Morgen zal ook het alweer vijf jaar geleden zijn dat VRT-radio-journalist Jan Wauters is overleden.

Ik heb het vaak over die “top tien” van mensen die mijn leven een belangrijke wending gaven (ooit ga ik die top tien toch ook eens écht moeten samenstellen), welnu ook Jan Wauters behoorde daartoe. Toen ik nog mijn broek versleet op het college was hij reeds mijn inspirerende voorbeeld. Jan was immers van Puurs (later Bornem) en dus uit de buurt, zullen we maar zeggen. En ook al is hij bij mijn weten – in tegenstelling tot zijn gouwgenoot Leo Hellemans, die samen met mij de trein nam – niet naar het college in Sint-Niklaas gegaan (hij heeft in Boom school gelopen, meen ik ergens gelezen te hebben), toch was de combinatie “Latijn-Griekse Humaniora” met “Germaanse Filologie” volgens mij de zekerste weg naar een carrière als (sport)journalist. En als dat later juist is gebleken, is dit dus mede dankzij Jan Wauters.
Tussendoor, toen ik een paar jaar in het onderwijs stond, had ik ook al contact gehad met Jan Wauters. In het kader van luisteroefeningen had ik namelijk enkele teksten opgevraagd die hij had gemaakt voor “Wat is er van de sport?” en daaraan had hij met plezier aan meegewerkt (zie hiernaast).
Een vriend kon ik hem evenwel niet noemen. Toen ik na De Rode Vaan in het wilde weg begon te solliciteren, vroeg ik aan een aantal mensen die ik op een of andere manier bewonderde, of ik ze als referentie mocht vermelden. Jan Wauters was de enige die heeft geweigerd. Volgens mij berustte dat overigens op een misverstand. “Ik kèn je te weinig,” zei hij. “Enkel van dat (hierna volgende, RDS) interview en die recensie (idem) en dat is onvoldoende.”
Voor mij was dat gerust voldoende. Ik zag die referenties niet noodzakelijk als professionele wierookzwaaiers, maar als interessante mensen wier oordeel ik op prijs stelde en vandaar dat ik ook vond dat een eventuele toekomstige werkgever aan hen een oordeel mocht vragen, dat zelfs niet noodzakelijk positief moest zijn. Indien één van die mensen me zou afvallen, dan lag de fout bij mij, niet bij hen. Maar goed, zo wordt dat meestal niet opgevat, ik weet het.
01 herwig de weerdtToch zijn er later nog een aantal zeer interessante ontmoetingen geweest. Ik heb zelfs nog kortstondig voor hem gewerkt. Ik heb namelijk een paar keer verslaggeving gedaan vanuit het Kuipke. Maar ik was toen enorm nerveus, ik ben wel degelijk een schrijvende journalist, geen prater. Ik was dan ook niet teleurgesteld toen aan de samenwerking nogal snel een einde kwam omdat Jan graag had dat ik ook de thuismatchen van A.A.Gent zou verslaan, iets wat ik niet kon, maar eigenlijk ook niet wilde doen.
Wel was Jan net als ik één van de weinigen die zijn liefde voor sport combineerde met een liefde voor klassieke muziek en af en toe liep ik hem dan ook tegen het lijf op een concert. Zo herinner ik mij een ontmoeting in de Antwerpse Singel, kort nadat ik in Het Nieuwsblad een lezersbrief had geschreven omdat ik het zo stupied vond dat men destijds op BRT 1 Radio 1 uitzond als er geen televisieuitzendingen waren (ja, dat kwam toen nog voor, ongelooflijk hoe snel de tijden veranderen) en op BRT 2 Radio 2. De duiding van Radio 1 hoorde namelijk veel meer thuis op BRT 2 en vooral tijdens de Ronde van Frankrijk was die opdeling stupied, want in afwachting van de Touruitzending konden de kijkers dus niet naar de commentaren (o.a. van Jan Wauters) op Radio 1 luisteren. Jan sprak me daarover aan. Hij vond dat een zeer terechte opmerking. Ik weet nog dat hij me in de gangen van De Singel moest kalmeren toen we daarover praatten: “Je moet je zo niet opwinden,” zei hij, maar dat doe ik nu eenmaal altijd als ik vind dat ik het juist voor heb en dat niemand (allé, of toch bijna niemand) dat wil inzien.
