Zijn zoon Nikolaas meldt me zopas dat schrijver Vic De Donder vrijdag is overleden. Hij is vooral bekend van het boek “Kom eens naar mijn kamer” (Elsevier, 1986). Uitvaart is op dinsdag 20 oktober in de grote kerk van Dendermonde.

Met al die pedofilieverhalen wordt ook het fameuze zinnetje “Kom eens naar mijn kamer” weer vaak opgerakeld. Heb ik dit zinnetje – als collegestudent – ooit te horen gekregen? Wees maar zeker! En… was het dan ook “van datteme”? Wel, om een antwoord te krijgen op die vraag zal je dit stukje moeten lezen, vrees ik.
Vooraf moet ik wel duidelijk maken dat het zinnetje “Kom eens naar mijn kamer”, zoals dat in het gelijknamige boek van Vic De Donder wordt gebruikt, eigenlijk sloeg op een gesprek over het al dan niet priester worden.
Een voorbeeld uit “Kraai” van Bavo Claes: “Ik had het meteen gezien,” zegt hij, “van je eerste dag al, hier op onze school, jij bent een jongen die door God geroepen wordt!” Zijn clergyman bergt een mengeling van wierooklucht, okselreuk en parfumerie. Zijn hand knelt in mijn nek. “Niet alleen is het priesterschap de allerhoogste eer, maar bovendien” – “Ik dacht, mijnheer, dat ik misschien – ik weet het nog niet zeker.” De blik priemt. “Niemand mag zijn hart sluiten voor het werk van de Heilige Geest, jongen. De geest is het die levend maakt, het vlees dient tot niets. Johannes.” (p.45-46)
De Donder: “Het motto waaronder de geestelijke begeleiding liep, was overal hetzelfde: de beroemde (en beruchte) uitspraak ‘kom eens naar mijn kamer’. Al moet er aan toegevoegd worden dat deze praktijk slechts dateert van het begin van de 20ste eeuw. Voordien was ontvangen op de kamer streng verboden. Kardinaal Goossens herhaalde dat principe in zijn toespraak tot de collegedirecteurs in 1885. Op de vergadering met de directeurs in 1907 stond kardinaal Mercier wel al toe dat de leraars van Poësis en Retorica op hun kamer ontvingen maar niet ’s avonds. In hetzelfde jaar nog werd de toelating uitgebreid tot de leraars van de vier hoogste klassen.” (p.85-86)
Hoe men dan van de religieuze naar de seksuele connotatie is overgeschakeld, wordt nog op dezelfde pagina duidelijk: “Nadruk lag vanzelfsprekend op het gewetensonderzoek, m.a.w. op de schuldvraag, waarbij de omgang met meisjes tot een alles overheersende obsessie uitgroeide.” (vetjes van mezelf)
05Wie dus echt wil weten hoe het eraan toeging als een geestelijke zei: “Kom eens naar mijn kamer”, die kan beter terecht in het boek van Jos Willems, een advocaat die bij het grote publiek vooral bekend is van zijn optredens in “Beschuldigde sta op” of “Met voorbedachten rade” (p.46-47).
Daarnaast wil ik nog dit zeggen. De enige geestelijke bij wie ik tamelijk vaak aan huis ben geweest (hij woonde in een huis naast het college, dat was dus wat ruimer dan een “kamer”), was Anton van Wilderode. Maar dat was altijd op mijn eigen verzoek en uiteraard is er nooit iets voorgevallen. Is er dan nooit over seks gesproken? Dat nu ook weer niet. Ik ging van Wilderode o.a. opzoeken toen ik het van mijn ouders moest uitmaken met mijn eerste lief. En wat raad je? Hij gaf mijn ouders uiteraard gelijk. Dat was meteen ook het einde van mijn bezoeken, al heb ik hem later nog wel vaak ontmoet, meestal op voordrachten of tentoonstellingen.
Ten tweede moet ik zeggen dat ik wél seksuele handelingen heb ondervonden van leraars, maar dan wel van leken. De ene was een leraar aardrijkskunde in ’t middelbaar, maar dan nog in ’t lager middelbaar, toen we nog een korte broek droegen. En die had dan de gewoonte om, als we hem een vraag stelden, als het ware tersluiks over onze blote benen te wrijven. Ik denk niet dat we daar veel trauma’s aan hebben overgehouden.
