen. Pas na de dood van de “uitvinder” van dit sterk staaltje werd bekend gemaakt dat er met kleurenfilters werd gewerkt. Aangezien het uiteraard een film in zwart-wit was, kon men niet merken dat de acteur met groteske kleuren geschminkt was. Door de kleurenfilter te veranderen, verdween dus ook de eerste schminklaag om te worden vervangen door de andere. Simpel, maar ge moet er maar opkomen! (**)
Toch is het vooral de film van Rouben Mamoulian uit 1932 (met Fredric March) die indruk maakte. Mamoulians derde film wordt veelal beschouwd als een van de interessantste en sterkste verfilmingen van het klassieke werk van Robert Louis Stevenson. Mamoulians “Dr.Jekyll and Mr.Hyde” werd gedraaid nog voor de verscherping van de productiecodes in Hollywood (1934). Wat ook te merken valt aan de scherpe, suggestieve seksuele kracht in de film. Voor deze film deed de regisseur beroep op het schitterende camerawerk van Karl Strauss, die eerder instond voor de fotografie van Murnau’s “Sunrise”. Deze productie is een mooi voorbeeld van hoe sterk Paramount in de jaren ’30 nog beïnvloed was door Europees (vooral Duits) vakmanschap. Dit kwam vooral schitterend tot uiting in het horrorgenre, dat slechts eenmaal door Mamoulian werd bezocht.
Victor Fleming draaide in 1941 met Spencer Tracy een meer “psychologiserende” versie. En Stephen Frears (samen met scenarist Christopher Hampton en John Malkovich in de rol van de dokter) ging nog een stapje verder. Hij wilde helemààl niets meer vandoen hebben met een horrorfilm. Hij zocht het meer bij de angsten en psychosen die Sigmund Freud trachtte bloot te leggen. Freud achterna wordt de huiver niet meer in externe omstandigheden gezocht (vampiers en tutti quanti), maar in een interne ziels- of geestestoestand (paranoia, schizofrenie en andere diverse vormen van psychose). Als men de freudiaanse toer opgaat, dan komt men natuurlijk dicht in de buurt van de meer realistische thriller.
Wie wél een populaire vertaling wil van “het kwaad” dat zich als Groot Groen Monster openbaart, kan uiteraard terecht bij de TV-serie “The Hulk”. Hier gebruikte men overigens wél twee personen: acteur Bill Bixby (1934-1993) en bodybuilder Lou Ferrigno (°1951).
Als men bij al deze recente verfilmingen ook nog Kenneth Branaghs “Frankenstein” voegt, dan stellen we toch wel iets merkwaardigs vast. Erotiek en griezelfilms hebben zoals gezegd steeds veel met elkaar te maken gehad, maar bij deze revival is het opvallend hoezeer het rollenpatroon wordt omgewisseld: i.p.v. de stoere macho die de “damsel in distress” gaat redden, is het nu de man die door de vrouw wordt gered (“Wolf” b.v.) of die in zijn poging om de vrouw te evenaren (leven baren b.v.) mislukt, zoals in “Frankenstein”.
Die thematiek werd in 1996 nog verder doorgetrokken in “Wilderness”, een Britse tv-film van Ben Bolt over een vrouwelijke weerwolf, vertolkt door Amanda Ooms. Men kan zich afvragen hoe men er niet eerder is opgekomen: deze vrouw wordt namelijk een weerwolf in haar menstruatieperiode. Dat er een link wordt gelegd met het feit dat ze in haar tienerjaren seksueel werd misbruikt en op die manier zich ook op de mannen wreekt is in de huidige context eveneens voor de hand liggend.
Dat Hollywood de vampier overigens snel heeft ontdekt, mag geen wonder heten: men wil er onsterfelijk beroemd zijn, eeuwig jong en men is daarvoor bereid elkanders bloed te drinken! (Al mogen we niet vergeten dat ook België, en met name Harry Kumel, een bijdrage heeft geleverd tot de vampierenfilms met “Les lèvres rouges” uit 1971.)
Voorafgaand aan het “wonderjaar” 1931 was er nog “The most dangerous game” van Ernest B.Schoedsack & Irving Pichel met Robert Armstrong en Fay Wray (andere titel voor dezelfde film is “The hounds of Zaroff”). Niet zozeer omwille van déze film, maar een jaar later zou hetzelfde team ook “King Kong” draaien. “The mask of Fu Manchu” (Charles Brabin, 1930) zit eveneens in de griezelsfeer, zij het met een scherpe racistische ondertoon, het soort van discriminatie waartegen “Freaks” (1932) wou protesteren. Deze bizarre en fascinerende film toont het reilen en zeilen van een reizend kermisgezelschap en de vriendschap onder de ongewone leden ervan. Horrorfilmmeester Tod Browning verzamelde een ongelooflijke rolbezetting van echte freaks: Siamese tweelingen, dwergen, hermafrodieten en wezens zonder ledematen zoals Johnny Eck, “The Boy With Half a Torso” en Randian, “The Living Hindu Torso”. Voor de Sideshow Freaks werden geen speciale effecten noch vervormende make-up gebruikt. De freaks zijn écht. De distributie van “Freaks” werd toentertijd stopgezet omwille van zijn al te hoge horrorgehalte, maar ondertussen is de film uitgegroeid tot een ware cultklassieker. Cleopatra is een mooie trapezeartieste die haar relatie met Hercules verborgen houdt om te trouwen met de hopeloos verliefde Hans, die erfgenaam is van een grote som geld. Na de trouwpartij en na de erfenis tracht Cleopatra Hans te vergiftigen, maar de Freaks komen achter haar snode plannen en tonen zich solidair in het straffen van de “femme fatale” en haar minnaar Hercules. Wellicht op basis van deze goede bedoelingen wordt deze film van Tod Browning (die zelf nog van huis was weggelopen om in een circus te gaan werken) een klassieker genoemd, maar in mijn ogen zijn de grenzen van de goede smaak hier overschreden. Men was in de beginperiode van de film ook niet altijd even kies: Rondo Hatton b.v. werd een acteur in griezelfilms omdat… hij een misvormd gezicht had!

(*) Is deze film (“Poltergeist” dus) behekst? Twee van de kindacteurs (Heather O’Rourke en Dominique Dunne) stierven kort na de opnames.
(**) Bij de talloze “mindere” vertolkingen van de Dr.Jekyll-rol noteren we o.a. ook niemand minder dan Stan Laurel in een stomme film uit de jaren vóór hij aan Oliver Hardy werd gekoppeld.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s