Vandaag is het ook alweer vijf jaar geleden dat de Engelse komiek Norman Wisdom overleden is in zijn slaap. Wisdom, die in het jaar 2000 werd geridderd, was 95 en zijn gezondheid was steil bergaf gegaan. Hij is tot op hoge leeftijd actief gebleven in de filmindustrie, maar vanaf de jaren zeventig vaak in minderwaardige films die het vooral van onderbroekenlol moesten hebben. Nochtans was Wisdom ooit begonnen met de zegen van niemand anders dan Charlie Chaplin die in hem zijn opvolger zag. Dat was dan vooral in de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig, toen Wisdom ook voor mij, als klein broekje, één van de eerste “filmsterren” was die ik verafgoodde. Als ik nu die films terugzie, dan is het vaak met gekromde tenen, maar het jeugdsentiment wordt er niet minder om, zoals in onderstaande parodie op “The girl can’t help it”…

20 Norman WisdomSlapstick

De komische film is bijna zo oud als het medium zelf. Het enige fictiefilmpje (dus met een “scenario”, hoe minimaal ook) dat de gebroeders Lumière draaiden was “L’arroseur arrosé”. Met veel goede wil zou men dit reeds als een zogenaamde “slapstick” kunnen betitelen: gooi- en smijthumor ten koste van de evennaaste, wat nu als totaal “politically uncorrect” zou worden afgedaan! In het begin van de filmgeschiedenis was dit genre nochtans heel erg populair en dat was ook logisch, want in een tijd dat er nog geen klankfilm was, moest de humor wel visueel zijn. Slapstick is overigens ouder dan de film. Het is afkomstig uit het circus, de Commedia dell’Arte en de Music Hall en de benaming refereert dan ook aan de twee aan elkaar vastgemaakte plankjes die tegen elkaar werden geklapt, telkens er op de scène klappen werden uitgedeeld. Een andere benaming is “burlesque”.

In Parijs draaide Max Linder in 1905 de eerste van zijn 500 kortfilms (tot 1925), maar hiermee verlaten we dan ook het continent en vanaf nu concentreren wij ons enkel op Hollywood (voor wie iets meer wil vernemen over de Franse komische films, zie hier). Daar lanceert in 1913 Mack Sennett zijn “Keystone Cops” en ook one-reelers (filmpjes met de duur van één spoel) met Charles Chaplin. In het spoor van “the tramp” (de eenzame zwerver) zouden ook Buster Keaton en Harold Lloyd een typetje creëren. Opvallend is dat zowel Chaplin, Keaton als Lloyd na verloop van tijd zichzelf begonnen te regisseren. Buster Keaton valt voor het eerst op in “One week” uit 1920. Een jaar later volgt “Sherlock junior” met Katherine McGuire. Een projectiebediende in een filmzaal heeft een nogal eentonig bestaan en ook in zijn privé-leven heeft hij met problemen te kampen. Daarom kruipt hij af en toe in de huid van een ster van het witte doek en wordt hij Sherlock Junior. Daarna volgt “The boat”, “The navigator”, “Go west” en “The general”. Humor blijkt trouwens de tand des tijds beter te doorstaan dan dramatiek. De lachers gingen dan ook nog een tijdlang met stomme films door, omdat ze wel wisten dat deze gooi- en smijthumor beter aansloeg dan verbale humor. In “The cameraman” (Edward Sedgwick) schittert Buster Keaton nogmaals.

Harold Lloyd, in 1893 geboren, had in 1914 reeds het personage van Willie Work (haveloze schooier) gecreëerd. In 1915 schakelt hij over op Lonesome Luke (onbestemde zwerver), maar in 1917 vindt hij eindelijk zijn succestypetje als onbeholpen kantoorklerk. Eén van zijn films kreeg de titel “Safety last” mee en dat lijkt inderdaad wel het leidmotiv te zijn van Lloyd, niet alleen in zijn films, ook in de realiteit. Zo neemt hij rond deze tijd zo’n typische filmbom met lont (maar toch een echte!) in zijn hand en steekt ze aan met zijn sigaret. Nadat iedereen van de schrik is bekomen, stelt hij vast dat hij een duim en wijsvinger heeft verloren. Dankzij Daryl Zanuck die vroeger nog handschoenverkoper was geweest, wordt hem een handschoen aangepast, waarin twee namaakvingers zodanig zijn vastgemaakt dat ze meebewegen met de middenvinger. Het was zo goed gedaan dat men, zelfs in close-up, het nadien niet kon merken. In 1947 trekt hij zich terug uit filmbedrijf. In 1952 krijgt hij een speciale Academy Award en in 1971 is hij overleden.

Slapstickfilms zijn nogal tijdsgebonden. Na de periode van de stomme film werden er haast geen meer gedraaid. Mel Brooks heeft nog eens een poging gedaan met “Silent movie”, maar daarbij heeft hij doelbewust enkele beperktheden van het filmmedium overgenomen (zoals de titel reeds aangeeft) en dus kan het moeilijk als een “moderne” slapstick worden beschouwd.