In 1996 was er dan nog een column van Jan (ik vind ze nu helaas niet meer terug), die ik zo mooi vond, dat ik meende te moeten reageren met een persoonlijke brief aan zijn adres. Wist ik veel dat het huis op dat adres was afgebrand en dat Jan nu ergens anders woonde (ik meen dat het toen was dat hij van Puurs naar Bornem is verhuisd) en pas na veel omzwervingen heeft mijn brief hem bereikt. Toch heeft hij mij daar nog uitvoerig op geantwoord. Zowel mijn eigen brief als die van hem is echter zo privé dat ik hem nu nog altijd niet kan afdrukken. Maar ooit doe ik dat nog wel. In afwachting volgt hier dan het fameuze interview met Jan voor De Rode Vaan…
“Het mysterie Maertens”
Trouwe lezers weten het ondertussen wel: in De Rode Vaan hadden we twee soorten van interviews. De échte interviews, op “verplaatsing” afgenomen en lang uitgesponnen over tenminste twee, maar vaak ook drie of zelfs vier pagina’s. Daarnaast was er de rubriek “aan het lijntje”: een kort telefonisch interviewtje, meestal dicht op de actualiteit, amper twee of maximum drie kolommen lang. Maar wat doe je als je een spraakwaterval als radiojournalist Jan Wauters aan de lijn hebt? Die is met één bladzijde niet te stuiten. Meer nog: op een bepaald moment was hij werkelijk gepassioneerd in zijn betoog. “’t Is toch voor De Rode Vaan, hé?” vroeg hij herhaaldelijk, omdat hij vond dat de wielersport vaak ten onrechte door de linkse pers als gemakkelijk mikpunt wordt gebruikt. “Het is de sport van de kleine man,” argumenteert Jan verder, “de linkse jongens zouden de wielrenners juist in bescherming moeten nemen.” Tegen wie kon hij het beter zeggen? Het werd een spetterend vuurwerk van woorden dat wij niet wilden blussen door het tot één pagina te snoeien. Ik heb ervan genoten, u ongetwijfeld ook.
Zoals gezegd was de rubriek “aan het lijntje” toegespitst op de actualiteit. In het geval van Jan Wauters was dit het wereldkampioenschap op de weg op 5 september 1982 in het Engelse Goodwood. Het spreekt vanzelf dat het nu nog weinig zin heeft de discussie over de selectie van destijds te herhalen. Toch wil ik één uitzondering maken. Goodwood is het WK waar Freddy Maertens zijn titel moest verdedigen. Een titel die hij tijdens het voorbije seizoen helemaal geen glans had gegeven, integendeel. Ik wilde natuurlijk weten wat Jan Wauters daar allemaal van vond.
J.W.: Ja, dat is voor mij net als voor alle andere insiders en outsiders één groot raadsel. Het mysterie Maertens. Zowel z’n hele come-back vorig jaar als z’n terugval nu opnieuw voor de zoveelste keer. Welke krachten daar meespelen, of welk gebrek aan krachten, niemand kan dat zeggen. Als hijzelf niet bereid is om daar enige verduidelijking over te geven, om daar eens eerlijk over te praten en zo… Wie heeft hem teruggebracht? Wat heeft hem teruggebracht? Vorig jaar, dat was toch onmiskenbaar… Hoewel uiterlijk nog altijd niet topfit zoals andere renners, won hij in de Ronde van Frankrijk van vorig jaar toch onmiddellijk de eerste rit met zelfs nog een zekere zwaarlijvigheid en alles. Dat verminderde en hij begon meer en meer ritten te winnen, zelfs onbetwist en dat terwijl hij voordien, en nog tijdens de Ronde ook, tientallen keren tegen de grond ging, riskant reed, onbegrijpelijk voor z’n collega’s.
