Juliette Binoche wordt vijftig…

In december 1994 sprak president Mitterand haar nog aan in een restaurant met de vraag of ze hem eens niet wou opbellen, “want,” zoals hij aan zijn (blijkbaar loslippige) tafelgenoot toevertrouwde, “sedert ik haar in die film die zich afspeelt in Praag naakt heb gezien, droom ik steeds van haar.” Nooit geweten dat ik nog iets gemeen had met een Franse president: dromen van Juliette Binoche…
Die “film die zich afspeelt in Praag” is natuurlijk “The unbearable lightness of being”, een onuitspreekbare titel, zelfs voor een Franse president. Bovendien kreeg de president zelf niet lang daarna een telefoontje van hierboven, waar hij dringend op audiëntie moest komen, zodat mooie Juliette zich in plaats van een François moest tevreden stellen met een Oscar.

De grote winnaar bij de Oscar-uitreiking in 1996 was immers “The English Patient”. De verfilming door Anthony Minghella (tevens de maker van “Inspector Morse”) van het boek van de Canadees Michael Ondaatje (Booker Prize 1992) werd immers als beste film uitgeroepen. Toch grepen de hoofdvertolkers Ralph Fiennes en Kristin Scott-Thomas naast het begeerde beeldje. Dat was wel weggelegd voor de Française Juliette Binoche als beste bijrol, die hiermee ongetwijfeld haar doorbraak in Hollywood heeft geforceerd. Zeker nu haar Engels zoveel verbeterd is.
Begin ’98 was ze zelfs op de Engelse West-End te zien in een stuk dat “Naked” heette, maar dat de belofte van de titel niet inloste. Enfin, tot zover onze voorraad flauwe grappen (vooral aangezien het een ernstig stuk van Luigi Pirandello betreft, dat op de koop toe omwille van zijn inhoud – een au pair girl die beschuldigd wordt van de dood van de haar toevertrouwde baby – sterk aan de actualiteit van dat moment, namelijk de zaak Louise Woodward, refereerde), maar het is toch een feit dat ze een hele evolutie heeft doorgemaakt sedert ze in 1992 “Wuthering heights” draaide (met regisseur Peter Kominsky). Toen vond BBC-criticus Barry Norman haar zowat het vrouwelijke equivalent van Gerard Depardieu en een collega refereerde zelfs aan inspector Clouseau. Dat was blijkbaar zo erg dat de film hier in die versie nooit werd uitgebracht. Pas jaren later zou ik Juliette in actie zien als de zwartharige Catherine Earnshaw en de blonde Catherine Linton tegenover Ralph Fiennes die de hele film lang er hetzelfde blijft uitzien als Heathcliff (*). Het merkwaardige was dat Juliette perfect Engels sprak. Ik denk dan ook dat haar rol hier gedubd werd door een Engelse actrice, maar ik heb hiervan geen bewijs kunnen terugvinden.
Dit gezegd zijnde, moet ik wel toegeven dat de Amerikaanse release van “Le hussard sur le toit” (van Jean-Paul Rappeneau naar de roman van Jean Giono) werd vergezeld van heel wat promotiemateriaal waarin Juliette toch een behoorlijk mondje Engels praatte.
Juliette Binoche is gedebuteerd in 1985 en dan nog wel met drie films tegelijk, “Je vous salue Marie” van Jean-Luc Godard, “La vie de famille” van Jacques Doillon en “Rendez-vous” van André Téchiné. In deze laatste nogal erotische film speelt ze Nina, een 18-jarig meisje uit de provincie dat naar Parijs trekt om er een carrière als actrice op te bouwen, een autobiografische rol a.h.w. Of de rest van het verhaal ook autobiografisch is, laat ik in het midden. Nina wil immers geen vaste relatie en voorlopig laat ze zich leiden door toevallige ontmoetingen. Met Paulot (Wadeck Stanczak), een bediende, wil ze slechts vriendschappelijke banden onderhouden, hoewel hij smoorverliefd is op haar. Daarnaast is er Quentin (Lambert Wilson), een getraumatiseerd acteur die haar zwaar op de proef stelt. En tenslotte is er Schutzler (Jean-Louis Trintignant), een theaterregisseur die Nina wel op de planken wil brengen, maar voor wat, hoort wat!
In de film komt een scène voor waarbij de beide jonge acteurs haar benen spreiden en haar bepotelen. “Dat was een erg traumatische ervaring. Eén van de twee acteurs ging immers te ver en heeft dat ook in de realiteit gedaan. Ondertussen ben ik er overheen en heb ik het hem vergeven, dus ik ga niet zeggen wie van de twee het was, maar ik vind dat een professioneel acteur moet weten waar de grenzen liggen. ’t Zelfde in The Unbearable Lightness. In een vrijscène had mijn partner een enorme erectie. Dat shockeerde mij. Dat bewees dat hij niet kon doen alsof. Dat hij met andere woorden geen echte acteur was.”