De enige poging tot slapstick, terwijl de verworvenheden van de filmevolutie overeind blijven die ik me kan herinneren is de Nederlandse film “Help, de dokter verzuipt!” (Nikolai van der Heyde, 1974). Toch is ook deze film mislukt. De grappigste naaktscène is ongetwijfeld één die helemaal niet als grap was bedoeld. Op een bepaald moment staat Willeke Van Ammelrooy naakt in het water en in achteraanzicht steekt haar kont fier boven het water uit, maar als de camera haar daarna in vooraanzicht neemt, bedekt het water wel haar schaamhaar. Raar water hebben ze daar in Holland. ’t Kan niet missen dat de dokter (net zoals de hele film) erin verzuipt!

Music Hall-traditie

De meeste van de genoemde komieken waren voordien actief in het Music Hall-circuit en bij Laurel en Hardy herkennen we trouwens de rolverdeling van grapjas en aanbrenger die in dat milieu gangbaar is. Stan Laurel (°Engeland, 1890) vestigde zich in 1917 in de V.S. als lid van dezelfde variété-groep als Charlie Chaplin. Hij was zelfs de understudy van Chaplin. Hij is in 1965 overleden. Hij vormde een onafscheidelijk duo met Oliver Hardy (°Harlem, 18/1/1892-7/8/1957) en dat sedert 1927 in “The second hundred years”. Dat was echter reeds de derde film dat ze samen speelden. De eerste dateert uit 1921 (“The Lucky Dog”), maar hier zou men het gewoon toeval kunnen noemen dat ze samen in een film stonden, want aan een duo dacht toen nog niemand. Dat gebeurde pas in 1926 toen Hal Roach hen samenbracht voor “Duck soup” (niet te verwarren met de film van The Marx Brothers). Roach vond hen zo’n geslaagd duo dat hij Laurels toenmalige partner May Dahlberg betaalde om terug te keren naar Australië en daar ook te blijven. Laurel vormde tot dan immers met haar ook een paar op de scène, maar zij was helemaal niet van zijn niveau. Later zou ze uiteindelijk toch terugkeren en Laurel een proces aandoen omdat ze “zo niet wettelijk dan toch in de feiten” zijn vrouw was. Laurel zou zich trouwens zijn hele leven lang blauw betalen aan diverse alimentaties. Ook Oliver Hardy was net als Stan Laurel getrouwd met een filmactrice, maar ook dat was niet echt wat je noemt een gelukkig huwelijk. De carrière van Hardy’s vrouw liep op niets uit en toen begon ze te drinken, zodat Hardy meer tijd spendeerde in de Country Club dan thuis.

Hardy, die in 1948 een merkwaardig solo-optreden heeft naast John Wayne in de western “The fighting Kentuckian” van George Waggner, was overigens zeer weinig in film geïnteresseerd: hij liet doorgaans Stan Laurel al het schrijfwerk doen en haastte zich na de opnamen terug naar het golfterrein. Anderzijds was hij wel heel lief voor de kinderen van Stan. Oliver Hardy was als kind erg verwend (vandaar zijn corpulentie) en mocht cello gaan studeren op het conservatorium. Hij liet deze studies echter voor wat ze waren toen hij als zanger aan de slag kon gaan in bioscoopzalen (we spreken uiteraard nog over de tijd van de stille film). Ook later, als ze succesvol de overstap naar de sprekende film hebben gemaakt, zou Oliver nog geregeld een lied ten beste geven.

In 1938 is er “Blockheads”, waarin Laurel pas twintig jaar na datum verneemt dat de oorlog gedaan is. In de jaren negentig verscheen hiervan een ingekleurde versie, die men moet verafschuwen als men “politically correct” wil zijn, maar om eerlijk te zijn: het is erg goed gedaan. De kleuren zijn een beetje afgewassen, precies zoals dat ook in die tijd zou zijn. De onderliggende toon dat twee mannen samen het toch beter hebben dan met een vrouw werd in die tijd blijkbaar niet als een hint van homofilie beschouwd (cfr.de scène waarbij Oliver denkt dat Stan een been verloren heeft). Maar toch ligt het voor de hand dat er een homoseksuele ondertoon is bij dergelijke “vriendschap onder mannen” (zie ook “Gloed” van Sandor Marai). Het meest opvallend wordt hierop gealludeerd in “Their first mistake” uit 1930. Als Oliver Hardy – nota bene: onder zijn eigen naam, net als Stan (*) – door zijn echtgenote wordt afgeranseld omdat hij meer met Stan optrekt dan met haar, vlucht hij in het appartement van Stan, dat overigens vlak tegenover dat van het echtpaar Hardy ligt. Stan weet natuurlijk weer van toeten of blazen en in een merkwaardig gesprek dat (zonder enige reden) in bed plaatsvindt en waarbij zowel Stan als Ollie zich letterlijk in merkwaardige bochten wringen, vraagt hij dan ook wat er nu eigenlijk aan de hand was.