Z’n hele gedrag was ook voor het publiek een beetje vreemd. Die figuur Maertens die blijkbaar niet meer in staat was om met andere mensen nog normaal om te gaan, om z’n houding een beetje te corrigeren. Enfin, je had dat geslis met z’n tong en wat weet ik nog allemaal. De mensen hadden er een raar beeld van. Er zijn vreemde vergelijkingen gemaakt en ook toen nog onprettige zaken over hem verteld. En inderdaad, je zat daar zelf ook mee: wat is er nu aan de hand? Wat voor een soort mens en type wielrenner is dat nu die Freddy Maertens? En dan won hij toch ook nog dat wereldkampioenschap met een magnifieke sprint, nadat hij trouwens heel de dag – dat heb ik in Praag zelf gezien – vooraan had gereden, werkelijk vanaf de eerste ronde attent, niet echt aanvallend, niet echt trekkend, maar zeer attent, wat dus 100% concentratie vraagt gedurende 280 km. Dat kon-ie allemaal opbrengen blijkbaar. Hij wint daar. Hij gedraagt zich daar netter, correcter dan ergens anders, hoewel hij niet op de persconferentie is verschenen en van dan af gaat het weer compleet mis.
Dan krijgen we verhalen – nog eens, die komen niet uit mijn mond, maar ik zeg de anderen dan maar na – van hij drinkt, hij verzorgt zich niet, hij komt niet meer op de rendez-vous die hij gemaakt heeft en vooral, wat ik zeg en gezien heb: hij kan niet meer mee, hij kan niet meer volgen. Dat is dus één compleet raadsel voor mij, tenzij je moet teruggaan naar wat twee, drie jaar voor zijn “herrijzenis” gezegd werd: de man is opgebrand, de man is leeg, de man heeft zich op welke manier dan ook geforceerd om ooit nog terug te komen na die val destijds, enzovoort. Maar hoewel ik een beroepswielerjournalist ben, blijf ik toch een buitenstaander, want niemand heeft ooit echt toegang gekregen tot dat cenakel. En vraag je nu Driessens, vraag je anderen, ze hebben allemaal een vaag verhaal met wegwerpgebaren van “wat is er aan de hand? Dat weet je toch allemaal zelf!” En eigenlijk weet niemand het exact.
“Sociaal relevant”
Op het moment van het telefoongesprek was het nog niet zeker of Jan zélf naar Goodwood zou gaan. Hij had dat jaar voor het eerst ook de Tour overgeslagen, weliswaar mede omwille van de Mundial, maar men kon er toch niet onderuit dat er een “godendeemstering van de Belgische wielersport” aan het plaatsvinden was en dat dit ook een rol speelde…
J.W.: Ik had inderdaad de intuïtie dat die Ronde van Frankrijk een uitgemaakte zaak was van tevoren. Niet zozeer dat de Belgen niet zouden presteren, al had ik meer verwacht van Fons De Wolf, meer van Eddy Planckaert, zelfs van Claude Criquielion. Ik had dus niet gedacht dat het zó negatief zou worden. Bovendien ben ik niet alleen maar een Belgisch sportjournalist. Ik vind niet dat je er alleen maar moet gaan om de successen van de eigen landgenoten te bejubelen. Maar ik had wel het gevoel dat Bernard Hinault daar onaantastbaar zou hebben gestaan en ik moet toegeven, alhoewel ik geen Belgicist ben of iemand die chauvinistisch achter z’n eigen landgenoten gaat staan, ik vind het wel voor de bereikbaarheid van het publiek, voor het aanslaan, opdat het lééft, dat je, vooral bij de radio, via de eigen mensen moet kunnen gaan. Het is toch maar via het presteren van de Belgische renners op de eerste plaats dat de mensen belangstelling hebben en dan kun je ook je ideeën, je beschouwingen, je manier van praten, kwijt aan de mensen.
En dan wil ik daarmee afronden door te zeggen dat in de loop van die vijftien jaar dat ik ermee bezig ben het voor mij altijd de attractie is geweest om toch dat wielrennen te doen omdat ik weet dat dit – en dan ga ik misschien een groot woord gebruiken – “sociaal relevant” is. Dat slaat aan. De wielersport kent nu een neergang misschien, maar ze is verbonden met de Vlaamse mensen, met het Vlaamse volk bijna. En als die maatschappelijke contekst er is, kun je ook je ideeën, je inzichten, je manier van beschouwen beter kwijt en krijg je meer effect dan wanneer je vijftien jaar lang volley-ball-verslaggever zou zijn of zo. Dàt is de reden waarom ik er altijd al heb willen bij zijn, ook omdat ik van huis uit, uit het volkse milieu komende, mij altijd in dat wielrennen heb thuisgevoeld ondanks alle troubles en problemen die er, ook journalistiek, voor mij zijn geweest.
