Het is vandaag precies 250 jaar geleden dat de Duitse barokcomponist Georg Philipp Telemann is overleden.

De tijd dat “veelschrijver” Georg Philipp Telemann slechts een voetnoot in de muziekgeschiedenis was, is ondertussen wel definitief voorbij. Momenteel staat zijn omvangrijk en onwaarschijnlijk veelzijdig oeuvre terecht volop in de belangstelling.
Als pionier van een nieuwe, meer vereenvoudigde schrijfwijze in de eerste helft van de 18de eeuw beschouwde hij het als zijn opdracht kwalitatief hoogstaande muziek af te leveren voor een ruim publiek. Hij was niet alleen gedurende decennia de centrale figuur van het muziekleven van de Noord‑Duitse stad Hamburg, maar zijn werk kende internationale verspreiding en waardering. Geen enkel genre was hem vreemd. Alle muziek die hij schreef, was, zoals toen gebruikelijk, gemaakt voor onmiddellijke “consumptie”. Bij alle mogelijke gelegenheden van kerkelijke of politieke aard werd op hem beroep gedaan.
Feestelijkheden werden onder meer opgeluisterd met suites, briljante orkestrale composities, bestaande uit een ouverture en een reeks van dansachtige delen die zowel de melancholische als de uitbundige snaar raken. Telemanns zin voor afwisseling en diversiteit is de grote troef van deze aanstekelijke “gebruiksmuziek”, die bovendien gepresenteerd wordt in een bijzonder rijk orkestraal koloriet. Op verbluffende wijze weet de componist de specifieke timbres van strijkers en blazers, zoals hobo’s en hoorns, met elkaar te combineren.
Een soepel vloeiende, zangerige melodische lijn is zijn waarmerk : hij vond dat alle muziek moest “zingen”, ook de instrumentale. Van Telemann is de uitspraak : “Singen ist das Fundament zur Music in allen Dingen”. Dit talent, hem door God gegeven, wil hij ten dienste stellen van zoveel mogelijk mensen. Het was voor hem een roeping, een opdracht zijn vaardigheden “so wie mir Gots verliehen, zum Dienst des Nächsten anzuwenden”.
In dezelfde geest schreef hij: “Wer vielen nutzen kan, thut besser, als wer nur für wenige was schreibet” (“Wie zich ten dienste kan stellen van velen, handelt beter dan wie slechts schrijft voor enkelen”). Met dit ideaal voor ogen heeft Telemann bijzonder sterk bijgedragen tot het muzikaal democratiseringsproces in de 18de eeuw. Hij richtte openbare concerten in, doorbrak de gevestigde barrières tussen de profane en de religieuze muziek en weigerde zich te laten inperken door de eisen van zijn officieel ambt, met de bedoeling het grote publiek te interesseren voor aansprekende, maar daarom niet minderwaardige muziek.
Tot zijn meest overtuigende productie behoren de orkestsuites, een opeenvolging van dansen of dansachtige stukken voorafgegaan door een eerder plechtig openingssstuk, de ouverture. Telemann spreidt er zijn ongelooflijk veelzijdig talent tentoon: zijn muzikale fantasie is onuitputtelijk, zijn meesterschap over de instrumentale kleuren, in de combinatie van strijkers met blazers (hobo’s, hoorns, fagotten) is fenomenaal. In deze werken sluit hij vooral aan bij de Franse stijl en smaak, waarin hij zich als een vis in het water voelde. Veel van deze muziek heeft een danskarakter, al wordt dit vaak wat verdoezeld door fijnzinnige ingrepen die er toch een meer “artistiek” tintje aan geven.
De Duitsers spreken van dansen die “künstlich elaboriert” zijn, “kunstig uitgewerkt”, een geslaagde synthese tussen het hogere en het lagere, tussen het geleerde en het spontane. Naast klassieke dansen als menuet, gigue en rondeau, of minder gebruikelijke, zoals de loure, vinden we aanduidingen als “badinerie”, “réjouissance” (ook in de suites van Bach te vinden, die zich ook niet schaamde voor de Franse stijl!), “fanfare”, “harlequinade” die de expressieve en emotionele inhoud van de muziek weergeven. Dit blijkt ook uit titels als “les irrésoluts” (de besluitelozen), “les capricieuses” (de wispelturigen) of “gasconnade” (snoeverij), die Telemann inspireren tot hoogst originele, typisch Franse karakterstukjes.
In zijn concerti speelt hij met instrumentale kleuren en laat hij de solisten in groep of als individu stralen en schitteren, zoals in het concerto voor drie hobo’s en drie violen. De Duitsers hielden van blaasinstrumenten (de Italianen meer van strijkers, vooral van de viool en de cello), zoals ook blijkt uit Bachs eerste Brandenburgs concerto, een onvolprezen compositie waarin virtuoze hobo’s en hoorns meesterlijk in dialoog treden met de strijkersgroep en een solistische violino piccolo (een kleinere, iets hoger gestemde viool). Laten we beide componisten in hun eigenheid bewonderen en respecteren: Bach die zijn uiterst persoonlijke en rijke ideeën formuleert in groots opgebouwde, monumentale frasen, die van iedereen een “grote adem” vragen en die alleen al daarom de moeite lonen om er zich in te verdiepen en zich aan over te geven, en Telemann, de spontane, die zijn fantasie de vrije loop laat en zijn muziek voor zichzelf laat spreken, zonder omhaal en zonder franjes, eenvoudigweg om van de schoonheid ervan te genieten, ter verstrooiing, maar wel met oog voor kwaliteit en degelijkheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s