Ollie: Ze verwijt me dat ik meer om jou geef dan om haar.

Stan: Dat is toch zo?

Ollie: Laten we daar nu maar niet verder op ingaan.

Wanneer Stan Ollie de raad geeft een baby te adopteren (niet te maken!) opdat zijn vrouw “wat omhanden zou hebben”, wordt het plan juist te laat uitgevoerd: Oliver is door zijn vrouw in de steek gelaten en ook Stan krijgt van haar een dagvaarding “omdat hij haar man van haar heeft vervreemd.”

In wat volgt krijgen we dan o.m. alweer een komische bedscène, waarbij Stan zich tegen Ollie aanschurkt (deze laatste denkt dat het de baby is en geeft Stan de fles).

In 1943 draaien Laurel & Hardy “Jitterbugs”, maar hun populariteit is dan al aan het tanen ten voordele van Abbott & Costello. Een jaar later volgt “Nothing but trouble” van Sam Taylor, waarin Stan en Ollie een jonge koning van een gewisse dood redden. Als grappige scènes onthou ik de American Football-match en hun rol als butler en kok.

In 1951 draaien ze dan ook hun allerlaatste film, “Atoll K”, een Frans-Italiaanse productie die in de VS als “Robinson Crusoe-land” werd uitgebracht. Het werd een dubbele ramp. Bovendien was Stan Laurel toen al zwaar ziek (suikerziekte). De film flopte, maar op het continent waren ze nog altijd erg populair, daarom besloten ze hier een theatertournee te maken. Zo kwam het duo bij de jaarwisseling 1947-48 nog naar België, meer bepaald naar de Alhambra, nabij het Brouckèreplein in Brussel, en in Gent, waar ze zich lieten fotograferen met Hélène Maréchal.

Ondanks het feit dat Stan Laurel het eerste ziek was geworden, was het toch Oliver Hardy die het eerste stierf aan een hartstilstand ten gevolge van een drastische vermageringskuur, die hij echter juist moest ondergaan omdat hij anders dreigde te overlijden aan een hartaanval!

Laurel & Hardy stonden model voor tal van dergelijke duo’s, zoals Abbott en Costello, Bob Hope en Bing Crosby (The road to Morrocco, David Butler, 1942; Road to Rio, Norman Z.McLeod, 1947; Road to Bali, Hal Walker, 1952), Jerry Lewis en Dean Martin, Eric Morecambe (1926-1984) en Ernie Wise (“The magnificent two”), Cheech Marin en Thomas Chong (b.v. in “Nice dreams” een drugkomedie uit 1982) en bij ons is er natuurlijk Gaston & Leo en Peter Van den Begin met Stany Crets! De problematiek van dergelijke komische duo’s komt ook goed aan bod in het stuk “The Sunshine Boys” van Neil Simon. Voor de verfilming ervan in 1975 deed Herbert Ross een beroep op Walter Matthau en Jack Benny. Deze laatste stierf echter tijdens de opnames en werd dan maar vervangen door de onverslijtbare George Burns.

Men kon natuurlijk ook met méér dan twee zijn The Marx Brothers b.v. waren met drie (en soms zelfs met vier): “Duck soup” (Leo McCarey, 1933), “A night at the opera” (Sam Wood, 1935), “A day at the races” (Sam Wood, 1937). En er waren The Three Stooges, eveneens drie echte broers Moe, Larry Fine en Jerry (Curly) Howard, later vervangen door Curly-Joe De Rita (1910-1993), die in de jaren dertig de gekendste vaudeville act van Columbia waren. In de nieuwe samenstelling worden nog “The three Stooges meet Hercules” (1961), “Snow white and the three Stooges” (1961) en “The three Stooges in orbit” (1962) gedraaid. En er zijn natuurlijk The Beatles in “A hard day’s night” (1964) en “Help” (1965), twee films van Richard Lester, die zijn sporen reeds verdiend had in dit genre.

Jerry Lewis werd in 1926 als Joseph Levitch in Newark (New Jersey) geboren. In zijn eerste nummer synchroniseerde hij op platen en spreidde daarbij een talent voor trekkebekken tentoon dat hem later wereldberoemd zou maken. (Later zou André Van Duin op krak dezelfde wijze debuteren.) In die periode – Jerry was toen twintig – maakte hij kennis met Dean Martin en ze besloten samen op te treden in komische films (o.a. in “Sailor beware” en “That’s my boy”, allebei van Hal Walker uit 1951, “The caddy” van Norman Taurog uit 1953 – waarin Dean Martin “That’s amore” zingt – “Pardners”, opnieuw van Norman Taurog en “Hollywood or Bust” van Frank Tashlin, beide uit 1956). In 1957 kwam er een einde aan de samenwerking omdat Martin het gevoel had dat hij door Lewis op de achtergrond werd gedrongen.

