Expo “De zesdaagse” in het Huis van Alijn

IMGNog tot 10 april kan men in het Huis van Alijn op de Kraanlei in Gent terecht voor een tentoonstelling gewijd aan de wereld van de zesdaagse in het algemeen en die in het Gentse Kuipke in het bijzonder natuurlijk…

Eddy Verbust was acht jaar in 1956. Hij herinnert het zich goed, want hij mocht toen voor de eerste keer naar de Zesdaagse in ’t Kuipke, het Gentse walhalla van het baanwielrennen. En het heeft hem nooit meer losgelaten. Eddy genoot met volle teugen van de prestaties van zijn wielerhelden Rik Van Looy, Rik Van Steenbergen, Peter Post en Rudi Altig en is vandaag nog steeds trouw op post. “Na de wedstrijd probeerde ik altijd een handtekening te krijgen”, vertelt hij. “Toen ik twaalf was, vroeg Rik Van Looy me om zijn fietswielen naar zijn auto te dragen. Als beloning kreeg ik een gesigneerde foto. Toen is het begonnen …”
Zijn verzameling souvenirs groeide uit tot een van de meest indrukwekkende collecties in het land, met honderden truitjes (elk truitje netjes in een plastic hoesje) en duizenden affiches en foto’s.
Curator Els Veraverbeke van Het Huis van Alijn getuigt in het Gentse stadsmagazine van november 2015: “Een onwaarschijnlijke verzameling. Volledig uniek. En we wisten meteen: hier kunnen we een prachtige tentoonstelling rond bouwen. Ook de kennis van Eddy over het Belgische baanwielrennen was een grote inspiratiebron.”
Voor de expo ‘De Zesdaagse’ haalde Eddy Verbust zijn topstukken boven. “Hier zie je de fiets waarmee Gentenaar Matthew Gilmore – vijfvoudig winnaar van de Gentse Zesdaagse – in 1998 wereldkampioen ploegkoersen werd”, vertelt hij met zichtbare trots. “En hier: de schoenen waarmee hij zijn laatste wedstrijd reed, in 2006.”
Ook andere verzamelaars gaven enkele stukken in bruikleen. Het fietsstuur waarmee Robert Protin in 1895 de allereerste Belgische wereldkampioen werd bijvoorbeeld. Of de Olympische medaille uit 1964 van Patrick Sercu, recordhouder met 88 overwinningen in zesdaagsen én huidig organisator van de Lotto Zesdaagse. Diezelfde Patrick Sercu geeft het startschot van de 75ste editie van de Z6daagse, op 17 november in ’t Kuipke. Dat jubileum is de onmiddellijke aanleiding van deze tentoonstelling, die zowat het hele Huis van Alijn inpalmt. “Toen ik me erin begon te verdiepen, ontdekte ik de rijkdom van de verhalen rond de zesdaagsen”, vertelt Els Veraverbeke. “Maar hoe breng je dat tot leven? Van zodra ik met Eddy sprak, was dat probleem van de baan.”
VOORGESCHIEDENIS
De voorgeschiedenis van de zesdagen situeert zich in Londen, maar dat waren geen zesdagen zoals wij dat zien. De allereerste keer betrof het b.v. een stunt van de Engelse kampioen van dat ogenblik, David Stanton, die een uitdaging lanceerde aan alle renners van de wereld. Volgens hem waren ze niet in staat hem te kloppen, zelfs als ze elkaar zouden aflossen. Het spreekt vanzelf dat dit uiteraard onmogelijk is, maar wat Stanton er niet bij vertelde was dat hij eigenlijk een weddenschap had aangegaan dat hij binnen zes dagen duizend Engelse mijlen zou afleggen. Dankzij zijn “uitdaging” (die hij uiteraard verloor) werd hij wel de hele tijd door de beste renners van de wereld gegangmaakt en won hij zijn weddenschap!
