Het interview dat het meeste van mijn tijd in beslag heeft genomen, was ongetwijfeld dat met Will Tura. Niet minder dan drie dagen (gelukkig niet na elkaar) heb ik daarvoor moeten uittrekken. We spreken dan over de zomer van 1980. Het eerste interview, laten we zeggen het “normale” interview dat voor iemand anders al lang had volstaan, vond plaats in Studio Molière. Het is ook dààr, in de Molièrelaan dus, dat Jo Clauwaert nevenstaande foto heeft genomen. Dat was op het moment dat ik Will vertelde dat ik “Linda” eigenlijk zijn beste nummer vond (*), maar dat ik dat niet meer mocht draaien van mijn vrouw, omdat het bijna letterlijk toepasselijk was op mijn eerste lief, die dan ook nog eens Linda heette.
“Wil ik het volgende zaterdag eens zingen?” grapte Will. Hij vond immers dat, vooraleer tot publicatie over te gaan, ik op zijn minst één optreden van hem zou moeten bijwonen. Hij koos daarvoor een Casino Kursaal uit, dat van Knokke om precies te zijn. Mijn vrouw en ik mochten uiteraard gratis binnen, maar de drank was niét gratis en dat was ook geen kattepis. Minder dan champagne werd daar bij wijze van spreken niet geschonken en een dommekloot die blijkbaar eentje te veel ophad, stootte op een bepaald moment dan nog eens alle glazen op tafel om en hij was niet van plan om die rekening op zich te nemen. Maar goed, zo zag ik Will eens aan het werk buiten het “balcircuit” wat in die tijd nog zijn voornaamste bron van inkomsten was.
Uiteraard was er toen een nagesprek, maar ook dat volstond nog niet. Will was op dat moment aan het werken aan de elpee “Liedjes die ik graag had gezongen”, oude hits, meestal uit de jaren vijftig, die van een Nederlandse tekst waren voorzien en soms ook van een moderner arrangement. Hij nodigde me dan uit om op een zondagnamiddag bij hem thuis de banden, die in Engeland waren opgenomen, te komen beluisteren. Ik trachtte me eruit te praten door te zeggen dat ik toch sowieso wel een drukke agenda had en dat ik zondagnamiddag dan ook liever doorbracht bij vrouw en kinderen, maar dat pareerde hij met te zeggen dat ik die dan maar moest meebrengen. Zoals iedereen wel weet, heeft Will ook twee kinderen en die waren ongeveer even oud als die van mij. En mijn vrouw zou dan Jenny gezelschap houden die middag. Dat noemen ze dan “an offer you can’t refuse”. Even leek het nog in de soep te draaien, toen bleek dat mijn jongste een besmettelijke kinderziekte had opgelopen, maar zelfs dàt kon Will uiteindelijk niet tegenhouden (“kinderen moeten dat toch allemaal eens doormaken en als het nu niet is, dan zal het wel op een andere keer zijn”). Ik geloof niet dat Sandy of David er iets aan overgehouden hebben.

NEGATIEVE REACTIES
Ik denk dat heel deze werkwijze illustratief is voor wat men dan meestal het “professionalisme” van Will Tura noemt. En nochtans was het op dat vlak al van bij de start bijna fout gelopen. Ik had namelijk een aantal bekende mensen uit andere genres (rock, folk, kleinkunst) om een mening gevraagd over Will Tura en ik had echt gedacht dat ze iets zouden antwoorden in de zin van “het is natuurlijk mijn genre niet, maar de man is wel heel erg professioneel”. In werkelijkheid reageerden deze echter allemaal zeer negatief.
Zjef Vanuytsel kwam nog het dichtst in de buurt van wat ik voor ogen had. Zjef vertelde mij immers aan de telefoon: “Laat ik vooraf dit stellen: ik heb bewondering voor Will omdat hij reeds twintig jaar op de eerste plaats staat, ondanks het feit dat we hier in een klein landje leven en dat de gages voor artiesten dan ook navenant zijn. Maar in al die jaren is hij er nooit in geslaagd mij echt te ontroeren en dat is voor mij wel een belangrijk criterium. Volgens mij is dit vooral te wijten aan zijn teksten die niet oprecht naar de kern van het leven gaan.
Mijn bewondering geldt dan ook vooral zijn professionele aanpak. Dat uit zich vooral in zijn orkest, dat hij ook financieel naar ik meen goed onderhoud. Hij heeft ook vermoedelijk de beste installatie van het land. Kortom, hij geeft blijk van een geweldige beroepsernst. Ik geloof niet dat hij al echt geconfronteerd werd met internationale artiesten uit zijn genre, maar ik denk wel dat hij zo’n confrontatie zou aankunnen. Ook zijn singles zijn verzorgd, afgewerkt, gevarieerd, muzikaal up-to-date en steeds goed gepland in het kader van zijn carrière. Maar, zoals gezegd, ze grijpen me niet echt aan en daarom vind ik het eigenlijk niet eerlijk dat hij niet aan kritiek blootstaat, zoals dat voor ons wél het geval is. Joepie en zo die schrijven sowieso positief en de andere bladen volgen hem weinig, zwijgen hem als het ware dood. Eigenlijk zit hij op rozen, hij loopt immers het risico niet afgekraakt te worden.”