In de jaren zestig maakte Lewis een aantal films, die hijzelf (“The Patsy”, “The bellboy”) of Norman Taurog (“Don’t give up the ship”, 1959) of Frank Tashlin (“The disorderly orderly”, “Who’s minding the store?”) regisseerde. Maar het ging echter steeds bergaf met als dieptepunt het door hemzelf geregisseerde “The Family Jewels” uit 1965, waarin hij op een bepaald moment gewoon een clipje reclame inlast voor “This diamond ring” van zoon Gary. De Amerikaanse kritiek, die terecht nooit erg mals was geweest voor Jerry, werd vernietigender dan ooit. Het Europese publiek was echter dankbaarder dan het Amerikaanse, want met zijn show in de Parijse Olympia (1971) oogstte hij heel veel bijval.

Op latere leeftijd maakte Jerry Lewis ook ernstige films, al reflecteren die vaak op zijn carrière als komiek. Zo was er in 1982 “The king of comedy” van Martin Scorsese, naar een citaat uit “The Patsy”, waarin Lewis zichzelf (weliswaar niet ernstig bedoeld) “the king of comedy” noemde. Jerry Lewis wordt in deze film gestalkt door fan en would-be stand-up comedian Robert de Niro. Veertien jaar later (1996) is Lewis te zien in een gelijkaardige film, “Funny bones” van Peter Chelsom met Oliver Platt, Leslie Caron en Oliver Reed. Hierin keert Jerry Lewis als mislukte komiek uit Amerika terug naar Blackpool.

Een andere komiek, Jack Benny, sterft in 1975 tijdens de opname door Herbert Ross van “The Sunshine Boys”. In dit stuk van Neil Simon speelde hij samen met Walter Matthau een komisch duo dat het na elf jaar ruzie nog eens samen probeert. Benny werd dan maar vervangen door George Burns.

Andere personages die zo uit de wereld van de Music Hall zijn gestapt, waren o.a. Mae West en W.C.Fields. Deze laatste was de levende illustratie van het feit dat een komisch acteur geen komisch mens hoeft te zijn, alhoewel de omgeving die twee vaak verwart (denk aan de bekende “loodgietersmop” van Urbanus). Dat uit zich o.m. ook in het feit dat, alhoewel komische films uiteraard ook zeer geliefd zijn bij de allerkleinsten (vooral als het gooi- en smijthumor betreft), deze doelgroep zeker niet door de komedianten in hun hart wordt gedragen. Ook hier kunnen we weer naar een bekende grap verwijzen, namelijk die van Groucho Marx (“I don’t like Junior crossing the road, in fact I don’t like Junior”), maar W.C.Fields is daar toch het supreme voorbeeld van. Dat de werkelijkheid dan vaak cynischer blijkt te zijn dan de fantasie van de filmwereld, mag dan geïllustreerd worden door het feit dat de kleine Christopher, het zoontje dat Anthony Quinn bij zijn wettelijke echtgenote Katherine De Mille zeer tegen de wil van vader Cecil had verwekt, de dood vond in het zwembad van Fields.

Fields’ imago als kinderhater, werd later verdergezet door Clifton Webb in films, zoals “Mr.Belvedere goes to college” (Elliott Nugent, 1949). Ook Rick Moranis mishandelt kinderen in “Honey, I shrunk the kids” (1991). Later zullen de Disney-studio’s met een sequel uitpakken. Na “Honey, I shrunk the kids” moest haast automatisch “Honey, I blew up the kids” volgen en “to blow up”, “opblazen”, is helaas niet in de betekenis van “dynamiteren” gebruikt (en in de Disney-studio’s mag je je zeker niet verspreken en zeggen: “Honey, I blew the kid!”, een doordenkertje voor “dirty old men” – and women).

Screwball comedy

“It happened one night” van Frank Capra won vijf oscars in 1934 en daarmee startte ook de rage van de screwball comedy. Dit typisch Amerikaanse genre was erg in de mode in de jaren dertig met actrices als Claudette Colbert, Rosalind Russell en Katharine Hepburn. Hun tegenspelers droegen namen zoals Clark Gable, James Stewart en Cary Grant, toch wel een illuster rijtje.

Ook Irene Dunne muntte uit in dit genre. Als bewijs kunnen haar twee oscarnominaties voor “Theodora goes wild” (Richard Boleslawski, 1936) en “The awful truth” (Leo McCarey, 1937) gelden.

Het begrip “screwball comedy” is niet zo meteen te vertalen. De Oxford Dictionary maakt er zich iets te gemakkelijk vanaf door te verklaren dat een “screwball” een Amerikaans slang-woord is voor “a crazy person”. Onze Urbanus b.v. is zeker een “crazy person”, maar ik zou “Hector” of “Koko Flanel” toch niet als een “screwball comedy” bestempelen.

