Vandaag is het ook alweer vijf jaar geleden dat de Engelse komiek Norman Wisdom overleden is in zijn slaap. Wisdom, die in het jaar 2000 werd geridderd, was 95 en zijn gezondheid was steil bergaf gegaan. Hij is tot op hoge leeftijd actief gebleven in de filmindustrie, maar vanaf de jaren zeventig vaak in minderwaardige films die het vooral van onderbroekenlol moesten hebben. Nochtans was Wisdom ooit begonnen met de zegen van niemand anders dan Charlie Chaplin die in hem zijn opvolger zag. Dat was dan vooral in de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig, toen Wisdom ook voor mij, als klein broekje, één van de eerste “filmsterren” was die ik verafgoodde. Als ik nu die films terugzie, dan is het vaak met gekromde tenen, maar het jeugdsentiment wordt er niet minder om, zoals in onderstaande parodie op “The girl can’t help it”…

20 Norman WisdomSlapstick

De komische film is bijna zo oud als het medium zelf. Het enige fictiefilmpje (dus met een “scenario”, hoe minimaal ook) dat de gebroeders Lumière draaiden was “L’arroseur arrosé”. Met veel goede wil zou men dit reeds als een zogenaamde “slapstick” kunnen betitelen: gooi- en smijthumor ten koste van de evennaaste, wat nu als totaal “politically uncorrect” zou worden afgedaan! In het begin van de filmgeschiedenis was dit genre nochtans heel erg populair en dat was ook logisch, want in een tijd dat er nog geen klankfilm was, moest de humor wel visueel zijn. Slapstick is overigens ouder dan de film. Het is afkomstig uit het circus, de Commedia dell’Arte en de Music Hall en de benaming refereert dan ook aan de twee aan elkaar vastgemaakte plankjes die tegen elkaar werden geklapt, telkens er op de scène klappen werden uitgedeeld. Een andere benaming is “burlesque”.

In Parijs draaide Max Linder in 1905 de eerste van zijn 500 kortfilms (tot 1925), maar hiermee verlaten we dan ook het continent en vanaf nu concentreren wij ons enkel op Hollywood (voor wie iets meer wil vernemen over de Franse komische films, zie hier). Daar lanceert in 1913 Mack Sennett zijn “Keystone Cops” en ook one-reelers (filmpjes met de duur van één spoel) met Charles Chaplin. In het spoor van “the tramp” (de eenzame zwerver) zouden ook Buster Keaton en Harold Lloyd een typetje creëren. Opvallend is dat zowel Chaplin, Keaton als Lloyd na verloop van tijd zichzelf begonnen te regisseren. Buster Keaton valt voor het eerst op in “One week” uit 1920. Een jaar later volgt “Sherlock junior” met Katherine McGuire. Een projectiebediende in een filmzaal heeft een nogal eentonig bestaan en ook in zijn privé-leven heeft hij met problemen te kampen. Daarom kruipt hij af en toe in de huid van een ster van het witte doek en wordt hij Sherlock Junior. Daarna volgt “The boat”, “The navigator”, “Go west” en “The general”. Humor blijkt trouwens de tand des tijds beter te doorstaan dan dramatiek. De lachers gingen dan ook nog een tijdlang met stomme films door, omdat ze wel wisten dat deze gooi- en smijthumor beter aansloeg dan verbale humor. In “The cameraman” (Edward Sedgwick) schittert Buster Keaton nogmaals.

Harold Lloyd, in 1893 geboren, had in 1914 reeds het personage van Willie Work (haveloze schooier) gecreëerd. In 1915 schakelt hij over op Lonesome Luke (onbestemde zwerver), maar in 1917 vindt hij eindelijk zijn succestypetje als onbeholpen kantoorklerk. Eén van zijn films kreeg de titel “Safety last” mee en dat lijkt inderdaad wel het leidmotiv te zijn van Lloyd, niet alleen in zijn films, ook in de realiteit. Zo neemt hij rond deze tijd zo’n typische filmbom met lont (maar toch een echte!) in zijn hand en steekt ze aan met zijn sigaret. Nadat iedereen van de schrik is bekomen, stelt hij vast dat hij een duim en wijsvinger heeft verloren. Dankzij Daryl Zanuck die vroeger nog handschoenverkoper was geweest, wordt hem een handschoen aangepast, waarin twee namaakvingers zodanig zijn vastgemaakt dat ze meebewegen met de middenvinger. Het was zo goed gedaan dat men, zelfs in close-up, het nadien niet kon merken. In 1947 trekt hij zich terug uit filmbedrijf. In 1952 krijgt hij een speciale Academy Award en in 1971 is hij overleden.