Raymond van het Groenewoud (**) daarentegen was al heel wat negatiever: “Ik vind het een vervelende zanger. Het valt mij echter op dat men hem geweldig de hand boven het hoofd houdt, ook mensen die anders zeer scherp te keer gaan, zoals Humo en Knack. Ik betwijfel niet dat het een vriendelijke kerel is, maar ik word helemaal melig als ik hem hoor.”
En Wiet Van de Leest, violist bij de toen erg populaire folkgroep Rum, doet helemaal de deur dicht: “Ik vind het platte kak. Ik voel gewoon een fysieke weerzin als ik hem hoor. Zijn uitspraak van de lange a bijvoorbeeld en zijn vibrato dat moet doorgaan als zingen… dat slaat op mijn darmen!”
En autistisch als ik ben, legde ik die negatieve antwoorden ook aan Will voor i.p.v. die weg te moffelen, wat alvast veel diplomatischer zou zijn geweest. Will Tura reageerde op zijn beurt erg negatief, vooral uiteraard op “die violist” (***): “Als ik geweten had dat het dit soort interview ging worden, dan had ik het nooit toegestaan”.
Dus het duurde een tijdje voor ik de plooien weer kon gladstrijken. Ik beloofde hem uit te kijken naar iemand anders die toch wat positieve commentaar zou geven en in eerste instantie dacht ik daarbij aan Jan De Wilde. Niet dat ik van oordeel was dat Jan bij wijze van spreken een Will Tura-fan was, maar ik dacht wel dat Jan met zijn spreekwoordelijke goede inborst mij uit deze netelige situatie zou willen redden door wat tegengas te geven. Ik belde daarover met zijn vrouw Lieve Van Steenberghe en Lieve dacht ook dat Jan dat wel zou doen.
Een tijdje later kreeg ik inderdaad een antwoord van Jan, maar dat ging niet bepaald in de richting van wat ik had verwacht: “Ik ken Will niet persoonlijk en dat maakt het me wel mogelijk hem nogal afstandelijk te benaderen. Laat ik maar meteen zeggen dat ik er niet van hou. Maar waarom precies dat is moeilijk te zeggen. Er zijn verscheidene zaken die mij storen. Zijn uitspraak van sommige tweeklanken bijvoorbeeld. Zjef Vanuytsel kan hem wat dat betreft goed imiteren. En vooral vroeger waren zijn teksten slecht gemaakt, al waren ze nog niet eens de slechtste uit het genre. Ook vind ik zijn vertolking van romantische dingen te pathetisch. Maar ik denk dat hij op die manier juist veel indruk maakt en dat dit dus bijdraagt tot zijn succes. Technisch is hij echter wel heel goed. Hij is een goede muzikant, denk ik. Vroeger liep hij altijd lichtjes vooruit op de algemene smaak in de lichte muziek. Maar dan weer niet té ver om de mensen niet af te schrikken.
Kortom, hij is wel goed, maar juist niet goed genoeg om een werkelijk grote persoonlijkheid te zijn. Maar in zijn genre is hij absoluut de beste. Alleen nog dit: ik vind dat je wel aan iemand mag horen vanwaar iemand komt. Nu heeft Tura heel goed zijn best gedaan om zijn West-Vlaams accent weg te werken, maar er is nu iets heel anders in de plaats gekomen, met rare tics. Maar het grote publiek stoort zich daar niet aan natuurlijk.”

Had ik toen geweten wat ik nu weet, dan had ik het beter aan Jean Blaute gevraagd, die in 1990 trouwens de hulde-CD “Turalura” zou producen. Bij die gelegenheid vertelde hij in Humo (de sponsor van het project): “Die man straalt een waardigheid uit én een bescheidenheid die je als je zijn nu al een kwarteeuw aanslepende status van plaatselijke wereldster in acht neemt, toch respect afdwingt. Hij heeft massa’s liedjes gemaakt waarvan er massa’s van redelijke tot goeie kwaliteit zijn. Over de teksten zullen we het nu niet hebben, want die zijn veelal van Nelly Byl en het is een publiek geheim dat dit één van de vele pseudoniemen van Hugo Matthysen is.”
Of ik had ook… José Van Dam kunnen nemen. Op 5/12/96 verklaarde die immers aan de Gazet van Antwerpen dat Will Tura de Vlaamse Jacques Brel is!
INTERVIEW
Het “gesprek met Will Tura, the entertainer” verscheen dus in de zomer van 1980 in De Rode Vaan onder de titel: “Ik leef vàn mijn publiek, maar ik leef ook vóór mijn publiek” en begon als volgt:
De carrière van Will Tura is de geschiedenis van de Vlaamse populaire muziek in een notedop. Begonnen in een periode dat Bobbejaan Schoepen en Jean Walter aan de top staan en dat Engelstalige rockers als Burt Blanca en Dan Ellery daar tegen te keer gaan, blijkt zijn voorkeur voor de gulden middenweg reeds uit zijn milde rocknummers met brave tienerteksten.
Toen hij 18 was, trok hij naar Alfons Jacobs, de toenmalige uitbater van de Rio in Sint-Katelijne-Waver, de oudste dancing van België: ‘Goeie dag mijnheer, mijn naam is Will Tura. Mag ik hier mijn liedje zingen? Het heet Oh Paardenstaart. Alfons zucht. ‘Ja maar, die mannen van de Spoetnik, ons orkest, zijn aan het spelen. Dat gaat toch zomaar niet!’ Maar Will stelt hem gerust: ‘Geen probleem, ik ken die mannen. En het is maar één liedje.’