Buiten het feit dat de heer Stanton wel erg bij de pinken was, is vooral van belang dat het hier een wedstrijd over zes dagen betrof. Toen al werd er gezegd dat dit kwam omdat de geestelijkheid hem verbood op de Dag des Heren te fietsen!
Daarna wordt deze formule overgenomen door een rijwielfabrikant uit Birmingham die gewoon wou bewijzen dat zijn fietsen heel lang meegingen. Peter Duryea en Jack Haverly zijn dus voor sommigen weliswaar de eerste winnaars van een zesdagen, maar officieel is de eerste zesdaagse die in de Agricultural Hall van Londen van maandag 18 tot en met zaterdag 23 november 1878. Ze werd wel verreden op een houten piste van 214,666m, die rond een fietsententoonstelling was gelegd, maar de bochten waren nog niet opgehoogd. De afstand van de piste was berekend in functie van de Engelse mijl: na 15 ronden had men immers twee mijl afgelegd. Er werd nog individueel gereden gedurende 18 uur per dag. De winnaar was de Engelsman Cann, die 1.708km aflegde. Er waren 30.000 toeschouwers, wat een enorm succes was.
Dezelfde organisator (Harry Etherington, de uitgever van het wielerweekblad Wheeling) richtte het volgende jaar, maar dan van 28 april tot en met 3 mei, een tweede zesdaagse in, die werd gewonnen door een andere Engelsman Georges Waller voor de Fransman Charles Terront, ene Lees en Stanton. Cann was de eerste dag al uit de wedstrijd verdwenen.
Nog hetzelfde jaar (1879 dus), van 1 t/m 6 september, vond de derde zesdaagse reeds plaats. Terront had deze keer een ploegmaat meegebracht, Pagis, maar een verzorger had hij nog altijd niet tot zijn beschikking.
Londen zou toch nog eens de geschiedenisboeken van de zesdaagse halen: in 1887 werd in de Exposition Hall door de renners Richard Howell en William Woodside een zesdaagse verreden tegen Bronco Charley en Mave Beardsley, twee cowboys uit Buffalo Bill’s Wild West Show. Om het uur werd er gewisseld en na zes dagen bleken de cowboys uiteindelijk een geringe voorsprong te hebben op de renners. Zij hadden evenwel dertig paarden gebruikt en de renners slechts twee hoge bi’s. (In 1893 zou Bill Cody zelf het opnemen tegen de Deense wielrenner Charlie Meyer, de eerste niet-Fransman die Bordeaux-Parijs won. Drie dagen lang bekampten ze elkaar gedurende acht uur per dag. Uiteindelijk won Cody door op zijn witte paard 349 kilometer af te leggen, tegenover Meyer die “slechts” tot 332 kilometer kwam.)
TEGEN DE UURWIJZERS IN
Een vaak gestelde vraag is: “Waarom rijden ze op de piste tegen de uurwijzers in?” Men heeft b.v. lang gedacht dat de aflossingen er wat mee te maken hadden (de meeste renners zijn rechtshandig). Maar de eerste piste‑meetingen en zesdaagsen waren individueel. En toen reden ze ook al tegen de wijzers in. Zelfs op een atletiekpiste wordt dit systeem aangehouden, autoracers daarentegen rijden dan weer wel meestal met de klok mee. Het circuit in Singapore is een notoire uitzondering.
De redactie van “Cycling” ging te rade bij de Schotse Olympische kampioen Craig MacLean en de voormalige pistier en nu wielerbaanbouwer Ron Webb. MacLean : “De ware reden ken ik niet,maar het is voor een pistier zeer oncomfortabel om in wijzerzin te rijden. De glooïngen lijken buitensporig steil en men heeft een vrees om er voortdurend tegenaan te rijden. Ik heb ooit een 200 meter met vliegende start in wijzerzin gereden, het voelde bizar aan en ik had het gevoel uit evenwicht te geraken.”