“Het is een cultuur die wat afgestorven is”
– Wat mij in je betoog is opgevallen dat is dat je de teleurgang van het wielrennen “tijdelijk” hebt genoemd, omdat als ik de WK-selectie verder bekijk, ik vaststel dat de piste-selectie een aanfluiting is bijna. Dat, samenhangend met wat we over de Ronde van Frankrijk hebben gezegd, de belangstelling voor de criteriums fameus terugloopt. Maar vooral, een erg “Vlaams” verschijnsel, dat de zogenaamde kermiswedstrijden toch wel op een zeer groot dieptepunt zitten. Ik denk aan het feit dat er bijna geen deelnemers meer zijn, dertien, veertien man soms (*), dat er hoegenaamd geen struijdlust meer is, dat het zelfs is voorgevallen dat een heel peloton uit koers is genomen, dat er ordinaire vechtpartijen plaatsgrijpen tussen de “clan” Johnny De Nul en de “clan” Jan Bogaert, enzovoort. En dat alles in het jaar dat de Belgische Wielerbond z’n Eeuwfeest viert.
J.W.:
Ja kijk, dat de wielersport vele ordinaire kanten heeft, ruzies, gevechten tussen supporterclans, dat heeft altijd bestaan. Ik zit er bij wijze van spreken al dertig jaar in, van huis uit. Dat de kermiskoersen al vijftien jaar, misschien al langer, een slechte naam hebben en tot allerlei… mmm ja wansmakelijke praktijken hebben aanleiding gegeven, dat is volgens mij niet nieuw, hoor. Het gokken langs de weg, het verkopen van de koersen, veel meer dan nu ook nog de dopinggebruiken, dat zijn dingen die tien, vijftien jaar geleden reeds de kanker waren van de kermiskoersen. Nu zijn er andere kankers misschien, da’s waar, en dat is ook niet fatsoenlijk en zeker te bestrijden, maar ik weet niet… Ik heb de indruk dat het een nieuwe generatie is die daar nu over valt, terwijl ik daar vijftien jaar geleden reeds over viel en daarover mijn stukken maakte. Ik weet niet of het nu erger is dan toen, zij het dat het andere aspecten waren.
De baankampioenschappen dan. Dat die in verval zouden zijn? Luister, ik heb – hoeveel jaar geleden? tien jaar? twaalf jaar? – aan Piet Theys nog voorgesteld de baanwereldkampioenschappen te laten vallen, want dat is een farce eigenlijk, dat is kunstmatig, dat zijn de Oost-Europese landen aan de ene kant die daar hun eigen prestige komen verdedigen en bij ons is het een kunstmatig in leven gehouden discipline. Wij hebben namelijk nauwelijks nog wielerbanen. Het is een cultuur die wat afgestorven is. Hoewel ik het prachtig fietsen op zichzelf vind als het goed wordt uitgevoerd. Snelheid, omnium, achtervolgen, wat weet ik allemaal, puntenkoers, die variatie die daar inzit… Maar dat is dan allemaal afgestorven mede omdat dat beperkte milieu, zo’n wielerbaan, de organisatie, alles wat daar achter zit, gemakkelijk aanleiding kon geven tot combines, van tevoren geregelde wedstrijden. Daar verglijdt de sport heel gemakkelijk naar show. En in het begin wordt die show nog goed gespeeld, maar daarna wordt-ie slecht opgevoerd en dat is inderdaad zichzelf eigenlijk om zeep helpen.