Het was de eerste en de laatste keer dat Will Tura gratis optrad in de Rio. Een paar maanden later kostte hij al 3.000 Belgische frank. En sindsdien is de prijs enkel opgelopen.
Want, als blijkt dat hij hiermee toch niet de “harde kern” van de jeugd achter zich kan scharen, schakelt Will immers over naar een luchtiger genre van meezingers, waarmee eigenlijk vooral meisjes succes oogsten (Marva, Ann Soetaert of Liliane, die dan nog niet Saint-Pierre heet). Will heeft dan al lang ingezien dat hij hetzelfde (voornamelijk vrouwelijke) publiek ook kan bereiken als charmezanger. En zo wordt hij ook in dit genre een voorbeeld voor tientallen collega’s, van Jimmy Frey tot Willy Sommers. Dit blijkt een imago te zijn dat gedurende lange tijd goed doet verkopen (eigenlijk nog tot op de dag van vandaag).
Ondertussen is Johan Verminnen, een andere protégé van de Klüger-familie waar ook Will zich koestert, een kruisvaart begonnen voor het “betere Vlaamse lied” en Will tracht zijn wagonnetje aan te haken. Ook wanneer de discomuziek heel nieuwe opnamesnufjes lanceert, is Tura één van de eersten in Vlaanderen om die op zijn platen uit te proberen.
Maar nu, als veertigplusser, wil hij eigenlijk vooral de eeste echte “entertainer” worden in Vlaanderen. Een gewaagde ambitie, een rijke carrière ook, alle elementen aanwezig dus voor een boeiend gesprek.
VLAAMSE ELVIS PRESLEY
– Je bent in 1957 begonnen als rock’n’roller. Elvis-imitaties heb ik ergens gelezen, maar uiteindelijk verschijnen op plaat toch “gelouterde” versies (Bye bye love, Onvergetelijk) of zelfs nummers die nog weinig of niets met rock te maken hebben (Sproetje, Paardestaart). Was dat een bewuste keuze of werd je dat opgedrongen?
W.T.:
Dat was eigenlijk de keuze van Jacques Klüger, de ondertussen overleden vader van Jean, die nu nog steeds mijn belangen behartigt. Mijnheer Klüger heeft mij eigenlijk ontdekt en zijn filosofie was de volgende: Frankrijk heeft zijn Elvis Presley (Johnny Hallyday), Engeland ook (Cliff Richard), Duitsland eveneens (Peter Krauss), ik zou van jou een tienerzanger willen maken, een teenager-idool voor Vlaanderen, zoals dat toen heette. Daarvoor bracht hij materiaal mee uit de States, aangepast aan mijn melodieuze stem, en daar liet hij Vlaamse versies van maken. Hiervoor deed hij een beroep op een vaste staf van medewerkers om een bepaald imago te creëren.
Tot “Eenzaam zonder jou” heb ik eigenlijk niets anders gezongen dan vertalingen in opdracht van de uitgeverij waarvoor ik zong. Ik weet niet of het goed was, maar voor die tijd was het alleszins nieuw. Ik wou geen imitatie zijn van de bestaande mensen toen. Ik wou “Will Tura” worden, een zanger die mikte op de Amerikaanse markt. Niet met de bedoeling in Amerika door te breken, maar om deze Amerikaanse stijl te transponeren in het Vlaams. Vandaar dat ik een beetje afstand moest doen van de rock’n’roll die ik op het podium deed.
– Zou je kunnen zeggen dat Jacques Klüger een soort Colonel Parker is geweest voor jou?
W.T.:
Ja. Hij is werkelijk de man geweest die mij gemaakt heeft wat de platen betreft. Spijtig genoeg had hij geen tijd om zich met ’t Bühnewerk bezig te houden, hij had immers de grootste muziekuitgeverij van België onder zijn bevoegdheid. Maar voor mijn platen heeft hij wel alles uitgekiend tot op het moment dat hij zei: ik weet niet meer wat ik moet opnemen, waarom laat je eens geen tekst schrijven op die pianomelodieën van jou? Die eerste melodie was dan “Eenzaam zonder jou”, waarvoor ik trouwens voor de instrumentale versie reeds de titel “Without you I’m lonely” had gesuggereerd. Een maand later stond het nummer één.
– Je beseft wel dat de vergelijking met Colonel Parker voor sommige mensen negatief kan overkomen? En dat ook de overschakeling op het zachtere genre – net als Elvis na z’n legerdienst trouwens – in dat licht kan worden geïnterpreteerd?
W.T.:
Daarbij moet je wel voor ogen houden dat ik vroeger wel eens rock zong, maar dan gewoon omdat het uit de States kwam. Het is zeker niet te vergelijken met de oudste Presley-opnamen. Elvis is een legende geworden gewoon omdat hij de eerste was om rock’n’roll te zingen. Terwijl als ik rock zong, dan was het niet écht Will Tura, maar een imitatie van Elvis Presley. En op die manier kan je ook Klüger niet met Parker vergelijken. Parker schermde Elvis volledig af, maar dat was bij mij zeker niet het geval. Ik was maar een jongen uit Vlaanderen die de trein nam naar Brussel om nieuwe liedjes te gaan halen.