Ron Webb: “Eén van de redenen is dat de renners zich meer op hun gemak voelen in tegenwijzerzin en dat zou volgens studies te maken hebben met de structuur van het menselijk lichaam, meer bepaald met de ligging van het hart aan de linkerkant. In tegenwijzerzin rijden zou het meest geschikt zijn voor het hartritme. Het fenomeen doet zich niet alleen voor in het wielrennen. Een zekere Scot Morris heeft in een magazine – Omni – hierover een artikel geschreven en kwam tot de vaststelling dat naast het wielrennen ook volgende evenementen hierbij betrokken zijn : de 500 mijl van Indianapolis, atletiekwedstrijden, rolschaats- en rollerskatingcompetities en paardenrennen, voor deze laatste uitgezonderd in Frankrijk! Ook toegangsdeuren in de vorm van draaideuren werken in tegenwijzerzin.”
Een theorie is dat het allemaal teruggaat op een antieke voorganger, namelijk de paardenraces uit de klassieke oudheid. Toentertijd werden de races in de hippodromes ook tegen de klok in gehouden daar de paarden op de rechterbil gebrandmerkt waren, zodoende kon men makkelijker de winnaar bepalen.
Volgens een andere theorie (die hiermee eigenlijk niet in tegenspraak is) heeft het te maken met het feit dat de meerderheid van de mensheid uit rechtshandigen bestaat. Dan zouden we ook onze bochten beter kunnen nemen in die richting. Proefondervindelijk heeft men b.v. kunnen vaststellen dat mensen die verloren liepen in de woestijn steeds en zonder het te weten in cirkels wandelden tegen de klok in. En wanneer we de letter o schrijven doen we dat ook tegen de richting van de klok.
DANSMARATHONS
Maar we wilden eigenlijk aantonen dat de zesdagen, zoals we ze nu kennen, in de V.S. waren ontstaan. Daar waren ze immers eigenlijk oorspronkelijk een variante op de dansmarathons zoals we die kennen uit “They shoot horses, don’t they”. Men reed gewoon tot men erbij neerviel en wie het laatste overbleef, was de winnaar.
Tot de kerk een stokje in de wielen kwam steken. Rijden op zondag was zondig! Vandaar dat men het maximum aantal dagen nam die tussen twee zondagen “berijdbaar” waren: zes.
Toch bleef het onmenselijke karakter behouden, aangezien er in eerste instantie individueel werd gereden, zodat men zo lang mogelijk moest wakker blijven om te kunnen winnen. De zesdaagse van New York in 1896 had op die manier weliswaar veertig renners aan de start, maar slechts zes aan de aankomst. Vier van hen, Rice, Taylor, Moore en Schock, kregen een delirium-aanval te wijten aan extreme vermoeidheid en zelfs ondervoeding (omdat ze de tijd niet namen om deftig te eten). Van de bekende zwarte sprinter Major Taylor (Marshall-Walter Taylor, 1887-1932) wordt zelfs gezegd dat hij het publiek wilde te lijf gaan, maar dat had wellicht ook te maken met het feit dat hij zich voortdurend racistische opmerkingen moest laten welgevallen. (Taylor werd in 1899 wel de tweede zwarte wereldkampioen, alle sportdisciplines samengeteld, enkel de bokser George Dixon was hem negen jaar voor.)
Toch werden bij deze “onmenselijke” wedstrijden ook vrouwen toegelaten. Toen ene Louisa Armanido in 1893 in New York beslag kon leggen op de derde plaats (weliswaar op 600 km achterstand van winnaar Albert Schock), werden er in 1895 in New York en in Londen wedstrijden uitsluitend voor vrouwen georganiseerd (in New York won Frankie Nelson en in Londen ene “miss Harwood”). Het volgende jaar (in 1896 dus) was de Schotse Clara Grace de winnares, maar de show werd gestolen door twee Françaises, namelijk Louise Roger en vooral ene Lisette (Amelie le Gall) die in “tights” reden “giving the Victorian spectators a shock”, aldus B.W.Best, de correspondent van “Cycling”. De Engelse meisjes protesteerden hiertegen “but were also in tights just as soon as they could get them.”