En dan komen er nog andere factoren bij natuurlijk, zoals de sponsors die in de wegwielerkoersen kwamen, het vele geld dat daardoor te verdienen was via televisie-uitzendingen, reclame en wat weet ik allemaal. Het commerciële aspectdat erachter zit is naar de klassiekers gegaan, naar de Ronden. Het podium in de Ronde van Frankrijk – ik weet het, het is een oercliché ondertussen – is een compleet circus. Maar daarin wordt wel sport bedreven! Wie niet kan volgen, wie niet die kampioensklasse heeft, die komt in de eerste tien niet voor. En dat is wat mij toch wel duidelijk nog altijd bij die wielersport houdt: bij alle voosheid die erom heen zit en bij alle gemakkelijke kritiek, en terechte kritiek ook vaak, is daar essentieel iets van kunnen, van concentratie, zowel van het lichaam als van de geest, nodig om te kunnen presteren.
En ik vind het nog altijd een uitdaging, willen presteren. Dat hoeft voor mij niet, er zijn hele levens mogelijk binnen en buiten de sport, maar als je voor die sport kiest, dan moet je presteren. En in dat presteren zijn veel geestelijke en andere eigenschappen nodig die wielrenners zeker moeten hebben of ze falen. Als De Wolf geen superkampioen is, dan is dat omdat hij zich geestelijk niet genoeg kan concentreren, zich niet helemaal op topniveau kan houden gedurende een seizoen, gedurende véle seizoenen. En dan zie ik dat zo’n man met vele begaafdheden terugvalt tot op een niveau dat hem eigenlijk onwaardig is. (**)
“Het wielrennen is de sociaal meest onbeschermde sport in ons land”
– Héél de Belgische beroepswielersport is teruggevallen op een niveau dat haar eigenlijk onwaardig is. Maar u noemt dat een tijdelijk verschijnsel?
J.W.:
Je mag me niet vastpinnen op één woord! Het kan zijn hoor, dat er een verschuiving is naar een nulpunt, ik ben ook geen profeet, maar ik ga in mijn vrije tijd wel eens naar jongerenkoersen kijken (***) en ik zie enorm veel belangstelling. Er was in Bazel, waarover je daarnet sprak (de dertien deelnemers, RDS) ’s anderendaags een nieuwelingenkoers. Ik ben daar geweest. Wel, er was meer volk voor de nieuwelingen dan voor de beroepsrenners. En ik ervaar dat veel in mijn streek (Klein-Brabant, RDS): daar is veel volk, daar voelen de mensen zich aangetrokken. Maar nog eens, ik ben geen profeet, het kan zijn dat dit niet standhoudt en dat inderdaad het koersen zichzelf heeft vernietigd.
Het is ook omdat het koersen… kijk en dat vind ik… ’t is voor De Rode Vaan, hé? Wel, het wielrennen dat is misschien de meest onbeschermde sport, de volkssport bij uitstek, het is de sport eigenlijk van de massa, van de kleine man en heeft de minste structuren. Neem nu de voetbalbond, die is zoveel beter georganiseerd, met zoveel meer advocaterij, met zoveel meer ondoorzichtige comités, wat weet ik allemaal… Dat heeft de wielerbond en het wielerleven bij ons nooit gehad en is daardoor steeds veel kwetsbaarder geweest. Als jonge journalist heb ik ook het eerst kunnen toeslaan op het wielrennen, omdat ik daar de misstanden zo voor mij zag liggen en mij niemand ervan afhield, tenzij een Van Buggenhout of zo.
Maar ik heb dat nooit gekund, ik heb daartoe nooit de kans gekregen wat het voetballen betreft. Daar gebeurde alles veel meer in het duister. Combines in het voetbal? Eventuele doping? Dat was allemaal veel beter afgedekt, omdat men daar beter georganiseerd is en op andere lagen van de bevolking een beroep kan doen om dat juridisch enz. van zich af te houden. En daarom vind ik het zo jammer dat ook in linkse media zodanig op die wielersport wordt ingehakt. Ik heb dat ook gedaan, persoonlijk, omdat het mij de ogen uitstak. En je moet inderdaad voor niets willen zwijgen, je moet het durven zeggen. Maar het wielrennen is – en dat wil ik toch nog even zeggen – de sociaal meest onbeschermde sport in ons land. En precies die sport heeft voor het eerst zelf en als enige grote bond opgelegd om dopingcontroles te gaan uitvoeren. Dat is eigenlijk bijna formidabel te noemen. Hoewel het zeer pijnlijk is geweest met verschrikkelijke nefaste gevolgen en zo.