Een “screwball comedy” haalt de humor immers wel uit de krankzinnige toestanden die kunnen ontstaan bij een verhouding, liefst tussen twee compleet verschillende types, maar dan toch met een realistische ondertoon en zonder Jerry Lewis-achtige bekkentrekkerij. “Bringing up baby” van Howard Hawks uit 1938, waarin Katharine Hepburn met haar tijger de beendercollectie van professor Cary Grant om zeep helpt, moet zowat tegelijk het beste en ook het meest bekende voorbeeld van het genre zijn. Katharine Hepburn vertolkt een levenslustige erfgename die de stuntelige paleontoloog Cary Grant aan de haak wil slaan. Hepburn blijkt de nicht te zijn van mrs. Random, die een miljoen dollar aan Grants museum wil schenken. Haar hond George gaat aan de haal met het laatste been dat Grant nodig heeft voor een brontosaurusskelet. Voeg daar nog een tam luipaard (Baby), een rare majoor en een zatte concierge aan toe en je hebt de nodige ingrediënten voor een echte screwball comedy. Het gekibbel tussen man en vrouw, grappige dialogen, een razend tempo, helse achtervolgingscènes met visuele gags ‑ een overblijfsel uit de stille slapstick comedy ‑ je vindt ze alle terug in deze film. Hepburn en Grant krijgen volop de kans om uit te pakken met hun komisch talent. Regisseur Hawks leverde nog andere parels in het genre af zoals “Twentieth Century” (1934), “His Girl Friday” (1940), “I was a male war bride” (1948) en “Monkey business” (1952).

Grant is geknipt voor dat soort rollen, maar voor Hepburn was het haar eerste komedie. Ze stelde zich vreselijk aan op de scène en ze was bovendien totaal niet grappig. Enkel toen Hawks haar kon overtuigen dat ze iedereen op de zenuwen werkte en dat ze beter gewoon kon spelen alsof het een ernstige film betrof, begon de magie te werken.

Later heeft Peter Bogdanovich het gegeven van de verstrooide professor versus de vastberaden jonge vrouw nog eens overgedaan met Ryan O’Neal en Barbra Streisand in “What’s up, Doc?” (1972).

‘Nothing Sacred’ (1937) van William Wellman wordt vaak vergeleken met Howard Hawks’ “Bringing Up Baby”. Maar scenarist Ben Hecht, nochtans ook de auteur van de anticommunistische draak “The iron petticoat”, is in “Nothing Sacred” een stuk snediger en politiek minder correct. Deze romantische comedy vertelt het verhaal van roddeljournalist Wally Cook (Fredric March), die de ‘naderende’ dood van een meisje, Hazel Flagg (Carole Lombard) uitbuit, maar tussen de helse actie en de cynische wisecracks door groeit ‑ onweerstaanbaar ‑ liefde.

In de klassieke screwballkomedie “Ball of Fire” van Howard Hawks uit 1941 duikt een nachtclubzangeres (Barbara Stanwyck) onder in een huis vol professoren. Eentje onder hen (Gary Cooper) is wel zeer gefascineerd door haar taalgebruik, want het Amerikaanse dialect uit de jaren 30 en 40 zat immers vol vreemde uitdrukkingen. Die doorstonden niet allemaal de tand des tijds, maar klinken bijna een eeuw later nog steeds geweldig in de oren.
Sommige woorden kregen gewoonweg een andere betekenis. Nu denken we bij het woord ‘lettuce’ gewoonlijk aan sla. Zo’n honderd jaar geleden kon je er ook iets anders groen en overheerlijk mee benoemen: verse geldbiljetten.
In een ouderwetse screwball staat zoals gezegd de spanning tussen mannen en vrouwen centraal. De schrijvers van die tijd hadden termen in overvloed om mooie vrouwen te benoemen. Een knap meisje kon niet alleen een ‘dream puss’ zijn, maar ook een ‘rare dish’, ‘whistle bait’ of een ‘stick chick’. Dat de Tweede Wereldoorlog om de hoek loerde, lag allicht aan de basis van de volgende term:
een ‘destroyer’, nog een synoniem voor een knappe dame. Mannen moesten met minder tevreden zijn: een ‘drooly’, ‘swoony’ of’glad lad’ werden ze genoemd. Een ‘fuddy-duddy’ noem je iemand die zich nog steeds van zulke woorden bedient. Die
is namelijk ouderwets.
De verklaring dat screwball uit baseball afkomstig is, lijkt me dan ook veel logischer en dat niet alleen omdat John Doe in de film van Frank Capra letterlijk een “screwball” wordt genoemd, terwijl hij ook een baseball-speler is. Nee, veel meer omdat het daar “een bal waarmee men alle kanten op kan” betekent. En in feite is dat ook het thema van een screwball comedy: van bij de aanvang is het duidelijk dat de twee personen (uiteraard van verschillend geslacht) “voor elkaar gemaakt zijn”, maar ze zijn zozeer elkaars tegengestelde dat het niet duidelijk is hoe dit ooit gaat gebeuren. Men heeft hier ook de reden gezocht waarom dit genre nu juist zo populair was in een periode van economische crisis. Ondanks alle moeilijkheden heeft men immers toch de zekerheid dat het goed afloopt.