Hij werd voorafgegaan in ’t lager onderwijs door een “meester” die met een regel in onze broek zat te morrelen, terwijl we op zijn schoot moesten liggen. Op het eerste gezicht zou ik ook hier zeggen: veel nadeel hebben we daar niet van ondervonden. Maar toen ik daar wat meer over nadacht, was dat toch niet helemaal waar. Wij vonden dat namelijk plezant en begonnen dat dan ook bij elkaar te doen. En dààr zat dan wel een fameuze adder onder het gras. Want wij durfden dat dan niet biechten, waardoor we een “doodzonde” begingen telkens we daarna te communie gingen. Met daarbovenop de schrik om plotseling dood te gaan, zonder de kans te krijgen het op de valreep nog te kunnen opbiechten!
Nù kunt ge daarmee lachen, maar in die tijd gelóófde je dat dus, hé! En het waren diezelfde hypokrieten die je dat geloof hadden bijgebracht. Dus, nee, alles bij elkaar genomen was dit zeker niet zo onschuldig als het allemaal leek. Of zoals Jef Rademakers zegt in Humo van 21/9/2010: “De kerk heeft mensen veel verdriet gedaan, in al hun arrogantie hebben ze de kleine jongetjes niet alleen in hun broek gezeten maar ook in hun hersenpan, en dat is nog het ergst.”
Maar om nu tot de echte vraag van “kom eens naar mijn kamer” te komen, daarvoor moet ik een heel lange omweg maken…
Ik had mij namelijk (zoals heel mijn generatie) wel het boekje van Nonkel Bob aangeschaft om gitaar te leren maar het zou er nooit van komen (*). Onder meer omdat in dat boekje ook het nummer “Vrolijke vrienden” stond met daarin de profetische woorden: “Dan is ‘t tijd dat wij gaan trekken!”
Dat was de tijd toen ik stapelverliefd was op de achtereenvolgende winnaressen van het Eurovisie-songfestival: eerst Gigliola Cinquetti en daarna France Gall, de eerste posters die ik tegen mijn muur mocht hangen. Recht tegenover mijn bed dan nog wel, wat erg handig was voor wat uiteindelijk toch de bedoeling van die poster was…
En toch waren we in die tijd nog onbezoedeld. En niet alleen wij, collegeknapen, maar ook die zogenaamde “vedetten”. Zo dacht France Gall dat het nummer “Les sucettes” dat Serge Gainsbourg voor haar had geschreven effectief over snoepgoed ging… Ik weet niet of het er iets mee te maken had, maar tijdens de zomervakantie in het Zuid-Franse Monieux (zie elders op deze blog) hadden mijn Franse vrienden de gewoonte als meisjes hun een dans weigerden te vragen: “Vous voulez une sucette?”
Udo Jurgens sloeg ik uiteraard over in 1966 (al kocht ik wel het singeltje, enerzijds omdat het nu eenmaal een traditie was geworden, anderzijds om mijn ouders een plezier te doen), maar in 1967 was er Sandie Shaw, waarvan ik een paar foto’s uit Paris Match had geknipt in een korte, half doorzichtige jurk in mousseline. Toen ik ze op een bepaald moment op de speelplaats van het college aan mijn medeleerlingen toonde, werd ik door één van hen verklikt en kreeg ik het fameuze zinnetje: “Kom eens naar mijn kamer” te horen.
Daar gearriveerd werd ik geconfronteerd met het feit dat mijn punten de laatste tijd de dieperik in gingen en dat ik er blijkbaar niet meer met mijn gedachten bij was…
“En waaraan denkt ge dan wél, jongen?”
“Aan de koers, eerwaarde, ik zit met mijn gedachten altijd bij de coureurs.”

Ik ben nooit meer naar het kamertje moeten komen. Onthullingen over wielrenners waren blijkbaar minder interessant dan andere “ontboezemingen”.

Ronny De Schepper

(*) Als volwassene heb ik me niet één, maar zowaar twéé gitaren aangeschaft: een akoestische en een elektrische. Nooit op kunnen spelen.

Referenties
Vic De Donder, Kom eens naar mijn kamer, Elsevier, 1986
Jos Willems, Advocaat van de liefde, Merelbeke, Belfort-Boeken, 2007

2 gedachtes over “Vic De Donder (1939-2015)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s