Het is een onbeschermd milieu met in het bestuur en de organisatie mensen met weinig opleiding, met veel minder juridische en andere truuks. Ja, de natuurlijke truuks uit de jungle zoals een coureur een andere in de wind zet of aan de trui trekt, dàt soort spel, het kapoenachtige… Kijk, wielrennen is een schelmensport, maar in de sympathieke zin voor mij. In die andere sport is er veel meer trut, ook meer achterbaksheid. Er is nog altijd geen dopingcontrole in de voetbalbond, hoor! (****) En dan zeg ik: godverdorie, die volksjongens allemaal, die zichzelf op straat hebben gegooid, die inderdaad wat ruw en rabauwig zijn, die ook geen leiders hebben van niveau, zij zijn toch altijd de slachtoffers. Terwijl ik afkeur wat Pollentier doet, heb ik er eigenlijk in mijn binnenste nog een beetje beschaamd begrip voor.
Een zweempje zweetgeur van Jan Wauters (*****)
“Eigenlijk heb ik het Nederlnds ontdekt zoals een jonge knaap het neuken ontdekt.” Aan het woord is BRT-sportreporter Jan Wauters in zijn laatste sportcolumn voor het Nieuwe Wereldtijdschrift die nog werd opgenomen in de verzamelbundel “De zweetgeur van de sport” (Uitgeverij H, 130 blz.).
Het is overigens de minst goede column, wellicht omdat ze maar heel zijdelings, eigenlijk zelfs helemaal niet, met sport te maken heeft. Wauters bezingt erin wel zijn liefde voor het Nederlands en hoe wij, Vlamingen, onze eigen taal moeten ontdekken en ontwikkelen, zoals men ook zijn erotiek moet exploreren om ten volle van het mens zijn te proeven. De natuur heeft ons wel het recht-toe-recht-aan neuken geleerd, maar daarin verschillen we hoegenaamd niet van de dieren. In de Beschränkung mg zich dan nog der Meister zeigen, in de erotische verfijning toont zich de cultuurmens.
Zo ook met de taal. Helaas ontstijgt de Vlaming – en tot voor kort dan nog het liefst de in sport geïnteresseerde Vlaming – zelden de cultuurbarbarij. Wauters verhult dit niet, maar kijkt er ook niet op neer (tenzij de barbaren zichzelf een hoge hoed opzetten en met hun onmondigheid gaan pronken: “Ik ben Vlaming en daar ben ik fier op” – daarvan heeft Jan geen hoge pet op). Hij is niet te beroerd zich onder “Het Volk” te begeven, de zweetgeur ervan op te snuiven, ja zelfs ongegeneerd de renners-“kleedkamer” binnen te vallen, ook al worden heren (ongetwijfeld “van stand”) naar een andere plaats doorverwezen, zoals uit de coverfoto van Herman Selleslags blijkt.
Zo zweeft Wauters senior als de eerste de beste vader-supporter wel een halve meter boven de grond als junior weer een wedstrijd heeft gewonnen, maar tegelijk is hij de eerste om de verliezer te troosten…
In een briljant stuk hekelt hij de mediageilheid van politici die niet de minste schroom kennen om als sportieve onbenullen toch tegen één of andere vedette op een foto aan te schurken of zelfs een balletje te trappen, maar misgunt hij waarachtige sportliefhebbers als Vanden Boeynants of Mathot hun pretje niet. In striemende bewoordingen rekent hij af met het chiqué-gedoe van het ECC-tornooi, maar evenmin valt hij voor pseudo-volkse happenings zoals strandcrossen. “Ik had me tien jaar geleden volstrekt niet kunnen voorstellen dat zo’n circusgebeuren voor echte sport zou doorgaan,” besluit hij zwartgallig (p.50).