De tot Amerikaan Charly Miller omgeturnde Duitser Karl Müller (°Hildebrandshausen, 9 februari 1875) was de eerste die op de idee kwam om niet zo maar zo lang mogelijk op de fiets te blijven, maar integendeel vier uur hard door te gaan, waarna hij zich liet masseren en wat ging rusten. Hierdoor verkreeg hij zoveel voorsprong op zijn concurrenten dat hij in de zesdaagse van 1898 op de vijfde dag ceremonieel op het middenterrein in het huwelijk kon treden en toch nog zijn leidersplaats behouden!
Ook het kwalijke imago bleef op die manier behouden. De renners werden door het “bloeddorstige” publiek bijna tot waanzin gedreven. Toen reageerden de dominees opnieuw: er werd beslist dat de renners maar twaalf uur per dag mochten rijden. In Amerika was het handeltje echter in handen van de maffia (waardoor er o.a. merkwaardige premies waren, b.v. voor de spectaculairste valpartij, mits enige overdrijving zou men kunnen stellen dat we hier dichtbij de film “Rollerball” zaten) en die lieten zich hun “broodwinning” niet zo vlug afhandig maken. Twaalf uur? Dan koppelen we toch wel twee renners aan elkaar, zeker! Daarom werd de zesdaagse van Madison Square Garden 1899 per koppel verreden. Vanaf dan noemde men op het vasteland het rijden per koppel “une course à l’Américaine”, een benaming die nu nog altijd voortleeft. (In Engeland noemt men ploegkoersen ook “Madison”-wedstrijden, om dezelfde reden.)
Miller liet zich niet uit zijn lood slaan en koppelde zichzelf aan zijn beste tegenstander, Frank Waller. Onnodig te zeggen dat zij op die manier het eerste koppel waren om een zesdaagse binnen te rijven. Maar ze hadden er wel moeten voor rijden: op zes dagen hadden ze bijna 4.398km afgelegd! Het gemiddelde was dan ook de hoogte ingeschoten van 23 naar 30 km per uur. Een nieuw record dat zou standhouden tot 1908: MacFarlan-Moran rijden dan bijna 4.405km eveneens in Madison Square Garden. Het record zou nog een aantal keren verbeterd worden (o.a. door Van Hauwaert-Stol in Brussel 1914 met 4.502km), maar uiteindelijk is het op naam blijven staan van de Duitsers Krupkat-Huschke in Berlijn 1924 met 4.544,200km, want vanaf dan werd er opnieuw maar een aantal uren per dag gefietst, zodat het niet meer kan worden geklopt.
Hoe dan ook, het gerucht dat er op die manier goed geld te verdienen viel, bereikte ook Europa (o.a. via de journalisten van het blad “La Vie au Grand Air”, dat zich vooral tot… naturisten richtte) en het Franse duo Rivierre en Stéphane waren de eersten om hun kans te wagen. Echter niet met succes. Miller was zo sterk dat ze verklaarden dat hij ook de Europese wegwedstrijden zou hebben gewonnen, mocht hij naar het vasteland gekomen zijn.
EUROPESE ZESDAGEN
Slechts in 1904 maakte een buitenlands koppel een kans om de zesdaagse te winnen. De Belg Arthur Vanderstuyft en de Nederlander John Stol waren oppermachtig, maar het chauvinistische publiek pikte het niet. De wedstrijdjury liet zich intimideren en gaf het duo een aantal strafronden voor een futiliteit, zodat de zege toch nog naar de Amerikanen Eddy Root en Oliver Dorlon ging. Ook Karel Van Wijnendaele laat in zijn boek “Het rijke Vlaamsche wielerleven” (Gent, Snoeck-Ducaju, 1943) organisator Chapmann vertellen: “Hier in Amerika zijn de Zes Dagen heel wat anders dan in Europa. Wij willen hier vooral en bovenal spektakel. Wat de sport betreft, dat heeft minder belang. Onze cliënten willen zien vallen, zien sprinten, demarreren en premies najagen. Al ’t andere is maar bijzaak. Ge zult u dus moeten aanpassen. Uw renners nog meer. En onthoudt het goed: uw renners hebben zich nooit met de beslissingen van de jury in te laten. Zij hebben te rijden, meer niet. Als ze ’t wel doen, zal ik zorgen dat ze geld winnen. En ’t overige is maar bijzaak.”
