Twintig jaar geleden: de Johannespassie van Telemann door Patrick Peire

telemann-juan portadaVandaag is het twintig jaar geleden dat op een persconferentie de Johannespassie van Telemann door het Collegium Instrumentale Brugense, geleid door Patrick Peire, werd voorgesteld.

In 1745 schreef Georg Philipp Telemann (1681-1767) in Hamburg zijn “Music vom Leiden und Sterben des Welterlösers” die precies 250 jaar later door Patrick Peire op CD werd gezet als zijn Johannespassie. Alhoewel in de titel de naam van Johannes immers niet voorkomt, is het duidelijk dat de tekst van de Evangelist teruggaat op het Evangelie volgens Johannes. De dubbel-CD wordt uitgegeven in de archief-reeks van Davidsfonds-Eufoda, die overigens ook door Peire werd ingezet, met name met de CD “Kapelmeesters in Brussel”. Oorspronkelijk gestart met uitgaven van Vlaamse componisten die in de archieven waren blijven liggen, schakelt men nu ook over op manuscripten van buitenlandse componisten die in België worden bewaard.
Het is inderdaad in het archief van het Brussels conservatorium dat Patrick Peire tijdens zijn studietijd deze passie (en nog veel ander werk van Telemann) heeft teruggevonden. Dat er overigens nog werk van Telemann kan worden “ontdekt” is niet zo verbazingwekkend als het op het eerste gezicht mag lijken. Ten eerste was Telemann een veelschrijver. Door een lang en gezond leven slaagde hij erin meer werken te componeren dan Bach en Händel samen en dat zijn nu toch ook geen componisten die hebben stilgezeten. Tussen zijn aanstelling als cantor van de Johanneskirche in 1721 en zijn dood in 1767 componeerde hij alleen al 46 passies, waarvan zowat de helft bewaard bleef! (In diezelfde periode was hij ook nog muziekdirecteur van de vijf hoofdkerken in de stad en van de opera.)
De hernieuwde interesse voor Telemann valt samen met het ontstaan van de zogenaamde “historische uitvoeringspraktijk”, dat betekent dus pas in de jaren vijftig en vooral de jaren zestig. Op die manier kwamen bijgevolg eerst zijn kamermuziek en orkestwerken aan bod en pas nu schakelt men stilaan over op zijn vocale muziek. Zelfs Peire had deze passie al tijdens zijn studietijd gecopieerd in functie van zijn fluitstudie. Ze bleef echter lange tijd in zijn lade liggen, omdat de transcriptie toch wel een werk van lange adem is en men dus beter een vooropgezet doel heeft om daaraan te beginnen. Toen hem naar aanleiding van de 300ste verjaardag van Telemanns geboorte in 1981 door het FVV-Brugge de kans werd geboden om een passie van Telemann uit te voeren, greep Peire naar de zogenaamde Brockes-Passion (1716), dus geen oratoriumpassie op tekst van een evangelie, maar een bewerking door de dichter Brockes, een zgn.”passieoratorium”.
Toen het Davidsfonds hem dan enkele jaren later om een opname vroeg, dacht Peire eerst deze passie op de digitale plaat vast te leggen, maar omdat er reeds een Hongaarse opname bestond, omdat de duur een triple-CD zou vergen en vooral omdat de tekst van Brockes hem toch niet echt bevredigde, is het dan uiteindelijk deze Johannespassie geworden, die nog niet werd uitgegeven, laat staan opgenomen. Op die manier is de uitgave van Eufoda een wereldprimeur geworden en als dusdanig reeds de nodige aandacht waard.
Als de muziek echter benedenmaats zou zijn, dan zou het natuurlijk toch ook weer niet dàt zijn, maar integendeel, deze passie kan misschien een vaste stek op het gebruikelijke passie-repertoire in de Paastijd veroveren omdat ze, in tegenstelling tot de gebruikelijke Bach-composities, veel lichter is. Dat heeft verschillende redenen. Telemann leefde en werkte in de handelsstad Hamburg (een Hanze-stad) en de merkantiele geest is zeker ook in hem gevaren. Puur ideologisch zou men b.v. kunnen zeggen dat de opvattingen van de Aufklärung (de Verlichting) hier reeds zijn doorgedrongen, wat zijn religieuze weerslag vindt in het piëtisme waardoor het lijden van Christus eerder als de verlossing van de mensheid wordt beschouwd, zodat b.v. het koraal na de kruisdood iets triomfantelijks meekrijgt (waarvoor Telemann overigens werd berispt door meer conservatieve tijdgenoten).
