Wielerseizoen 1990: het jaar van de Italianen

52 claudio chiappucci
Hét beeld van het wielrennen van 1990 was voor de Vlamingen natuurlijk de zegevierende Rudy Dhaenens, met een al even gelukkige Dirk De Wolf naast zich. Maar laten we eerlijk zijn: 1990 was het jaar van de Italianen. Met op de eerste plaats uiteraard Gianni Bugno, leider in het FICP-klassement, winnaar van de Wereldbeker, van Milaan-San Remo en van de Giro dltalia. Maar er was ook Moreno Argentin (Ronde van Vlaanderen), Marco Giovannetti (Ronde van Spanje), Franco Ballerina (Parijs-Brussel, Grote Prijs van Montreal) en niet te vergeten Claudio Chiappucci (foto), die Greg Lemond het vuur aan de schenen legde in de Ronde van Frankrijk. Forza Italia!

DE VADSIGE KONINGEN
Toch lijkt het soms dat Vatikaanstad de hoofdstad van Italië is, zelfs Peppone gaat als hij in zielenood verkeert bij Don Camillo te rade. Het is dan ook de opvatting van Mart Smeets dat wielrennen een door en door katholieke sport is.
51 giuseppe saronniEn dàt zou dus kunnen verklaren waarom het wielrennen zo populair is gebleven in Italië. Ook in de jaren tachtig, toen de Italianen op internationaal vlak nochtans weinig in de pap te brokkelen hadden. Sommigen vonden het dan ook haast symbolisch dat de wederopbloei van het Italiaanse wielrennen samenviel met het afscheid van Giuseppe Saronni in 1989. “Beppe” Saronni was immers hét voorbeeld van de Italiaanse renner uit de jaren tachtig. Dat hield in dat men op jonge leeftijd een aantal klinkende overwinningen behaalde en dat men daar nadien de rente van plukte op het schiereiland. Zoals o.a. Roger De Vlaeminck voortdurend beklemtoont, zijn de wedstrijden daar zeker niet van de poes, maar ze verlopen steeds volgens hetzelfde stramien (trage start met een enorme tempoversnelling in de finale, niet toevallig wanneer Adriano Dezan de kraan opendraaide op de RAI) en vooral, het gebrek aan internationaal contact had op die manier naar een nivellering naar onderen geleid.
Zo won Beppe, die reeds als 19-jarige prof werd, in 1979 en 1983 de Ronde van Italië, maar ook het Kampioenschap van Zürich, de Ronde van Romandië, de Midi Libre, de Trofee Baracchi, de Waalse Pijl, het Kampioenschap van Italië, Milaan-San Remo, de Ronde van Lombardije, de Ronde van Zwitserland en natuurlijk ook het wereldkampioenschap. Een toch wel indrukwekkend lijstje, dat echter bij ons niet de weerklank vond dat het zou kunnen hebben. Wij werden veel meer aangesproken door zijn aartsrivaal Francesco Moser, en dan nog niet zozeer omwille van het uurrecord, maar omdat Moser wél steeds de confrontatie met de coryfeeën uit de andere wielerlanden aanging (zelfs als hij daarbij het onderspit moest delven, zoals in de Ronde van Frankrijk).
Het staat vast dat Moser en Saronni elkaar niet mochten en deze wederzijdse antipathie was niet alleen op de weg aanwezig, maar werd ook in de pers breed uitgemeten. Dat wakkerde de vijandschap natuurlijk alleen maar aan en dwong de Italiaanse fans om partij te kiezen. In Pedalare! Pedalare! schrijft John Foot: “Na verloop van tijd begon de rivaliteit tussen Moser en Saronni veel op een klucht te lijken. Het ging nooit om de sportieve prestaties, zoals bij Coppi en Bartali of bij Binda tegen Guerra of Girardengo. Ook ging de rivaliteit de sportwereld niet te buiten. Er ontstonden geen politieke of sociale verdelingen. Dit was een verbaal duel waaraan goed te zien was dat de sport een postmodern spektakel was geworden.”
De laatste jaren sprak men over Saronni als één van “de vadsige koningen”, die zich vooral onledig hielden met “dolce far niente”, maar in eigen land kwam de kritiek maar met mondjesmaat los. Lokale sponsors zagen nu eenmaal liever een overwinning in de Ronde van Piëmont dan een hoofdrol in Luik-Bastenaken-Luik, zeg maar. En de toprenners pikten daar gretig op in: geen lange reizen, relatief gemakkelijk geldgewin en de alomtegenwoordige “tifosi”.
03 moreno argentinDe gevolgen bleven echter niet uit: in 1989, het jaar van de innovaties en de mondialisering, kon enkel de sprinter Adriano Baffi met een ereplaats in Milaan-San Remo uitpakken. Voor zijn sportdirecteur Ferretti (Ariostea) was dit echter geen reden om op deze (flauwe) lauweren te rusten. Integendeel, hij joeg zijn renners over de grenzen, op zoek naar andere parcoursen, andere tegenstrevers. In 1990 moest de doorbraak komen, met een eerste deelname aan de Tour. Tot dan toe had Davide Boifava (Carrera) die klus immers alleen moeten klaren en dan nog eerder met de buitenlanders in zijn ploeg (Stephen Roche, Urs Zimmermann) dan met zo’n typische “vadsige koning” als Roberto Visentini.