Vergeten we ook niet dat die moeilijkheden vaak ook klasseverschillen waren! En dan was het meestal de man die lager op de sociale ladder stond dan de vrouw. De vrouwen in screwball comedies zijn trouwens meestal de meerdere van de mannen. Ze zijn geestiger, ondernemender, soms zelfs intelligenter, al eindigt het natuurlijk wel plichtsgetrouw in een huwelijk, waarbij de vrouw haar eigen carrière opzij zet en moeder aan de haard wordt. In “Adam’s rib” (George Cukor, 1949) b.v. komen Spencer Tracy en Katharine Hepburn als advocatenechtpaar tegenover elkaar te staan in een proces over een poging tot moord. Diezelfde Katharine Hepburn mag in “The Philadelphia Story” van George Cukor (regie) en Joe Manciewicz (scenario) uit 1940 weliswaar een hele film lang het vrijgevochten (rijke) vrouwtje spelen, maar uiteindelijk kiest ze toch voor de conventie door haar eerste man (Cary Grant) boven de artistieke bohémien (James Stewart) te stellen.

Toch is het “progressieve” aan deze film dat Grant (die hierin Katharine Hepburn voor de tweede maal trouwt) zich blijkbaar veel minder zorgen maakt over het dronken nachtje dat Stewart en Hepburn samen doorbrachten dan de oorspronkelijke echtgenoot-in-spe. Dat deze nouveau riche in de macht is van bladen als “Dag Allemaal”, waartegen de Eastcoast-elite (om te weten wat ik onder deze term versta kan ik naar het boek “The age of innocence” van Edith Wharton verwijzen, of beter nog naar de verfilming ervan door Martin Scorsese) samenzweert, wordt al te gemakkelijk als negatief beschouwd, terwijl het anderzijds toch ook zijn afkomst als mijnwerker zou kunnen zijn. Daar stelt men dan tegenover dat de berooide schrijver wél door de betere kringen wordt aanvaard, omdat hij brains heeft. Maar wat dan met de voortdurende toespelingen op het feit dat hij wel eens iets van de bruidschat zou kunnen meepikken. Conservatief is alleszins hoe fotografe-kunstenares Ruth Hussey toch voor de bijl gaat voor Stewart, ondanks het feit dat hij vóór haar ogen een huwelijksaanzoek doet aan Hepburn.

Het feit dat Hepburn op vijf minuten tijd driemaal van huwelijkspartner verwisselt, wordt door sommigen wel afgedaan als kritiek op de instelling als een pure bourgeois-instelling en men verwijst daarvoor naar de komedies van Oscar Wilde. Inderdaad, gebaseerd op het toneelstuk van Philip Barry (voor de film bewerkt door Donald Ogden Stewart) zijn het vooral de dialogen die deze screwball comedy redden. En zeker niet de schmalzerige bij de jazz aanleunende muziek van Franz Waxman.

Er zijn wel beroemde uitzonderingen op de traditionele huwelijksmoraal, zoals “His girl’s friday” van Howard Hawks uit 1940, naar het stuk van Ben Hecht, of “Sullivan’s travels” van Preston Sturges uit 1941. Sturges is ook de auteur van “Easy Living” (in 1937 verfilmd door Mitchell Leisen), wat door sommigen als het hoogtepunt van de screwball comedy wordt geciteerd.

Zelfs Alfred Hitchcock draait in 1941 een screwball comedy (“Mr.and Mrs.Smith”) als vriendendienst aan Clark Gable, de man van Carole Lombard. Net op tijd, want zij verongelukte kort daarop.

In 1937 had ze al “Nothing Sacred” gedraaid van William A.Wellman, een klassieke screwball comedy in vroege Technicolor die vaak wordt vergeleken met “Bringing Up Baby”, dat echter pas een jaar later uitkwam. Bovendien is “Nothing Sacred” een stuk geestiger, snediger en politiek minder correct.

Deze romantische comedy vertelt het verhaal van een roddeljournalist (March), die de ‘naderende’ dood van een meisje (Lombard) uitbuit, maar tussen de helse actie en de cynische wisecracks door groeit natuurlijk een onweerstaanbare liefde. Producer David O. Selznick deed voor deze film beroep op William A. Wellman (1896‑1975). ‘Wild Bill’ Wellman was al een zeer gewaardeerd cineast tijdens de stille periode (o.m. met “Wings”, 1927), maar het was vooral met zeer uiteenlopende films als het bikkelharde “Public Enemy” (1931), het veel bekroonde “A Star is Born” (1937) en “Nothing Sacred” dat Wellman zich op de eerste rij van de Hollywood-regisseurs plaatste.

Hays Code

Met die (relatieve) vrouwelijke superioriteit zijn de screwball comedies eigenlijk toch wel uitzonderlijk, want doorgaans lopen vrouwen er voor spek en bonen bij in komedies. Het typevoorbeeld daarvan is de Engelse kortfilm “It’s your move”, waarin zowat alle Engelse komieken van die tijd optreden en slechts één vrouw. Haar rol bestaat er bovendien uitsluitend en overal in een (overigens zeer mooi) slipje rond te rennen wat aanleiding geeft tot seksistische grappen.