Men kan het echter ook in een meer materialistische zin zien: Telemann schreef als operacomponist (vandaar ook dat hij gebruik maakt van een librettist, in dit geval pastor Joachim Zimmermann, 1710-1767, die voor de fameuze passage in de Hof van Olijven overigens zelf een monoloog in de mond van Christus legt, min of meer in de zin van “I only want to say” van Tim Rice bij Andrew Lloyd-Webber) duidelijk met een publiek voor ogen waarbij hij succes wilde oogsten. Dat blijkt b.v. ook uit het feit dat hij van deze passie ook een versie heeft uitgegeven voor zang, enkel begeleid door klavier. Dat was namelijk handig voor huiselijk gebruik. Bovendien was het in Hamburg gebruikelijk dat de koorpassages door de gelovigen werden meegezongen, maar in dit geval zijn ze echter zo hoog, dat Peire er terecht aan twijfelt of dit hier wel zo was.
Dat Telemanns passies “progressiever” zijn dan die van Bach (hij vermeed het contrapunt, omdat een melodie in zijn ogen op de eerste plaats “zingbaar” moest zijn, en hij schreef ook passages zonder becijferde bas), heeft dan ook weinig met intrinsieke kwaliteit te maken dan met het inspelen op de moderne trends, die b.v. reeds het classicisme van de jonge Haydn aankondigen. Niet toevallig valt zijn optreden dan ook samen met het ontstaan van de muziekkritiek (1737: uitgave van het weekblad “Kritischer Musicus” door Johann Adolf Scheibe).
De uitvoering door het Collegium Instrumentale Brugense en de Capella Brugensis doet deze “verlichte” aanpak alle eer aan. Niet in het minst door de solisten Jan Vandercrabben, Philip Defrancq, Sarah Connolly en vooral de sopraan Catherine Bott en de kleine Braziliaanse tenor Reginaldo Pinheiro, die men zich misschien nog wel zal herinneren van de jongste Elisabethwedstrijd voor zang, waarin hij na Thierry Felix de tweede plaats wegkaapte.
Bij de muzikanten moeten we vooral hoboïste Elisabeth Schollaert vermelden, die de sopraan meestal verdubbelt, omdat Telemann dit had aangegeven in het eerste koraal en de andere niet werden uitgeschreven, zodat Peire heeft gemeend te mogen veronderstellen dat dit overal zo gebeurde, ook al omdat Telemann voor dit instrument beschikte over de virtuoos Alois Freymuth.
Dat de “tromba” door trompettist Manu Mellaerts wordt bespeeld, laat nogmaals blijken dat we hier niet te maken hebben met een “historische” uitvoering, laat staan een “authentieke”. Peire heeft zich weliswaar bekwaamd in de historische uitvoeringspraktijk, maar voor zijn orkest geeft hij toch bewust de voorkeur aan moderne instrumenten met het oog op concerten in akoestisch minder geschikte ruimten. In dezelfde merkantiele geest als Telemann kunnen we daarin komen, maar op een CD missen de liefhebbers toch het specifieke geluid van vooral de blazerssectie.
Wat de zang betreft is het anderzijds wel een geluk dat men niet authentiek heeft willen zijn, want anders zaten we met twee knapenstemmen opgezadeld. Wel jammer is dat de eerste CD op een nogal bruuske manier wordt afgebroken. Daar staat dan wel tegenover dat de tweede daardoor begint met “O hoofd vol bloed en wonden”, dat een bestaand koraal was dat op zichzelf de tijd heeft overleefd, want dat leerden wij zelfs op de schoolbanken.

Referentie

Ronny De Schepper, Passie van Telemann, Het Laatste Nieuws 8 april 1995

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s