En een beetje verder de renner Brocco: “We zijn nog maar twee dagen ver, maar ik weet al dat ik deze Six Days win. Uw Flandriens (*) kunnen zich daartegen gerust verzetten, ’t zal niet baten. Want wat Chapmann beslist, wordt hier uitgevoerd. De Baets-Persijn en Van Hevel-Van Lerberghe kunnen, als ze verstandig zijn en zakelijk, de tweede en de derde plaats veroveren. ’t Zal voldoende zijn dat we mekaar verstaan en helpen, tegen Egg-MacNamara. Van d’anderen zullen we niet veel last hebben, omdat ze niet zoo zwaar wegen. Aan de overwinning zijn 1.000 dollar verbonden. Hetzij 500 voor mij, en 500 voor Coburn. Voor deze sta ik niet in, maar als uw twee ploegen op mijn voorstel ingaan, van wederzijdsche hulp en samenwerking, dan krijgen ze van mij de 500 dollar.” Die Chapman was overigens zodanig met de zesdagen verbonden dat zijn dood tijdens de Tweede Wereldoorlog tegelijk ook de dood van de Amerikaanse zesdagen betekende.
Men kan echter niet blijven sjoemelen: in 1906 kreeg Stol uiteindelijk toch de zege, waarop hij reeds twee jaar eerder recht had, maar deze keer gekoppeld aan de Duitser Walter Rütt. Deze zege kreeg in Europa zoveel weerklank dat van 24 tot 30 september 1906 in Toulouse een eerste zesdagen met koppels op het vasteland werd georganiseerd. Toch zal je de uitslag ervan niet weervinden: de tweede dag werd bekend dat de organisator er met de kas vandoor was en de renners stopten ermee. Na twintig uren discussiëren kwam men met de lokale overheid overeen dat de renners “in eigen beheer” zouden rijden, dat ze m.a.w. het geld van de (nieuwe) toeschouwers zouden ontvangen. Maar deze zesdaagse was duidelijk niet onder een goed gesternte geboren, want aangezien ze werd verreden op een open wielerbaan, leden de renners afgrijselijk onder de tropische hitte. Het was zelfs zo erg dat de piste begon te verbrokkelen, zodat alweer de wedstrijd diende te worden stilgelegd voor herstellingswerken. Uiteindelijk zouden er in 123 uren ongeveer 3.212km worden afgelegd en werden de broers Emile en Léon Georget tot winnaar uitgeroepen. Een piste van meer dan 400m lang gaf ook weinig aanleiding tot enthousiasme bij het publiek. Een ronde nemen was immers een werk van lange adem!
Het duurde uiteindelijk tot van 15 tot 21 maart 1909 in de hall van de Berlijnse dierentuin de eerste geslaagde Europese zesdaagse werd georganiseerd. Het hek was meteen van de dam: Bremen volgde in 1910, Frankfurt in 1911 en Brussel (als eerste Europese stad buiten Duitsland) in 1912. Dat jaar werden er meteen twee zesdaagsen georganiseerd in Brussel en de tweede daarvan zou de geschiedenis ingaan. Voor de eindzege kwamen immers twee koppels in aanmerking: de Fransen Comès-Petit Breton en nog een Fransman, Octave Lapize, gekoppeld aan de Belg René van den Berghe. Lapize had het met zijn landgenoten echter op een akkoordje gegooid. Toen van den Berghe merkte dat hij bij de aflossingen niet doorging, weigerde hij nog door Lapize te worden afgelost en ging op zijn eentje de strijd aan tegen het tweetal. En hij won nog ook!