PROFESSIONALISME
– Volgens Marva zijn jullie twee ook vernieuwers binnen het genre geweest. Zij zegt: “Vroeger traden zangeressen op met een groot orkest. Jo Leemans is daar het prototype van. Ze zongen dan verscheidene nummers verspreid over heel de avond, zodat ze eigenlijk nooit de aandacht voor zich hadden. Will Tura en ik hebben daarin verandering gebracht. Wij spraken eens af nog slechts driemaal twintig en later tweemaal vijfenveertig minuten op te treden. Dat werd ons niet in dank afgenomen. Organisatoren noemden ons dikke nekken en zo. Maar nu hebben wij tenminste aandacht. Want ik vind het vreselijk dat er gedanst wordt tijdens mijn optreden. Een ander verschil is dat Will en ik ook zijn gestart met het optreden met een eigen orkest. Vroeger, en dan heb ik het nog over Jacques Raymond of Louis Neefs indertijd, kwamen de zangers en zangeressen dikwijls ’s namiddags repeteren met een orkest dat voor de gelegenheid gehuurd was door de organisatoren. Op die manier is men natuurlijk sterk gelimiteerd in de keuze van zijn repertoire.”
W.T.:
Ik spreek het niet helemaal tegen, maar ik heb althans nooit het gevoel gehad dat ik vroeger driemaal twintig minuten deed of zo. In de periode dat ik mijn orkest nog niet had, werkte ik immers à la Trini Lopez. En ik heb dat altijd heel plezierig gevonden. Ik kwam toe, alleen met mijn ampli en mijn elektrische gitaar en dan vroeg ik aan een drummer of een pianist die daar aanwezig waren of zijn wat wilden meespelen. Zonder repetities. En soms had ik geluk dat ik fantastische kerels achter me had staan, maar soms moest ik ook wel eens zeggen: nu zal ik wel even alleen verder spelen. Maar ik heb altijd de gewoonte gehad mij uit te leven op het podium zodat ik nooit problemen heb gehad met zaalhouders die zeiden “dikke nek” of zo. Vroeger had ik trouwens een repertoire van honderden liedjes. Naast mijn eigen liedjes zong ik immers al de successen van dat ogenblik. Tot ik mijn eigen orkest heb samengesteld. Toen zat ik opeens in de lift, omdat ik goede muzikanten had genomen en dat heeft me enorm gestimuleerd. Trouwens mijn orkest is gekend als professioneel begeleidingsorkest. Zij zitten natuurlijk wel vast in dei Turasound, maar wat wil je als je ziet dat sommige mensen, zoals Johnny Sax, reeds zeventien jaar bij mij zijn!
– Dat “professionalisme” is inderdaad een term die steeds terugkeert als men over Will Tura spreekt. Vandaar dat ik eigenlijk wel verrast ben door dat haast amateuristische begin.
W.T.:
En nochtans is het zo. Ik moest ook de zanginstallatie die daar ter plaatse was gebruiken, tot grote hartepijn van mijn broer, die soms zei: hoe kun je zoiets doen? Maar toen al wist ik dat één ding belangrijk was, namelijk dat het een succes moest zijn. ’t Was wel moeilijk meer meestal heb ik mij er toch doorheen geslagen.
“HET BETERE LIED”
– Van in het begin heb je steeds veel aandacht gehad voor je singels. Een bekend procédé is bijvoorbeeld het koppelen van een trage kant aan een rappe: “Dam di dam” is de keerzijde van “Het kan niet zijn” en “El bandido” wordt achterna gezeten door “De fanfare”. Een B-kant is dus belangrijk voor jou?
W.T.:
Vroeger wel ja, nu niet meer. Als er nu publiciteit wordt gemaakt, gaat men immers op een A-kant af en gebruikt men maar één titel. Vroeger waren echter de jukeboxen erg in en daar had men speciale papiertjes voor die zowel de A- als de B-kant vermeldden. Het was een heel andere manier van werken. Hoeveel mensen kunnen nu nog de B-kanten opnoemen van de grote hits? Vroeger wél!
– Maar het waren ook twee facetten van jou?
W.T.:
Ja, en dat met de bedoeling uiteenlopend te zijn. Voor het Bühne-werk heb je immers contrasten nodig.
– De stap van een goed uitgebalanceerde single naar een degelijke elpee is dan ook niet zo groot. Op een bepaald moment ben je je gaan opwerpen als een verdediger van “het betere lied”. Dit viel wellicht niet toevallig samen met het feit dat je elpees beter begonnen te verkopen dan je singles. Maar ook Johan Verminnen heeft hierin een rol gespeeld?
W.T.:
Ik vind Verminnen een echt oertalent. Johan heeft het in het bloed. Hij is vooral heel sterk op het gebied van het schrijven. Toen hij met het nummer “Zeg mij” kwam, was dat het soort materiaal dat ik nog niet had, maar daarom juist was ik erin geïnteresseerd. Achteraf hebben we ook samen nummers geschreven. Hij heeft mij toen wel geholpen ja, binnen het commerciële lied dan wel, het ging nooit eigenlijk te ver. En met deze nummers kon ik ook gemakkelijker een recital uitbouwen. Vier jaar geleden ben ik daarmee begonnen en ik ben erg blij dat ik die stap heb gewaagd, want nu ondervind ik dat ik daardoor enorm vooruitga. De mensen hebben daar ook geweldig veel belangstelling voor, zalen uitverkocht en zo, vandaar dat ik hoop binnenkort uitsluitend op die manier te kunnen werken.