Viel ondanks een ritoverwinning van Argentin dat Tour-avontuur van de Ariostea-ploeg toch niet helemaal mee, dan was het vooral de Château d’Ax-ploeg van Gianni Bugno die bij haar tweede deelname gensters sloeg.
01 gianni bugnoDE DON GIOVANNI VAN HET WIELRENNEN
Toen Gianni Bugno aan een zware val tijdens een wielerwedstrijd evenwichtsstoornissen overhield, grepen de dokters in wanhoop naar een onconventionele methode, namelijk therapie via klassieke muziek. Van dan af zag men de Don Giovanni van het wielrennen dan ook met een walkman op training fietsen. En wie anders dan Woolfie himself bleek het beste in de smaak te vallen van Gianni, tweevoudig wereldkampioen, winnaar van de Wereldbeker, van Milaan-San Remo en van de Giro d’Italia?
Toch zei José De Cauwer me destijds over zijn prestaties in de Tour: “Wie ik niet begrijp dat is Bugno. Kom zeg, dat is de wereldkampioen en het enige dat hij doet is zijn koers afstemmen op Indurain. En hij krijgt hem er toch niet af! En in de tijdrit rijdt Indurain elke tien kilometer een minuut van hem weg. In plaats van dus af en toe eens aan te vallen, alles of niets. Wat heeft hij eigenlijk te verliezen?”
Het mag dan ook duidelijk zijn dat José veel meer gewonnen is voor iemand als Claudio Chiappucci…
“Voor de sponsors de gedroomde renner. Zàààlig. Altijd in de aanval, kleurrijk, niet op zijn mond gevallen, durft aankondigen wààr hij zal aanvallen. Als zo iemand dan door het ijs zakt, is dat bijzaak. En meestal zàkt hij nog niet eens door het ijs. Dat is iets wat ik voortdurend heb voorgehouden aan mijn eigen renners zoals Van de Laer en Roosen.”
De beste klassieke renner van dat moment was Maurizio Fondriest, alweer een Italiaan…
“Schitterend renner inderdaad. Heb je hem die rit op dat bergje in de Midi Libre zien winnen? Met de vingers in de neus, terwijl Claveyrolat daar zat af te zien. En dat was dan de tweede, hé! Claveyrolat rééd goed! Ik zeg je: rij achter een peloton als er dient te worden geklommen, dan zie je, als er dertig lossen, dat het vijftien Belgen zijn, tien Nederlanders en vijf jongens die ziek zijn die dag. En dat komt omdat in Italië renners worden begeleid, zoals dat tenslotte bij ons enkel in het voetbal of het tennis gebeurt. In Italië sluit men aan bij een club en dan met vijf in een auto en hup, weg. Waarbij er een duidelijke taakverdeling is, wie de sprint aantrekt voor wie, omdat de ene sneller is dan de andere enz. Van in het begin worden die jongens dus met echt koersen geconfronteerd. Hier zegt men: in het begin steekt het allemaal niet zo nauw, ’t is maar als je prof bent dat je op je voeding moet letten en wat weet ik allemaal. Onzin natuurlijk. Stel je voor dat je tegen je kinderen op de lagere school zou zeggen: nu moet je nog niet studeren, dat is voor niets nodig, zorg maar dat je goed studeert als je aan de universiteit zit! Bovendien mag je dat zogezegde ‘dolce far niente’ toch niet overdrijven. Daarvoor moet je gewoon nog maar eens een Italiaanse wielerploeg aan tafel zien zitten en daarnaast dan een Belgische. De Italianen eten heel gedisciplineerd, ze letten op wàt ze eten en hoeveel. De Belgen daarentegen… ‘Hé, mannen, geef er ons nog eentje!’ Goed eten, goed drinken. En dat word je ook gewaar tijdens de wedstrijd. De Belgen koersen meer vanuit de buik: ‘Kom, mannen, we gaan er eens een lap op geven’. Bij de Italianen is dat meer beredeneerd. Let op, soms werkt het eerste zeker zo goed als het tweede. Op een gegeven moment wekt dat gedisciplineerde, dat ‘getimede’ immers frustraties op. Het is bewezen dat het systeemtrainen van Francesco Moser met een ploeg onuitvoerbaar is. Voor één keer is dat goed, maar niet voor een gans jaar. Wielrennen is geen atletiek. Een loper traint op de piste en kan aan de hand van zijn tijden aflezen of hij vooruitgang maakt. Bij wielrennen is dat niet het geval, een paar disciplines niet te na gesproken. Het parcours, de weersomstandigheden, de tegenstanders, dat speelt allemaal teveel een rol. Heb je je al eens afgevraagd waarom een renner achter een andere aan gaat als die demarreert? Wegens die ene bepaalde prikkel om die man toch te gaan halen. Meestal spelen echter al die factoren een rol om te besluiten toch maar te blijven zitten.”