Het succes van déze zesdagen zette de Fransen dan toch opnieuw aan het denken na de katastrofe van Toulouse. Vooral de Lichtstad wou niet achterblijven bij een stad als Brussel. Eerst wilde men om origineel te zijn (en om het “zondige” karakter van de stad te beklemtonen?) met een zevendaagse uitpakken, maar uiteindelijk werd in januari 1913 dan toch maar een “gewone” zesdaagse georganiseerd.
In die tijd waren er nog geen wedstrijden-binnen-de-wedstrijd. Men reed dus gewoon z’n rondjes en als er niet af en toe een ploeg een ronde probeerde te nemen, dan viel er eigenlijk niets te beleven, tenzij dan de zwaksten die het begaven. Zo gebeurde het meermaals dat na 144 uren wedstrijd er nog tal van ploegen binnen dezelfde ronden geklasseerd stonden. Dan nam men de gedubbelde ploegen uit koers en de snelste renner van het koppel betwistte de finale.
Al snel werd dit systeem bekritiseerd. Een uithoudingswedstrijd die met een sprint werd beslist! Bovendien nam die snelste renner al lang op voorhand een rustpauze, terwijl zijn ploegmaat het tempo zo goed mogelijk afremde. Alweer een domper op het spektakel dus en bovendien legde men te veel eieren in één mand: als men in een slechte positie zat, verloor men in één sprint wat op zes dagen werd opgebouwd.
Het waren dan ook weer de Amerikanen die in 1917 met klassementssprinten voor de dag kwamen, waarmee punten waren te verdienen die de ploegen die binnen dezelfde ronde eindigden zouden rangschikken. In een eerste fase vonden die sprinten enkel de laatste dag plaats, maar ze hadden zoveel bijval dat ze al vlug over heel de zesdagen werden verspreid.
Een nevenverschijnsel van deze formule was dat een ronde nemen niet meer 100% van doorslaggevende aard was, zodat men het gemakkelijker “toeliet” en er dus meer ronden werden genomen, wat alweer geapprecieerd werd door het publiek.
03 zesdagen van antwerpenDE BLAUWE TREIN
In de jaren 40/50/60 begon men van “de blauwe trein” te spreken toen veel met vaste ploegen werd gereden (Van Steenbergen – Ockers, Bucher – Roth, Koblet – Von Buren, Schulte – Peters, Terruzzi – Gillen, Nielsen – Klamer …). Deze koppels spraken blijkbaar onderling af wie er de zesdaagse zou winnen en verdeelden onder elkaar de grote premies. de organisatoren trachtten er iets aan te doen maar zonder veel succes. Zo werd in 1955 een stedencompetitie georganiseerd met Antwerpen, Brussel, Amsterdam, Parijs en Zurich. De vier ploegen van deze stedenteams droegen dezelfde trui met de mouwen in een andere kleur (zie voorbeeld van de Zesdagen van Antwerpen, zoals getekend door Jan Soens). Naast het individuele klassement (Van Steenbergen – Ockers) werd ook een ploegenklassement opgemaakt (winnaar Amsterdam), maar die formule werd later niet meer herhaald.
NIET MEER LETTERLIJK INTERPRETEREN
Het volgende euvel dat diende te worden verholpen was het letterlijk interpreteren van dat er 24 uur op 24 diende te worden gereden. Want het spreekt vanzelf dat dit, zelfs al reed men met twee (en in sommige zesdaagsen, bijvoorbeeld lange tijd die van Antwerpen, met drie) renners per ploeg niet te doen was. Er werd bij wijlen dan ook soms “al slapende” gefietst. De renners reden daarbij op het azuur, met één been in de beugel en probeerden zo goed en zo kwaad als het ging op die manier toch al rijdende te rusten. Er bestond dan ook een ongeschreven afspraak dat er op dat moment niet zou worden aangevallen. Toch zou een zekere Piet Rielens zich in 1927 niet aan die afspraak hebben gehouden en op die manier 28 ronden voorsprong hebben genomen in de zesdaagse van Brussel, die hij dan ook heeft gewonnen, al hield hij met zijn ploegmaat René Vermandel op het einde nog slechts één ronde over. Om u een idee te geven: zowel in 1926 en als in 1928 eindigde hetzelfde koppel telkens pas zevende!