NEDERLAND
Na “Hier ben ik dan deejay” was “Sil en de baby” de tweede poging van Tura om door te breken in Nederland. Verschrikkelijk (de titel alleen al). Laat ik de dingen even op een rijtje zetten: ik hou van de professionaliteit van Will Tura en Peter Koelewijn, ik hou echter niet van netjes opgedirkte smartlappen die ons als “het betere lied” worden verkocht. Daarna volgde “In mijn caravan”. Reggae zogezegd (“als Van het Groenewoud dat kan, kan ik het ook”), maar ook niet aan mij besteed. Will Tura zelf zegt daarover (Algemeen Dagblad, 12 april 1978): “Tot nu toe is het toch geen enkele Belgische artiest écht gelukt. Ook Louis Neefs niet, want dan waren het toch Nederlandse producties.”
– Met dit soort liederen heb ook jij geprobeerd door te stoten naar Holland. Je hebt er zelfs Peter Koelewijn voor onder de arm genomen. Het is niet gelukt. Bewuste discriminatie zegt de ene, je schoot toch nog iets te kort, zeg ik. Ik denk hier alleen nog maar aan het onhebbelijke feit dat je je elpees nummert (Will Tura nr.14 en zo). Als je een dergelijke elpee bijvoorbeeld tegen een “Het beste in mij is niet goed genoeg voor jou” van genoemde Peter Koelewijn plaatst, dan merk je toch dat er nog iets schort? En dan koppel ik daar het probleem van de teksten aan vast.
W.T.:
Ik zal je één ding zeggen: wij volgen steeds op de voet wat er in Nederland gebeurt. Als er hier bijvoorbeeld sprake was van “het betere lied”, dan was dat naar aanleiding van nummers van boven de Moerdijk. Wat is er m.a.w. gebeurd? De Nederlandse markt is de Vlaamse markt geworden. Dat is heel duidelijk. Bekijk de hitparade vandaag de dag: de twintig meest verkochte platen in Nederland zijn ook de twintig meest verkochte platen in Vlaanderen (****). Nu is er echter één verschil. Hier in Vlaanderen steekt men je steeds in schuifjes. Ofwel ben je een populaire zanger ofwel ben je een chansonnier. En als je een populaire zanger bent, dan mag je zeker geen chansons opnemen en omgekeerd. Ik vind dat verkeerd, maar de markt is nu eenmaal zo. Bovendien vind ik het verkeerd dat, als ik andere zaken zou doen, dat men dan zou neerkijken op wat ik nù doe. Want ik vind het juist erg belangrijk commerciële successen te boeken, dan kan je immers meer riskeren, want dan hebben de mensen van de platenfirma vertrouwen in je. Niemand geeft immers garanties in ons beroep, je moet het telkens opnieuw proberen waarmaken.
Maar wat nu die teksten betreft: ik vind Koelewijn een uitstekend tekstschrijver. En hij vindt zelf “Sil en de baby” één van zijn beste werkstukken. Maar als ik het hier dan uitbreng, heeft het geen succes. En toch komt het uit Nederland en uit een goede pen… Het is gewoon een heel lange weg. Indien het wél was ingeslagen, had ik mij een hele Koelewijn-elpee misschien wel kunnen permitteren.
Als je daarentegen dan ziet dat Rob De Nijs hier in Vlaanderen zo goed verkoopt… Luister, ik vind dat uitstekende platen, hoor, maar dat zijn wel vertalingen, hé. Dat kunnen de mensen bij ons hier ook. Ik vind trouwens dat Johan Verminnen al vier jaar aan de top zou moeten staan, ook in Nederland.
– Dat genre hebben ze inderdaad niet in Nederland. Maar iemand als jou in feite ook niet.
W.T.:
Och, ik denk dat ik voor Nederland een soort Joe Dassin ben of zo. Jaren geleden heeft Vader Abraham nog aangeboden iets met mij te doen in Nederland, maar daarvoor heb ik bedankt, dat ligt niet in mijn stijl. Maar met Koelewijn gaat de samenwerking wél verder. En die teksten… Ach, in het Engels is het toch net zo? Neem nu “Crying” van Don McLean. Stel je voor dat je dat letterlijk zou vertalen. Op het einde vier, vijf keer “ik ben aan ’t huilen”! Ik denk dat ze een atoombom op me af zouden sturen.
– Maar de realiteit is nu eenmaal dat Vlaamse teksten onmiddellijk worden begrepen. Die Engelse smartlappen zullen misschien in Engelssprekende landen op evenveel kritiek worden onthaald…
W.T.:
Inderdaad. Daarom vind ik de sféér van een plaat zo belangrijk, niet alleen de tekst. Het geheel: stijl, tempo, de manier waarop het gebracht is, zo moet men een plaat beoordelen. Neem nu “Sil en de baby”: arrangementen van Harry Van Hoof, 25 muzikanten, de beste studio van Holland, maar dan zegt men “smartlap” en daarmee uit. Neen, wat teksten betreft, tien jaar geleden maakte ik mij daar zorgen over, maar nu weet ik wel dat ik goed zit als ik een tour de chant doe. De mensen reageren heel enthousiast, zij luisteren ook. En dat is toch de bedoeling, of niet soms?
EROTIEK
– Je eigenlijke bedoeling voor de jaren tachtig is inderdaad het tot een entertainer te brengen. Buitenlandse voorbeelden als Gilbert Bécaud, Charles Aznavour en Sammy Davis jr staan je daarbij voor de geest.