Screwball comedies gaan dus essentieel over seks, al valt er zo goed als niets in te zien op dat vlak, want ze vielen onder de restricties van de puriteinse Hays Production Code, die tijdens het draaien van de komische musical “The Merry Widow” (1934) van Lubitsch officieel werd ingesteld. “Seduction is never the proper subject for comedy,” zei de code. De film diende dan ook met een flinke scheut “Lubitsch‑touch” overgoten om de censors niet voor het hoofd te stoten en sprankelt daarom van inventieve humor. De dialogen zitten immers meestal vol met dubbele bodems.

“Trouble in Paradise”, eveneens van Lubitsch, is een klassiek toonbeeld van de sophisticated comedy waarmee Lubitsch’ naam onlosmakelijk verbonden is. De vederlichte suggestie waarmee hij censuurregels subtiel opzij schoof groeide uit tot een begrip: de Lubitsch-touch. Officieel gold de Hays Production Code, de censuur die Hollywood zichzelf oplegde, in 1932 nog niet. Maar de regels waren reeds bekend en richtinggevend, waardoor Lubitsch niet expliciet kon tonen wie wie verleidde. Maar het komisch effect van personages die steeds weer verschijnen in deuropeningen van andermans kamer, zegt genoeg.

Lubitsch had in zijn Duitse periode trouwens zelf nog komische rollen vertolkt, zo b.v. in “Dokter Satanssohn” van Edmund Edel uit 1916, waarin hij een komische draai geeft aan het bekende Faust-thema. Hier is het een oudere vrouw die er per se jong wil blijven uitzien (Cher?) en daarom tovert hij haar in het lichaam van haar dochter. Haar dochter zelf wordt in een beeldje veranderd. En alvast de verjongde moeder leefde nog lang en gelukkig… op voorwaarde dat ze zich niet liet kussen. Ook hier is er dus weer een parallel met Cher, want ik denk dat die zich met al die plastische chirurgie ook niet mag laten kussen…

Met “The miracle of Morgan’s creek” (1944) liep Preston Sturges toch bijna tegen de lamp. Nu ja, het gegeven was dan ook niet mis. Norval Jones (Eddie Bracken) werkt als kleine bediende bij een bank. Hij was maar al te graag militair geworden, maar door zijn zwakke gezondheid was het onmogelijk zijn dromen te realiseren (in oorlogstijd was het blijkbaar een courant thema om de thuisblijvers te “excuseren” wegens hun zwakke gezondheid, denk maar aan “Hail the conquering hero!” van diezelfde Preston Sturges een jaar eerder met eveneens Eddie Bracken in de hoofdrol). Norval is altijd al verliefd geweest op Trudy (Betty Hutton). Hij is dan ook in de wolken wanneer ze hem voorstelt om samen naar de film te gaan. De volgende ochtend komt Trudy thuis, maar ze kan zich niets herinneren van haar avondje uit. Later vertelt ze haar zus Emmy (Diana Lynn) dat ze getrouwd is met een soldaat, wiens naam ze niet eens meer kent. Nog later ontdekt ze dat ze zwanger is. Emmy stelt dan voor dat Trudy met Norval zou trouwen…

In “The Philadelphia Story” draait de plot eveneens rond het feit of een dronken Katharine Hepburn het nu al dan niet met een al even dronken James Stewart heeft gedaan. Maar belangrijker nog is dat heel de film wordt gesuggereerd dat het échte conflict gaat over het feit dat ze frigide is. Ze wordt herhaaldelijk een “bronzen beeld” genoemd, een “onaantastbare godin”, een “eeuwige maagd” of een “ouwe vrijster ondanks het feit dat ze getrouwd is”. Ook het drankprobleem van haar man (Cary Grant) wijst in de richting van haar ontoeschietelijkheid in bed. Alcohol zal voor haar uiteindelijk ook de catalysator zijn, zij het dus dat ze eerst ontdooit in de armen van schrijver/bonvivant Stewart. Vijftien jaar later zal dit scenario nog eens worden overgedaan in “High Society” van Charles Waters. Grace Kelly kiest hierin uiteindelijk toch voor de “True Love” van haar vroegere partner Bing Crosby, nadat Frank Sinatra, die dan wel een jazz singer is en geen schrijver.

Anderzijds kan dit niet altijd gezegd worden van Frank Capra, de man die dus als “vader” van het genre wordt beschouwd. Zijn komedies zijn eerder maatschappelijk-moralistisch (b.v. “Mister Deeds goes to town” uit 1936, “You can’t take it with you” uit 1938, “Mr.Smith goes to Washington” uit 1939, “Meet John Doe” uit 1941 of “It’s a wonderful life” uit 1946), het genre “feelgood”-movies dat rond kerstmis de bioscopen teistert.