Buiten het feit dat dit soort van rijden soms aanleiding gaf tot frauderen (er wordt beweerd dat sommige renners hun verzorger goed induffelden met een muts en een sjaal, zodat die ongemerkt hun plaats kon innemen) was dit vooral uiterst saai voor het publiek. Daarom is men in de loop der jaren het aantal wedstrijduren steeds gaan inkorten, maar dan ook met als tegenprestatie dat er tijdens de weinige uren die nu nog overblijven ook ontzettend hard wordt gefietst. Men kan zelfs met zekerheid zeggen dat met de huidige manier van koersen er veel minder mogelijkheid is om “iets te fiksen” dan in die “prehistorische” tijden.
Volgens Patrick Sercu in Het Nieuwsblad van 20 november 2012 hebben we de verandering te danken aan Rik Van Looy: “Van Looy zei: `Ik ga om vier uur slapen, wat er ook gebeurt’ en van hem werd dat gepikt. De grootste verandering werd in Londen doorgevoerd. Daar bleef op een bepaald moment het programma beperkt tot zes uur fietsen: van 18.00 tot 24.00u. Een kwestie van vergunningen was dat, van dure taksen. Ook die ingreep vond overal ingang. Londen maakte ook een einde aan de improvisatie door een programma op te bouwen. Dat is nu overal het geval, een beetje afhankelijk van de plaatselijke wensen. In Gent zijn ze bijvoorbeeld gek van de dernywedstrijden.”
Maar toch zal het zesdaagserennen altijd gevaarlijk blijven. Zo diende de zesdaagse van Gent op 25 november 2006 na vijf dagen te worden onderbroken door de dodelijke valpartij van de Spanjaard Isaac Galvez, nota bene op dat moment wereldkampioen ploegkoers samen met Juan Llaneras. Op zo’n momenten is men altijd diep onder de indruk en denkt men dat zo een dramatische gebeurtenis wel de geschiedenis zal ingaan. Maar typisch is bijvoorbeeld dat niemand, maar dan ook niemand, er ter gelegenheid van het overlijden van Galvez heeft op gewezen dat de Nederlander Veger (**) in 1936 in soortgelijke omstandigheden om het leven is gekomen…

Referenties
Ronny De Schepper, Belgen mikken op puntenkoers, De Morgen 16 augustus 1993
Ronny De Schepper, De geschiedenis van de zesdagen, Nitro november 1994
(met dank aan de vrienden van Wielerarchieven, voor wat de discussie over het tegenwijzerzin-rijden betreft, en vooral aan Jan Soens, voor zijn informatie over “de blauwe trein”)

(*) Dat Karel Van Wijnendaele de uitvinder is van de term “Flandrien” zal wel niemand verbazen. Maar ik vind het wel verbazend dat deze term eerst voor pisterenners werd gebruikt, eerder nog dan voor “de dwangarbeiders van de weg”. De Flandriens werden overigens op affiches in de VS voorgesteld als gekooide wilde beesten die zich op rauw vlees stortten…
(**) Zelfs in die mate dat er op heel het internet geen enkele renner te vinden is die zelfs maar op deze naam gelijkt. Zou Guy Puttevils zich soms vergist hebben als hij in De Gentenaar van 22/11/2008 zegt: “Ik herinner me de dood van Veger, de Hollandse coureur die in 1936 over zijn fiets vloog en tegen de reling smakte. Ik zat er vlakbij.”

2 gedachtes over “Expo “De zesdaagse” in het Huis van Alijn

  1. Ik wou even melden dat Guy Puttevils zich niet vergist heeft, in 1936 is er effectief een beroepsrenner overleden met de naam Stephanus Veger in de velodroom van Gent.
    Voor meer info kan u me per mail contacteren.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s