Overigens, over sport en erotiek gesproken, dit lijkt wel hét thema van de jongste jaren. Tim Krabbé heeft er reeds prachtige stukken aan gewijd, maar ene Martin Ros heeft nadien de klok weer jaren teruggedraaid door in een egotripperig boekje dat hij de titel “Heldenlevens” heeft meegegeven, over dit onderwerp een hoop klinkklare nonsens bij elkaar te schrijven, gebaseerd op onvoldoende gecheckte feiten en vooral totaal uit de lucht gegrepen verhalen. En toch is dit boek een bestseller (laten we hopen: alleen in Nederland, waar ze wel goede renners hebben, maar slechte wielerreporters – net het omgekeerde als bij ons, als we even abstractie maken van Marc Stassijns, die overigens wél goed kan fietsen) ondanks het feit dat zelfs de namen van de renners vaak verkeerd worden gespeld. Dit gezegd zijnde, en vooral eraan toevoegend dat Jan Wauters dit onderwerp slechts sporadisch maar dan wel to the point aanraakt (wel jammer dat zijn liefdesverklaringen aan het adres van Eric Heiden hier niet opgenomen zijn), moet het ons wel even van het hart dat we ons niet zozeer hebben gestoord aan een aantal toch wel hinderlijke zetfouten (wie zal immers zeggen hoe deze tekst uiteindelijk zal verschijnen?), maar hoe Jan de DDR-renner Olaf Ludwig tot tweemaal toe tot Ludwig Olav omdoopt, gaat ons rennerspetje te boven.
Is het dan allemaal wierook en tranen (van ontroering)? Helaas nee. NWT-hoofdredacteur Herman De Coninck mag dan in de inleiding nog stellen dat de bijdragen ongewijzigd en in chronologische volgorde werden opgenomen, zodat men inderdaad Jans beschouwingen over Scifo of over het uurrecord van Moser ziet evolueren, zodat ook “historische vergissingen” gehandhaafd blijven (zijn over-appreciatie van Alexi Grewal of de voorspellingen over uurrecordpogingen zoals die van Jean-Luc Vandenbroucke), door het feit dat de stukken niet gedateerd zijn, zullen ze juist rapper gedateerd zijn, maar dan in de andere betekenis van het woord. Kunnen we nu immers nog gissen dat de stukjes over “objectiverende journalistiek” onrechtstreeks ook te maken hebben met “het geval Buyle” of dat als hij het over Fignon heeft, het de Fignon van vóór zijn operatie betreft enz., dan zal dit over tien jaar zeker niet meer het geval zijn. En nochtans zal dit boekje over tien jaar voor de rest nog altijd lezenswaardig zijn. Maar “eeuwigheidswaarde” wordt soms eerder verkregen door de kontekst van het ontstaan beter te duiden (b.v. met voetnoten, hoe lullig dat nù misschien nog mag overkmen), dan door de feiten ergens in het luchtledige te laten zweven.
Laten we hopen dat in een latere heruitgave (die er fatsoenlijksheidshalve zal moeten komen) dit euvel wordt verholpen, want voor de rest kom ik adjectieven, maar vooral plaats te kort om de lof van Jans “zweetgeur” te zingen. Het vergde zelfs drastisch slagerswerk om uiteindelijk maar één citaat over te houden om mee te besluiten. We houden het op dit, ook al omdat we het thema zelf een paar keer hebben aangesneden in vorige R.V.’s. Bij Jan is het uitgangspunt dat Vlamingen niet kunnen organiseren: “Wat wij organiseren noemen is bijeenkomen: massabijeenkomsten, de IJzerbedevaart, het Vlaams-Nationaal Zangfeest, procesies, stoeten, veel volk. Dat is geen organiseren, maar optrommelen, drie, vier speeches, vendelzwaaien, in de hogere sferen van het eigen gelijk komen. Veel volk: dat is het belangrijkste. Veel. Een intellectueel moet veel talen spreken. Men is zo dikwijls man als men talen kan. Veel. Veel eten. Veel geld verdienen. Vroeger: veel kinderen hebben. Alleen van vrouwen mag je er maar één hebben. De rest is allemaal: veel… Het primitivisme van de kwantiteit.” (p.70)
Epiloog
Op 23/3/2010 stond er in Humo nog een interview met Jan Wauters, die op dat ogenblik in Zuid-Afrika woonde, en het ging dan ook grotendeels over het aanstaande wereldkampioenschap voetbal aldaar, dat hij dus uiteindelijk nooit zou kunnen bijwonen. Ik heb het dan ook niet in zijn geheel gelezen, zoals gewoonlijk was ik enkel geïnteresseerd in de passages die over wielrennen gingen. Jan Wauters was mijn richtinggevend voorbeeld toen ik een tiener was en afgaande op de verstandige zaken die hij alweer vertelt, kan ik gerust stellen dat hij dat tot bij zijn dood gebleven is. Ziehier wat hij b.v. te vertellen had over de “zaak” Armstrong-Contador: “Ongelooflijk dat hij (Lance Armstrong, RDS) derde is geworden. En zoals hij tot op het podium zijn misprijzen uitstraalde voor de winnaar, Contador, een ploegmaat nota bene… Dat die brave jongen de hele Ronde heeft standgehouden, tegen de druk van Amstrong in, vind ik nog merkwaardiger. Ik ben niet van een zekere innerlijke kracht gespeend, maar ik zou het begeven hebben onder die afstraffende supervisie. Ik moet zeggen: ik sympathiseer met Contador, een jongen uit de voorsteden van Madrid, maar duidelijk met een boerengezicht. Meer Sancho Panza dan Don Quichot.”