Slapstickfilms zijn nogal tijdsgebonden. Na de periode van de stomme film werden er haast geen meer gedraaid. Mel Brooks heeft nog eens een poging gedaan met “Silent movie”, maar daarbij heeft hij doelbewust enkele beperktheden van het filmmedium overgenomen (zoals de titel reeds aangeeft) en dus kan het moeilijk als een “moderne” slapstick worden beschouwd.

De enige poging tot slapstick, terwijl de verworvenheden van de filmevolutie overeind blijven die ik me kan herinneren is de Nederlandse film “Help, de dokter verzuipt!” (Nikolai van der Heyde, 1974). Toch is ook deze film mislukt. De grappigste naaktscène is ongetwijfeld één die helemaal niet als grap was bedoeld. Op een bepaald moment staat Willeke Van Ammelrooy naakt in het water en in achteraanzicht steekt haar kont fier boven het water uit, maar als de camera haar daarna in vooraanzicht neemt, bedekt het water wel haar schaamhaar. Raar water hebben ze daar in Holland. ’t Kan niet missen dat de dokter (net zoals de hele film) erin verzuipt!

Music Hall-traditie

De meeste van de genoemde komieken waren voordien actief in het Music Hall-circuit en bij Laurel en Hardy herkennen we trouwens de rolverdeling van grapjas en aanbrenger die in dat milieu gangbaar is. Stan Laurel (°Engeland, 1890) vestigde zich in 1917 in de V.S. als lid van dezelfde variété-groep als Charlie Chaplin. Hij was zelfs de understudy van Chaplin. Hij is in 1965 overleden. Hij vormde een onafscheidelijk duo met Oliver Hardy (°Harlem, 18/1/1892-7/8/1957) en dat sedert 1927 in “The second hundred years”. Dat was echter reeds de derde film dat ze samen speelden. De eerste dateert uit 1921 (“The Lucky Dog”), maar hier zou men het gewoon toeval kunnen noemen dat ze samen in een film stonden, want aan een duo dacht toen nog niemand. Dat gebeurde pas in 1926 toen Hal Roach hen samenbracht voor “Duck soup” (niet te verwarren met de film van The Marx Brothers). Roach vond hen zo’n geslaagd duo dat hij Laurels toenmalige partner May Dahlberg betaalde om terug te keren naar Australië en daar ook te blijven. Laurel vormde tot dan immers met haar ook een paar op de scène, maar zij was helemaal niet van zijn niveau. Later zou ze uiteindelijk toch terugkeren en Laurel een proces aandoen omdat ze “zo niet wettelijk dan toch in de feiten” zijn vrouw was. Laurel zou zich trouwens zijn hele leven lang blauw betalen aan diverse alimentaties. Ook Oliver Hardy was net als Stan Laurel getrouwd met een filmactrice, maar ook dat was niet echt wat je noemt een gelukkig huwelijk. De carrière van Hardy’s vrouw liep op niets uit en toen begon ze te drinken, zodat Hardy meer tijd spendeerde in de Country Club dan thuis.
Hardy, die in 1948 een merkwaardig solo-optreden heeft naast John Wayne in de western “The fighting Kentuckian” van George Waggner, was overigens zeer weinig in film geïnteresseerd: hij liet doorgaans Stan Laurel al het schrijfwerk doen en haastte zich na de opnamen terug naar het golfterrein. Anderzijds was hij wel heel lief voor de kinderen van Stan. Oliver Hardy was als kind erg verwend (vandaar zijn corpulentie) en mocht cello gaan studeren op het conservatorium. Hij liet deze studies echter voor wat ze waren toen hij als zanger aan de slag kon gaan in bioscoopzalen (we spreken uiteraard nog over de tijd van de stille film). Ook later, als ze succesvol de overstap naar de sprekende film hebben gemaakt, zou Oliver nog geregeld een lied ten beste geven.