W.T.:
Ja, maar zoals ik in het begin al zei, ik wil geen imitatie worden van die of die. De situatie in Vlaanderen is zeer specifiek, je kan dat niet vergelijken met het buitenland. Als ik naar Rod Stewart ga kijken, dan weet ik ook dat het een droom blijft. Ik kan morgen niet zeggen dat ik op die manier ga werken. Je kunt eens een paar extra concerten doen – en dat ga ik dan ook doen – maar dat is dan al heel wat. Eén maand optreden over heel Vlaanderen en dan gedurende elf maanden schrijven, zou natuurlijk dé formule zijn, maar dat kan nu eenmaal niet.
– Vermits je Rod Stewart vernoemt, wil ik even op een ander aspect van het Bühnewerk inpikken, namelijk de erotische spankracht die vaak ontstaat tussen artiest en publiek. En in verband daarmee moet ik toch nog even teruggrijpen naar je teksten. Ik bedoel daarmee de discrepantie tussen jouw reële leeftijd en de leefwereld die je in je teksten oproept. Ik denk aan “Liefdeverdriet” bijvoorbeeld (*****). Heb je daar geen problemen mee?
W.T.:
Ik zeg altijd, ik ga veertig worden dit jaar, maar belangrijk is dat ik in mijn hemd kan zingen. Dat wil dus zeggen dat ik de vorm hou en dat ik vooral vermijd van morgen kapot te gaan aan diklijvigheid. Want als je voor een podium werkt, moet je zelf voelen hoe je ’t wil klaarspelen. Dat is één van mijn principes. Ik had zeker al vijf jaar in kostuum kunnen zingen en dan steekt het niet zo nauw, maar op het podium draag ik graag een hemd en spannende broeken omdat het past bij het soort muziek en bij het imago dat je zelf wil. En ik vind dat je dat imago zo lang mogelijk jong moet houden, want met muziek blijf je jong.
Ik zing voor alle soorten publiek, maar het doet me toch enorm veel plezier dat ik nog steeds een massa jongeren bereik bij mijn optredens. Daarom ook dat ik – zoals bijvoorbeeld in het geval van mijn nieuwste single “Vaarwel” – steeds de allernieuwste trends volg, want zo van die romantische platen die een vader van vijftig, zestig dan koopt voor zijn vrouw, zo van “asjeblieft, hier heb je ze”, neen dat zie ik nog niet zitten. Ik vergelijk mij nogal eens met Neil Diamond, zij het dan dat die ook zijn eigen teksten schrijft, maar de stijl van de man met de gitaar, dat is het voor mij, ook voor een jeugdig publiek. Het is wel geen rock’n’roll-stijl, maar daar gaat het niet om. Het komt er gewoon op aan het jong te houden. Op dat gebied was Claude François een voorbeeld voor mij. Hoe oud was die man eigenlijk niet? Maar de backing tracks van zijn opnamen waren up-to-date. En daarom zit ik goed bij Klüger want die voelt het ook zo.
FLAMINGANT?
– Je legt als componist natuurlijk steeds de nadruk op de muziek, maar breng je dan hoegenaamd geen thema’s aan? Een tekst als “Liefdeverdriet” bijvoorbeeld, hoe komt die tot stand? Of “Hello goodbye”, een merkwaardig gewaagde tekst voor Will Tura, als je ’t mij vraagt.
W.T. (lacht geheimzinnig):
Je moet weten, we zijn een kleine ploeg. Ik zal niet zeggen dat ik steeds de titels aanbreng, maar ik spreek graag over onderwerpen en de mensen die met mij werken, zoals Nelly Byl, weten dan onmiddellijk of ik er mij zal kunnen inleven. Vandaar dat ik op de recitals meer en meer insla bij het publiek. Dàt kan ik verkopen. Ik heb graag een goede story. En het mag zelfs een beetje verder gaan dan men van mij gewoon is.
– Een thema dat je volgens mij zelf hebt aangebracht is, laten we zeggen, dat van nogal flamingantische liederen. Ik denk aan “Vlaanderen mijn land” en zo.
W.T.:
Ja, dat is juist.
– Vanwaar dat idee?
W.T.:
Naast de “normale” Will Tura-elpee die ieder jaar verschijnt, zijn er ook elpees met een bepaald thema, bijvoorbeeld voor de kinderen, kerstmis, enz. Omdat ik reeds “Vlaanderen mijn land” had en “Omdat ik Vlaming ben”, dacht ik dat het niet slecht zou zijn om een elpee te maken met bestaande liedjes of om nog een paar liedjes rond dat thema te schrijven zoals “Hier stond mijn wieg”, waarvan ikzelf echt wég was. Daar hebben we dan nog een paar standards bijgenomen zoals “Lichtjes van de Schelde” en “Tijl Uilenspiegel”. Nu ben ik weer bezig met een ander project, waarover ik voorlopig nog niets kan zeggen (******).
– Maar zo’n elpee heeft dus geen uitgesproken politieke bedoelingen?
W.T.:
Weet je waarom ik eigenlijk “Omdat ik Vlaming ben” heb gemaakt? Dat is met een knipoogje naar Neil Diamond die, zoals alle Amerikanen trouwens, steeds met veel branie verkondigt: “I’m an American!”
– Dan is het ook niet zo’n verrassing meer, waarom je je dan wel hebt gedistancieerd van de actie voor meer Vlaamse muziek op de BRT. En je stond daarin niet alleen, al de mensen uit de Klüger-stal (Verminnen, Marva, Ann Christy) hebben dat gedaan.