Daar staat tegenover dat men nu ook niet moet beweren dat Frank Capra steeds zeemzoet was. Eén van de beste voorbeelden daarvoor is “Arsenic and old lace” uit 1944, waarin Cary Grant wanhopige pogingen doet om zijn eerbare tantes Josephine Hull en Jean Adair te doen inzien dat eenzame oude heren deze wereld uit helpen géén werk van barmhartigheid is.

Travestie

Het succes van de screwball comedy liep tot in de jaren vijftig, toen de seksuele grenzen toch wat werden verlegd (met als hoogtepunten “The seven year itch”, “Some like it hot” en “The girl can’t help it”), al bleef het hypocriete Hollywood ook bestaan in de films met Doris Day (van “Tea for two” van David Butler met Gordon MacRae in 1950 tot “Pillow talk” van Michael Gordon met Rock Hudson in 1959). Met name in het geval van deze laatste weet men tot wat hypocrisie kan leiden!

Films als “I was a male war bride” (de reputatie van Cary Grant moet in deze film van Howard Hawks uit 1949 nog onbesproken geweest zijn, want anders had hij de rol zeker geweigerd) en “Some like it hot” waren ook de aanzet voor een aantal komedies waarin travestie een onmisbaar onderdeel van de plot is: “Tootsie”, “Mrs. Doubtfire“… Zelfs het omgekeerde gebeurde een enkele maal in “Victor, Victoria” van Blake Edwards uit 1982.

In de jaren zestig verdwijnt het screwball-genre omdat Hollywood vijandig reageerde op het feminisme en de seksuele revolutie. Zo is “The graduate” in de grond eerder een tragedie dan een komedie. En men waagde het zelfs om Jack Lemmon opnieuw tegenover een man uit te spelen (Walter Matthau in “The odd couple” van Gene Sachs), maar deze keer zonder een nieuwe Marilyn Monroe in de buurt!

Een typisch voorbeeld voor het soms wat stoute, maar over het algemeen toch wel berouwvolle meisje wordt Shirley MacLaine, die na “The Apartment” en “Irma la douce” van Billy Wilder in tal van dergelijke rollen wordt gecast, zoals “My geisha” van Jack Cardiff uit 1962 of “John Goldfarb, please come home” van John Lee Thompson uit 1964 (**).

In mindere mate wordt de seksuele revolutie ook gestalte gegeven in “There’s a girl in my soup” van Roy Boulting met Goldie Hawn als vrijgevochten Amerikaans meisje in een meer conservatieve Engelse omgeving. Een terechte keuze, aangezien zij daarvóór de kost verdiende als stripteaseuse. Zij zal dan ook zowat de opvolgster worden van Shirley MacLaine. In 1980 is het bijgevolg niet toevallig dat zij door regisseur Jay Sandrich en vooral door scenarist Neil Simon wordt uitgekozen om de hoofdrol te vertolken in “Seems like old times”, de hommage van Simon aan de screwball comedies. Als tegenspeler werd Chevy Chase uitgekozen, die voor sommigen blijkbaar dé screwball-acteur van dat moment was, maar ook al is hij hier beter dan gewoonlijk, toch blijf ik hem maar tweede garnituur vinden. Daarvoor baseer ik me dan vooral op de National Lampoon-reeks.

In de jaren tachtig duikt het screwball-genre in een aangepaste vorm opnieuw op, met name in “Broadcast News” van James Brooks, dat men kan zien als een hedendaagse herwerking van “His girl’s friday”. Nu is Holly Hunter immers de baas van William Hurt!

(*) Een pittig detail daarbij is dat Oliver heel zijn leven de bijnaam “babe” heeft mogen meesleuren, die afkomstig was uit zijn jonge jaren toen een Italiaanse kapper verliefd op hem was en hem “baby” noemde.

(**) In 1972 trachtte Shirley zich aan dat imago te ontrukken door de hoofdrol te aanvaarden in een zogenaamde horror-thriller “The possession of Joe Delaney” van Waris Hussein. De film – en vooral nog de acteerprestatie van MacLaine – werd zodanig weggehoond dat ze vijf jaar van welke filmset dan ook verwijderd bleef.

Een gedachte over “Norman Wisdom (1915-2010)

  1. Mooi artikel. Norman Wisdom was geweldig. Graag wil ik nog iets kwijt over John Candy. Voor mij is en blijft hij toch veel grappiger dan John Goodman is. En minder stug en warmer ook. Met zijn warme (sentimentele zo u wilt) inslag kunnen veel mensen zich identificeren. Tevens is Goodman veel minder dan Candy een subtiele acteur. ‘Only the Lonely’ vind ik een prachtige film. Sterk ondergewaardeerd, zeker tegenwoordig bij de verwende en ongeduldige kijker die liever snel wil lachen, desnoods bij grove grappen. Velen hechten gelukkig nog steeds waarde aan de warmte van de persoon Candy, die als echt mens van vlees en bloed wordt ervaren i.p.v. als louter een komiek. Groeten van een groot John Candy fan.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s