In 1938 is er “Blockheads”, waarin Laurel pas twintig jaar na datum verneemt dat de oorlog gedaan is. In de jaren negentig verscheen hiervan een ingekleurde versie, die men moet verafschuwen als men “politically correct” wil zijn, maar om eerlijk te zijn: het is erg goed gedaan. De kleuren zijn een beetje afgewassen, precies zoals dat ook in die tijd zou zijn. De onderliggende toon dat twee mannen samen het toch beter hebben dan met een vrouw werd in die tijd blijkbaar niet als een hint van homofilie beschouwd (cfr.de scène waarbij Oliver denkt dat Stan een been verloren heeft). Maar toch ligt het voor de hand dat er een homoseksuele ondertoon is bij dergelijke “vriendschap onder mannen” (zie ook “Gloed” van Sandor Marai). Het meest opvallend wordt hierop gealludeerd in “Their first mistake” uit 1930. Als Oliver Hardy – nota bene: onder zijn eigen naam, net als Stan – door zijn echtgenote wordt afgeranseld omdat hij meer met Stan optrekt dan met haar, vlucht hij in het appartement van Stan, dat overigens vlak tegenover dat van het echtpaar Hardy ligt. Stan weet natuurlijk weer van toeten of blazen en in een merkwaardig gesprek dat (zonder enige reden) in bed plaatsvindt en waarbij zowel Stan als Ollie zich letterlijk in merkwaardige bochten wringen, vraagt hij dan ook wat er nu eigenlijk aan de hand was.
Ollie: Ze verwijt me dat ik meer om jou geef dan om haar.
Stan: Dat is toch zo?
Ollie: Laten we daar nu maar niet verder op ingaan.
Wanneer Stan Ollie de raad geeft een baby te adopteren (niet te maken!) opdat zijn vrouw “wat omhanden zou hebben”, wordt het plan juist te laat uitgevoerd: Oliver is door zijn vrouw in de steek gelaten en ook Stan krijgt van haar een dagvaarding “omdat hij haar man van haar heeft vervreemd.”
In wat volgt krijgen we dan o.m. alweer een komische bedscène, waarbij Stan zich tegen Ollie aanschurkt (deze laatste denkt dat het de baby is en geeft Stan de fles).
In 1943 draaien Laurel & Hardy “Jitterbugs”, maar hun populariteit is dan al aan het tanen ten voordele van Abbott & Costello. Een jaar later volgt “Nothing but trouble” van Sam Taylor, waarin Stan en Ollie een jonge koning van een gewisse dood redden. Als grappige scènes onthou ik de American Football-match en hun rol als butler en kok.
In 1951 draaien ze dan ook hun allerlaatste film, “Atoll K”, een Frans-Italiaanse productie die in de VS als “Robinson Crusoe-land” werd uitgebracht. Het werd een dubbele ramp. Bovendien was Stan Laurel toen al zwaar ziek (suikerziekte). De film flopte, maar op het continent waren ze nog altijd erg populair, daarom besloten ze hier een theatertournee te maken. Zo kwam het duo bij de jaarwisseling 1947-48 nog naar België, meer bepaald naar de Alhambra, nabij het Brouckèreplein in Brussel, en in Gent, waar ze zich lieten fotograferen met Hélène Maréchal.
Ondanks het feit dat Stan Laurel het eerste ziek was geworden, was het toch Oliver Hardy die het eerste stierf aan een hartstilstand ten gevolge van een drastische vermageringskuur, die hij echter juist moest ondergaan omdat hij anders dreigde te overlijden aan een hartaanval!