W.T.:
Voor mij was dat nochtans een persoonlijke aangelegenheid. In ons beroep moet je er zelf maar in slagen, vind ik, om de menen ertoe te bewegen je product te draaien. Als je morgen de bak afgaat, moet je je niet gaan prostitueren. En Klüger kon zich dat met zijn stal permitteren, al er niet in comité afgesproken dat we niet zouden meedoen. Ik vond het gewoon belangelijk om zo’n soort van stoet te maken. Kijk, de rol van een d.j. is nu eenmaal belangrijk geworden. Die werkt ook voor zijn eigen succes. En ik vind het dan ook maar normaal dat hij platen kiest die bij zijn imago passen. Natuurlijk ben ik er wel voor dat er Vlaams gedraaid wordt. Want als de markt goed gaat, dan gaat het voor ons allemààl goed. Dan is het niet meer zoals nu dat er een tent wordt gezet voor één of twee avonden, maar zoals vroeger op de buiten: vijf avonden feest en vijf avonden een volle tent.
WERKGEVER
– En dat is voor jou als werkgever erg belangrijk?
W.T.:
Ja, ik heb zeven mensen die bij mij ingeschreven staan in vast dienstverband en daarom móét ik wel veel optredens hebben. Het is nu eenmaal spijtig dat er voor artiesten geen apart statuut bestaat. Als je rekent dat een artiest voorlopig het statuut heeft van een bediende, terwijl hij vaak ’s nachts moet werken, dan hoop ik dat daar vlug wat wordt aan gedaan. Op die manier moet een goedkopere regeling voor muzikanten aan te werven zeker mogelijk zijn. Kijk, ik heb vijf muzikanten, maar voor recitals zou ik er graag twaalf hebben. Met de huidige regeling gaat dat echter gewoonweg niet.
– Zou je een sociaal profiel kunnen tekenen van de Will Tura-fan?
W.T.:
Moeilijk, omdat het nogal uiteenlopend is. Veel kinderen, jeugd, jonggehuwden, oudere mensen. De massa eigenlijk. Van 7 tot 77. En uit alle soorten milieus. Natuurlijk varieert dat als ik op een bal optreed of in een Casino.
– De mensen, de fans, zien alleen de glitter van het beroep. Maar het artiest-zijn is fysiek én psychologisch een zwaar vak. Met psychologisch bedoel ik dan: je lijkt me een huiselijk man, maar je bent nooit thuis. Je wordt steeds omringd door mensen die in het gevlei trachten te komen. De boulevardpers ligt steeds op de loer naar schandaaltjes enz.
W.T.:
Ja, ik zou het haast kunnen situeren zoals ik tegen mijn kinderen zeg: “Voor de mensen ben ik Will Tura, maar voor jullie ben ik je papa”. Daarmee bedoel ik dat ik leef als Arthur Blanckaert, maar dat ik mij er erg van bewust ben dat ik als Will Tura moet leven voor mijn publiek. Ik leef vàn mijn publiek, maar ik leef ook vóór mijn publiek. Ik néém van hen, maar ik geef er ook veel voor terug. En dat in de eerste plaats omdat ik van mijn beroep hou.
Dat is iets dat ik uit mijn kindertijd heb meegekregen. Toen ik twaalf jaar was zei ik reeds – tot grote onrust van heel de familie – dat ik zanger zou worden. Enerzijds heb ik er dan ook alles voor over dat het zou lukken en dat het zou blijven duren, anderzijds scherm ik mijn kinderen wel af voor die wereld van Will Tura. Dus geen boekjes of per se naar televisie kijken enz. In zoverre zelfs dat ze mij soms komen vertellen: “Papa, ze zeggen op school dat jij Will Tura bent, is dat waar?”
Niet dat ik een dubbele rol speel, hoor, het is zoals Toon Hermans zegt: “Voor je publiek moet je vanuit de hemel op het podium stappen”. In mijn stijl althans. En dat is natuurlijk niet altijd gemakkelijk, want ik heb ook mijn privéleven. Maar the show must go on.
– Het eeuwige probleem van de clown.
W.T.:
Dat is het. En het spijtige is wel dat het publiek wat dat betreft het verschil niet wil zien tussen een plaat maken en optreden. Platen maken doe ik wel graag en het hoort bij je beroep, maar optreden voor de mensen zou ik nooit kunnen missen. Ik zal in de toekomst wel minder gaan optreden, maar ik zal nooit stoppen. Zolang mijn gezondheid het toelaat wil ik blijven zingen. En als ik het twintig jaar heb kunnen bolwerken zonder schandalen en problemen, dan is dat gewoon omdat ik het zelf zo heb gewild. Dàt is de opbouw van een carrière.
POST SCRIPTUM (1)
Ik heb al vaker vermeld dat de RV-redactie geregeld ter verantwoording werd geroepen door “de basis” en dat we dan ergens te velde onze artikels moesten gaan verdedigen. Zo kreeg ik in Aalst te horen dat het toch wel een schande was bijna vijf bladzijden aan Will Tura te besteden, terwijl de man had geweigerd om op te treden op het Feest van de Rode Vaan.