Kom, kom, Daniel Day-Lewis kan heus wel acteren en die erectie wil ik hem met plezier vergeven. Wat Wadeck Stanczak betreft (want het zal wel niet Lambert Wilson geweest zijn): wat wil je, met zo’n familienaam!
Maar goed, het is tijd voor de vraag der vragen: hoe is het allemaal begonnen?“Mijn moeder was lerares Frans en zij liet tijdens haar lessen ook toneel opvoeren. En zo ben ik door de microbe gebeten.” Die microbe lag op de loer in een provinciestadje in het departement Loir-et-Cher (en in een ver verleden zelfs in Frans-Vlaanderen: haar grootvader heet Staelens). Op achttien jaar trekt ze naar de grootstad voor het bekende circuit van de beginnende artiest: met allerlei jobs haar studies betalen. “Heel wat ervaring opgedaan die me later van pas kwam,” zegt ze. “Mensenkennis vooral.”
Het was overigens de tweede keer dat ze in Parijs rondhing, want zij is zowaar een oudstrijdster van mei ’68! Weliswaar op de schouders van haar vader (ze was toen immers pas drie jaar) Jean-Claude Binoche, een beeldhouwer en theaterdirecteur, waarover ze verder nooit praat, zodat we mogen veronderstellen dat die niet lang daarna “sous les pavés la plage” had ontdekt…
Haar lerares toneel was Véra Gregh. Juliette is zo geobsedeerd door haar vak dat ze bij haar medestudenten als een beetje eenzelvig overkomt. Kortom, ze aardt niet echt in het milieu. Ze is dan ook blij als ze van het theater naar de film kan overschakelen, al haalt ze in interviews begrijpelijkerwijs een andere reden aan: “In het theater diende ik dezelfde emotie steeds maar te herhalen en dat kwam me op de duur de keel uit.”
“Mauvais sang” van Léos Carax betekent haar definitieve doorbraak. Alle films van Carax balanceren op de rand van de marginaliteit en hebben vooral een cult-status bij de liefhebbers van Franse ‘underground’. Haar eigen belangstelling gaat daar ook naar uit, wat o.m. blijkt uit het feit dat diezelfde Carax haar minnaar wordt. Al is het niet duidelijk wat het eerst kwam: de kip of het ei. Houdt ze van die films omdat ze van Carax houdt of houdt ze van hem omdat hij dergelijke films maakt?
Het duurde drie jaar voor zijn volgende film “Les amants du pont neuf” klaar kwam. “Ik vond het een schromelijke onrechtvaardigheid, wanneer het draaien voor een tweede keer diende te worden stilgelegd omwille van problemen met de financiering,” zegt ze. Jan Verheyen laat in Knack van 18/12/1991 op basis van verhalen van Belgische medewerkers in de technische ploeg een andere klok horen: “Hoe briljant het resultaat eventueel ook moge zijn, Leos Carax heeft zich onverantwoord gedragen. Als filmmaker kun je je niet permitteren om half Parijs plat te leggen en dan op de set te komen en te zeggen: God heeft me niet geïnspireerd vandaag, we gaan een close up van een rioolputje draaien.”
Zelf heb ik deze films ook niet gezien. Opzettelijk. Ik wil haar niet zien als een clochard die onder de bruggen slaapt. En ik mag er niet aan denken dat, om zich in de rol in te leven, ze dit ook echt gedurende een paar dagen heeft gedaan. Ze is zelfs naar Nanterre getrokken, waar er een soort asiel is voor clochards. Daar heeft ze geleefd tussen mannen die meer met hun vuisten dan met hun mond spreken en vrouwen die voortdurend aan de fles hangen. Bovendien is het in tegenspraak met het feit dat ze zegt te moeten kotsen van films die realistisch proberen te zijn. Tussen haakjes, de rol van de oudere zwerver in de film (die uiteindelijk tegenover haar het onderspit moet delven) wordt gespeeld door de beroemde operaregisseur Klaus Michael Grüber, die bij Giorgio Strehler is opgeleid in het Brechtiaanse theater en in de Commedia dell’Arte.