Laurel & Hardy stonden model voor tal van dergelijke duo’s, zoals Abbott en Costello, Bob Hope en Bing Crosby (The road to Morrocco, David Butler, 1942; Road to Rio, Norman Z.McLeod, 1947; Road to Bali, Hal Walker, 1952), Jerry Lewis en Dean Martin, Eric Morecambe (1926-1984) en Ernie Wise (“The magnificent two”), Cheech Marin en Thomas Chong (b.v. in “Nice dreams” een drugkomedie uit 1982) en bij ons is er natuurlijk Gaston & Leo en Peter Van den Begin met Stany Crets! De problematiek van dergelijke komische duo’s komt ook goed aan bod in het stuk “The Sunshine Boys” van Neil Simon. Voor de verfilming ervan in 1975 deed Herbert Ross een beroep op Walter Matthau en Jack Benny. Deze laatste stierf echter tijdens de opnames en werd dan maar vervangen door de onverslijtbare George Burns.

Men kon natuurlijk ook met méér dan twee zijn The Marx Brothers b.v. waren met drie (en soms zelfs met vier): “Duck soup” (Leo McCarey, 1933), “A night at the opera” (Sam Wood, 1935), “A day at the races” (Sam Wood, 1937). En er waren The Three Stooges, eveneens drie echte broers Moe, Larry Fine en Jerry (Curly) Howard, later vervangen door Curly-Joe De Rita (1910-1993), die in de jaren dertig de gekendste vaudeville act van Columbia waren. In de nieuwe samenstelling worden nog “The three Stooges meet Hercules” (1961), “Snow white and the three Stooges” (1961) en “The three Stooges in orbit” (1962) gedraaid. En er zijn natuurlijk The Beatles in “A hard day’s night” (1964) en “Help” (1965), twee films van Richard Lester, die zijn sporen reeds verdiend had in dit genre.

Jerry Lewis werd in 1926 als Joseph Levitch in Newark (New Jersey) geboren. In zijn eerste nummer synchroniseerde hij op platen en spreidde daarbij een talent voor trekkebekken tentoon dat hem later wereldberoemd zou maken. (Later zou André Van Duin op krak dezelfde wijze debuteren.) In die periode – Jerry was toen twintig – maakte hij kennis met Dean Martin en ze besloten samen op te treden in komische films (o.a. in “Sailor beware” en “That’s my boy”, allebei van Hal Walker uit 1951, “The caddy” van Norman Taurog uit 1953 – waarin Dean Martin “That’s amore” zingt – “Pardners”, opnieuw van Norman Taurog en “Hollywood or Bust” van Frank Tashlin, beide uit 1956). In 1957 kwam er een einde aan de samenwerking omdat Martin het gevoel had dat hij door Lewis op de achtergrond werd gedrongen.

In de jaren zestig maakte Lewis een aantal films, die hijzelf (“The Patsy”, “The bellboy”) of Norman Taurog (“Don’t give up the ship”, 1959) of Frank Tashlin (“The disorderly orderly”, “Who’s minding the store?”) regisseerde. Maar het ging echter steeds bergaf met als dieptepunt het door hemzelf geregisseerde “The Family Jewels” uit 1965, waarin hij op een bepaald moment gewoon een clipje reclame inlast voor “This diamond ring” van zoon Gary. De Amerikaanse kritiek, die terecht nooit erg mals was geweest voor Jerry, werd vernietigender dan ooit. Het Europese publiek was echter dankbaarder dan het Amerikaanse, want met zijn show in de Parijse Olympia (1971) oogstte hij heel veel bijval.

Op latere leeftijd maakte Jerry Lewis ook ernstige films, al reflecteren die vaak op zijn carrière als komiek. Zo was er in 1982 “The king of comedy” van Martin Scorsese, naar een citaat uit “The Patsy”, waarin Lewis zichzelf (weliswaar niet ernstig bedoeld) “the king of comedy” noemde. Jerry Lewis wordt in deze film gestalkt door fan en would-be stand-up comedian Robert de Niro. Veertien jaar later (1996) is Lewis te zien in een gelijkaardige film, “Funny bones” van Peter Chelsom met Oliver Platt, Leslie Caron en Oliver Reed. Hierin keert Jerry Lewis als mislukte komiek uit Amerika terug naar Blackpool.