Ik moest toegeven dat ik hem dat ook had gevraagd, maar als antwoord had ik gekregen: “Dat kunnen jullie toch niet betalen” en ik was er dan ook niet verder op doorgegaan. Als je er echter rekening mee houdt, dat wij toch kleppers als Peter Koelewijn en Rob De Nijs (mét hun orkest) naar ons Feest hebben gehaald, dan kan je het antwoord inderdaad ook als “a polite refusal” interpreteren… (*******)
POST SCRIPTUM (2)
Blijkbaar had ik een paar jaar eerder (om precies te zijn in december 1977) reeds contact opgenomen met Will met het oog op een interview, zoals bijgaande brief bewijst, die ik totaal uit het oog was verloren, o.m. omdat ik de keerzijde had gebruikt voor andere doeleinden (hoe oneerbiedig van mij!). Dat de tekst echter zo goed als onleesbaar is, is dan weer niét mijn fout, Will (of op z’n minst zijn secretaresse) had zich eens een nieuw lint moeten aanschaffen! (Ja, beste lezertjes, er was een tijd dat brieven nog op een schrijfmachine met lint werden getikt en niet gewoon uit een printer rolden.)
POST SCRIPTUM (3)
Niet zo heel lang na het interview besprak ik de nieuwe single van Will Tura, “Zij gelooft in mij”, zeer positief. Dat mag niet zozeer uit de eigenlijke tekst blijken (“Als Denijs van Huys is, danst Tura. Volgens het aloude succesprocédé : een trage en een snelle kant. Professionele productie. Zwakke schakel blijven de karamelleverzen.”), dan wel uit het feit dat ik voor de gelegenheid tien singles die ik moest bespreken in een volgorde had gerangschikt. Het wou echter vooral een statement zijn t.o.v. “Leidse plein” van Raymond dat ik opzettelijk pas op de tiende plaats zette.

Referentie
Ronny De Schepper, Gesprek met Will Tura, the entertainer: “Ik leef vàn mijn publiek, maar ik leef ook vóór mijn publiek”, De Rode Vaan nr.31 van 1980.

(*) Dat vind ik overigens nog altijd. Vooral in de versie van Bart Peeters op die hogergenoemde Turalura-CD vind ik het erg knap. Ik heb ook een merkwaardige Tsjechische versie van Will zelf op een CD uitgegeven door Het Laatste Nieuws, waarbij de tekst is geschreven door mijn klassieke confrater en vriend, Mirek Czerny.
(**) Nochtans zou ook Raymond aan die Turalura-CD meewerken. Hij brengt daarop een hilarische versie van “‘k Was verliefd op een airhostess”.
(***) Will had op dat moment blijkbaar nog nooit van Rum gehoord, maar dan heeft hij blijkbaar toch een kort geheugen, want in 1974 werd zijn eigen elpee “Will Tura nr.11” in Humo’s Pop Poll onttroond door “RUM 3”, iets wat in die tijd toch enige ophef veroorzaakte. (Rum werd toen ook als populairste binnenlandse groep verkozen, boven Kandahar en Dream Express.)
(****) Dit komt ook aan bod in het interview dat ik rond die tijd van Jacques Raymond heb afgenomen. Ondertussen is dat (wellicht sedert de komst van VTM) niet meer het geval, denk ik.
(*****) Rond die tijd verscheen er een zacht geprijsde dubbelelpee met die naam, waarop – voor zover mijn kennis van de Turologie strekt – niks anders dan hits (24 om precies te zijn) op te vinden waren. Natuurlijk wil dat niet eens zeggen dat ze er allemààl op staan. Maar toch genoeg opdat de fans gedurende vijf kwartieren zoet zouden zijn. Ik zeg echter wel “de fans” want zelfs mijn kinderen (helemaal nog niet aan de punkleeftijd toe) vonden het na één elpee al welletjes. Ik ook trouwens, maar plicht gaat voor, of wat dacht je? Het is allemaal te weinig doorvoeld. Zit het in de tekst (het oude zeer)? De interpretatie? De muziek? Wie zal het zeggen, maar Tura rààkt niet, tenzij misschien oppervlakkige tienergrieten of huisvrouwen die al wenen als ze een ui pellen. En dat is vooral spijtig voor Tura zelf, die eigenlijk wel een brave jongen is, maar kom, zijn bankrekening zal hem voor dit gebrek wel ruimschoots troost schenken.
(******) Will Tura heeft het hier over “Liedjes die ik graag had gezongen”, waarover sprake in de inleiding. Hoewel Will zijn liefde voor Elvis Presley laat blijken door twee nummers van hem in het Nederlands te coveren (“Don’t be cruel” en “Love me tender”), toch komt hier vooral zijn persoonlijke voorkeur naar boven die uitgaat naar country and western (“Oh lonesome me”) over evergreens (“Autumn leaves”, “Unchained melody”) en sentimentele nummers, die naar gelang van de kwaliteit ofwel bij de vorige kategorie aanleunen (“Memories are made of this”) of bij het smartlappengenre (“Cindy oh Cindy). “Alhoewel hij voor de avant-première bij hem thuis duidelijk de beste nummers had geselecteerd (ska-versies van “Diana” en “Tom Dooley”), is deze elpee toch interessant genoeg om nieuwsgierig naar de vervolgen (60-65, 65-70) uit te kijken,” schreef ik in De Rode Vaan, een paar weken na het interview, maar bij mijn weten zijn die vervolgen er nooit gekomen…
(*******) Later zou Will Tura nauwelijks verbergen dat zijn politieke sympathieën in de liberale hoek liggen. Opmerkelijk was b.v. zijn optreden op de crematie van Willy De Clercq op 5 november 2011.

Een gedachte over “Will Tura wordt 75!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s