Weet je wie hier ook al heeft over nagedacht? Niemand minder dan Hugo Claus: “Als er nog maar enkele renners aan de leiding rijden, probeer ik altijd te verzinnen wat die op zo’n moment wel zouden kunnen denken. Wegspringen? Blijven zitten en afwachten? Hoeveel zou ik kunnen verdienen als ik die of de andere help? Zal dat spul dat ik vanmorgen heb genomen het wel doen? Zou mijn lief nu bij een ander zitten? Terwijl die gasten zelf waarschijnlijk nergens meer kunnen aan denken. Zo moe zijn ze dan.” (Het Nieuwsblad, 6/3/1987)
– De motivatie in het wielrennen is zeker een discussiepunt op dit moment. Er zijn de FICP-punten natuurlijk, maar maken die tegelijk het wielrennen niet juist kapot? Je rol als helper van Hennie Kuiper valt niet te onderschatten, maar als het FICP-klassement al zou bestaan hebben, zou je wellicht niet al te veel punten hebben gehaald…
J.D.C.:
Dat is waar, maar ik zou toch goed geld verdiend hebben. Ik ben misschien de enige in het milieu die op dit ogenblik zegt dat er nu pas plaats is voor knechten. Als je nu een ploeg wil structureren, begin je met acht renners die het moeten doen. Twee kopmannen, vier man uit de tweede lijn en uit de tien helpers die je aanneemt, zullen er nog wel twee zijn die zich gaan manifesteren. Mannen die een vrije rol krijgen om in het begin van de wedstrijd mee te gaan in ontsnappingen. Zoiets als Dirk Demol in Parijs-Roubaix. En daarnaast zijn er dus acht renners waarvan je op voorhand zegt: jullie zijn knechten. En daarvoor worden ze ook goed betaald. Méér zelfs dan die mannen die al eens mogen meespringen.
– Omdat zij die moeten blijven zitten geen kans krijgen om premies te verdienen…
J.D.C.:
Nee, integendeel! Het zijn zij die in de premies delen als de kopman een belangrijke wedstrijd wint. Het zijn zij ook die soms “zo maar” een premie krijgen. Omdat ze in de wedstrijd zelf iets speciaals hebben gedaan. Iets wat niet wordt opgemerkt door de media. Iets waarover niemand schrijft. Maar wat belangrijk is. En dan zeg je: voilà, hier is 50.000fr of hier is 100.000fr. Wie een ploeg maakt, houdt sowieso ongeveer tien procent van het budget opzij voor premies. En ik alleen beslis naar wie die premies gaan. Want je mag er niet door gefrustreerd raken dat een kopman twintig miljoen verdient en een knecht maar één miljoen. Anders moet je maar kopman proberen worden, als je denkt dat je dat kunt. Dat geldt trouwens ook voor mezelf. Ik zou ook kunnen zeggen: kijk eens jongens, ik heb dit en dat allemaal bewerkstelligd “dus” ik moet ook dertig miljoen krijgen. Maar dan vergeet je dat je zelf geen koersen kunt winnen. Je moet dus niet jaloers zijn van een renner en ook de renners onder elkaar mogen niet jaloers zijn. Vandaar dat degene die wint meestal geen premie krijgt. Die mag al heel blij zijn dat hij gewonnen heeft. Hij zal dat geld ook niet nodig hebben, hij krijgt zijn intrest wel op een andere manier. ’t Zijn de andere jongens die tellen. Dat is trouwens de enige manier om knechten te houden. Een renner aannemen voor 600.000fr en hem dan laten presteren zonder dat er nog een extra stimulans komt, dat gaat dus niet, hé. Dàn gaan ze pas voor zichzelf rijden. Daarom moet je ook geen renners knecht laten spelen die nog niet voor zichzelf hebben beslist dat ze zich daarin schikken. Ze moeten zelf ingezien hebben dat dàt hun plaats in het peloton is en pas dan kan je daarmee beginnen werken.
– Met andere woorden, je moet geen kerel van 22 jaar als knecht aanwerven…
J.D.C.:
Jonge coureurs moet je màken, niet afbreken. En dat doe je door hem eens in de Omloop Het Volk met zijn neus tegen de muur te laten lopen en dan nog eens in Parijs-Roubaix. En dan moet je hem ook nog eens opstellen in Luik-Bastenaken-Luik, want als je dat niet doet, loopt hij heel de tijd met frustraties rond in de zin van “als ze mij maar eens lieten starten in L.B.L., je zou eens wat zien!” Dus af en toe moet je ze eens laten voelen hoe de zaken erbij staan. En als ze in die vrije rol dan toch al eens meevallen, dan heb je een talent ontdekt.

Referenties
Peter Cossins, The Monuments, Londen, Bloomsbury, 2014
Ronny De Schepper, Het jaar van de Italianen, De Rode Vaan nr.44 van 2 november 1990
John Foot, Pedalare! Pedalare! Londen, Bloomsbury, 2011

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.