Referenties
Ronny De Schepper, De godendeemstering van de Belgische wielersport? De Rode Vaan nr.35 van 1982
Ronny De Schepper, Een zweempje zweetgeur van Jan Wauters, De Rode Vaan nr.44 van 1987

(*) Ondertussen, 25 jaar later, is dit “opgelost” door de kermiswedstrijden ook te laten betwisten door “eliterenners zonder contract”, zodat ze nu juist met véél te véél aan de start staan (soms meer dan 200 deelnemers), maar de malaise is uiteraard nog steeds dezelfde. Idem dito voor de criteria en vorig jaar zou ik ook nog kunnen zeggen voor de piste, maar sedert dit jaar zijn er gelukkig een aantal jongeren (Keisse, Cornu, De Ketele enz.) die misschien voor een kentering zouden kunnen zorgen.
(**) Fons De Wolf is anno 2007 begrafenisondernemer in Temse.
(***) Zoon Benno was ooit een beloftevolle jongere. Zo’n beetje de gelijke van Edwig Van Hooydonck. Maar hij is nooit prof willen worden.
(****) 25 jaar later nóg altijd niet!
(*****) Ronny De Schepper, Een zweempje zweetgeur van Jan Wauters, De Rode Vaan nr.44 van 1987. Mijn dank gaat uit naar mijn collega Jan Mestdagh, die de poëtische titel verzond (in het praatprogramma “Tour 2007” vertelde Jan nog dat de wielerverslaggeving hem minder begon te interesseren van zodra hij niet meer op de moto mocht zitten om de “zweetgeur” van de renners op te snuiven).

Een gedachte over “Jan Wauters (1939-2010)

  1. Indertijd (De Rode Vaan nr.38 van 1982) kwam daarop de volgende lezersbrief toe op de redactie:
    “Graag wil ik voor volgend jaar mijn abonnement op de rode vaan ineens betalen in plaats van telkens voor drie maanden. Dat is veel makkelijker. Tevens wil ik erbij vermelden dat we echt genoten hebben van het gesprek met Jan Wauters. Zo’n stukjes willen we nog graag zien in de rode vaan (alhoewel niet iedereen zo vlot en boeiend praat als Jan Wauters).
    Op politiek vlak zou u nu toch eens uw beste beentje moeten voorzetten om ter gelegenheid van 10 oktober de mensen hun ogen eens openen. De mensen zouden het nu toch eens links moeten proberen, want zoveel jaren stemmen voor rechts heeft nog niet veel goeds opgeleverd. Integendeel, het verslechtert nog. Ik ben wel geen politieker maar mijn stem hebt u zeker…
    B.J., Temse”
    B.J.? Dat klinkt bekend zullen insiders zeggen en, jawel, dat is uiteraard Bertha Jansegers ofwel mijn eigenste moeder. Zo is het makkelijk! zal men uitroepen, maar ik zweer u dat ikzelf totaal verrast was door deze lezersbrief…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s