Andere personages die zo uit de wereld van de Music Hall zijn gestapt, waren o.a. Mae West en W.C.Fields. Deze laatste was de levende illustratie van het feit dat een komisch acteur geen komisch mens hoeft te zijn, alhoewel de omgeving die twee vaak verwart (denk aan de bekende “loodgietersmop” van Urbanus). Dat uit zich o.m. ook in het feit dat, alhoewel komische films uiteraard ook zeer geliefd zijn bij de allerkleinsten (vooral als het gooi- en smijthumor betreft), deze doelgroep zeker niet door de komedianten in hun hart wordt gedragen. Ook hier kunnen we weer naar een bekende grap verwijzen, namelijk die van Groucho Marx (“I don’t like Junior crossing the road, in fact I don’t like Junior”), maar W.C.Fields is daar toch het supreme voorbeeld van. Dat de werkelijkheid dan vaak cynischer blijkt te zijn dan de fantasie van de filmwereld, mag dan geïllustreerd worden door het feit dat de kleine Christopher, het zoontje dat Anthony Quinn bij zijn wettelijke echtgenote Katherine De Mille zeer tegen de wil van vader Cecil had verwekt, de dood vond in het zwembad van Fields.

Fields’ imago als kinderhater, werd later verdergezet door Clifton Webb in films, zoals “Mr.Belvedere goes to college” (Elliott Nugent, 1949). Ook Rick Moranis mishandelt kinderen in “Honey, I shrunk the kids” (1991). Later zullen de Disney-studio’s met een sequel uitpakken. Na “Honey, I shrunk the kids” moest haast automatisch “Honey, I blew up the kids” volgen en “to blow up”, “opblazen”, is helaas niet in de betekenis van “dynamiteren” gebruikt (en in de Disney-studio’s mag je je zeker niet verspreken en zeggen: “Honey, I blew the kid!”, een doordenkertje voor “dirty old men” – and women).

Screwball comedy

“It happened one night” van Frank Capra won vijf oscars in 1934 en daarmee startte ook de rage van de screwball comedy. Dit typisch Amerikaanse genre was erg in de mode in de jaren dertig met actrices als Claudette Colbert, Rosalind Russell en Katharine Hepburn. Hun tegenspelers droegen namen zoals Clark Gable, James Stewart en Cary Grant, toch wel een illuster rijtje.

Ook Irene Dunne muntte uit in dit genre. Als bewijs kunnen haar twee oscarnominaties voor “Theodora goes wild” (Richard Boleslawski, 1936) en “The awful truth” (Leo McCarey, 1937) gelden.

Het begrip “screwball comedy” is niet zo meteen te vertalen. De Oxford Dictionary maakt er zich iets te gemakkelijk vanaf door te verklaren dat een “screwball” een Amerikaans slang-woord is voor “a crazy person”. Onze Urbanus b.v. is zeker een “crazy person”, maar ik zou “Hector” of “Koko Flanel” toch niet als een “screwball comedy” bestempelen.

Referentie
Ronny De Schepper, Zorg dat je je niet dood lacht…, Film nr.3 van augustus 1996

Een gedachte over “Norman Wisdom (1915-2010)

  1. Mooi artikel. Norman Wisdom was geweldig. Graag wil ik nog iets kwijt over John Candy. Voor mij is en blijft hij toch veel grappiger dan John Goodman is. En minder stug en warmer ook. Met zijn warme (sentimentele zo u wilt) inslag kunnen veel mensen zich identificeren. Tevens is Goodman veel minder dan Candy een subtiele acteur. ‘Only the Lonely’ vind ik een prachtige film. Sterk ondergewaardeerd, zeker tegenwoordig bij de verwende en ongeduldige kijker die liever snel wil lachen, desnoods bij grove grappen. Velen hechten gelukkig nog steeds waarde aan de warmte van de persoon Candy, die als echt mens van vlees en bloed wordt ervaren i.p.v. als louter een komiek. Groeten van een groot John Candy fan.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.