Ze mag dan nog Carax artistiek trouw gebleven zijn tot de film helemaal af was, de verhouding was ondertussen wel naar de bliksem. Om de confrontatie te ontlopen, vlucht Juliette naar het buitenland. Haar eerste buitenlandse filmoptreden betreft een kortverhaal van Henry Miller, namelijk de kortfilm “Mara” van Mike Figgis, de maker van “Internal Affairs” en “Liebestraum” (Scott Glenn speelt de rol van Miller). Kortfilms, zelfs al worden ze samen gebundeld tot de lengte van een normale speelfilm (zoals met “Mara” gebeurde), bereiken echter slechts een klein publiek. Eén van de geïnteresseerden is Philip Kaufman (“The Right Stuff”), die de film vooral bekijkt in het licht van de driehoeksverhouding tussen Henry Miller, diens vrouw June en Anaïs Nin die hij enkele jaren later zal verfilmen (“Henry and June”). Jammer genoeg vraagt hij Juliette niet om de rol van Anaïs Nin te vertolken, maar hij heeft gelukkig wel andere plannen voor haar: Teresa in “The unbearable lightness of being” (1987), de verfilming van de succesroman van Milan Kundera, “de film die zich afspeelt in Praag”, jawel.
De film drijft vooral op de tegenstelling tussen de sensuele onschuld van Binoche tegenover de dierlijke sensualiteit van Lena Olin. De scène waarin beide naaktfoto’s van elkaar nemen is voor mij nog steeds één van de meest erotische uit de filmgeschiedenis (foto). De rol van Tomas, de geneesheer en vrouwenversierder, het alterego van Milan Kundera, werd vertolkt door Daniel Day Lewis, later oscar-winnaar met “My left foot”, die voor de duur van de film haar minnaar wordt, iets wat Binoche wel méér doet (zo was de Spaanse acteur Olivier Martinez haar minnaar tijdens “Le hussard sur le toit”).
“Voor Tereza vertegenwoordigt Tomas de cultuur, de charme, het intellect, de grootstad, het avontuur, kortom het echte leven,” zegt Juliette. “Als zij het op een bepaald moment niet meer in haar provincienest kan uithouden, is het dan ook logisch dat zij plotseling voor zijn deur staat. Tomas neemt haar bij hem in huis, trouwt er zelfs mee, maar verandert niets fundamenteels aan zijn levenswijze. Dat leidt uiteraard tot emotionele conflicten, want voor Tereza is een dergelijk ‘licht’ bestaan ondraaglijk. Zij vindt het leven een ernstige zaak.”
Van dan af dromen niet enkel president Mitterand en ikzelf van haar, ook Steven Spielberg probeert haar ritueel driemaal te strikken (voor “The last crusade”, “Schindler’s list” en “Jurassic Park”), maar ze vindt dat hij, net als de meeste Hollywood-regisseurs, “te weinig te vertellen heeft”. “Als hij me in Jurassic Park de rol van een dinosaurus had aangeboden, dan had ik er nog eens over nagedacht, maar die vrouwelijke hoofdrol stelde niks voor! Een goede regisseur is niet iemand die succes heeft, maar die iets te vertellen heeft,” laat ze arme Steven weten. He cried all the way to the bank.
Zelf legt ze nu trouwens ook af en toe het traject af naar de bank, al dient gezegd dat ze een aantal inkomsten (b.v. haar publiciteit voor het parfum “Poème”) afstaat aan het goede doel (in dit geval: weeskinderen in Cambodja).
Een eerste bekroning komt er op het Festival van Venetië in 1993 als ze wordt bekroond als beste actrice voor haar rol in “Trois couleurs: bleu” van Kieslowski (die tevens als beste film wordt bekroond). Het is een eerste deel van een triptiek over de idealen van de Franse Revolutie, je weet wel: liberté (bleu), fraternité (rouge), égalité (blanc). In de andere afleveringen worden de hoofdrollen vertolkt door Julie Delpy en Irène Jacobs. In de derde film komen wel alle hoofdvertolksters op een bepaald moment samen als overlevenden van een scheepsramp. Dan krijgen we dus Binoche nog even te zien als Julie, een jonge vrouw die man en kind heeft verloren in een auto-ongeval. Eerst wil ze niet verder leven, maar uiteindelijk kan Olivier, een medewerker van haar man, haar zelfs overhalen diens compositie voor de Europese eenmaking op tekst van de brief aan de Corinthiërs, “Zonder de liefde ben ik niets”, verder af te werken (**). Inhoudelijk is de film misschien een beetje te “christelijk”, maar qua stijl is het: “bleu je veux” met o.a. mooie beelden van Julie’s nachtelijke duik in het zwembad). Juliette Binoche kon in Venetië haar Gouden Leeuw echter niet in ontvangst nemen, omdat ze juist was bevallen van een zoontje, Raphaël. De vader is een sportduiker, die bij wijze van spreken enkel als donor werd ingehuurd.
Een ontgoocheling is het daaropvolgende “Damage” van Louis Malle. Binoche wordt bekritiseerd als zijnde te koel voor de “femme fatale” die de “rechtschapen” Jeremy Irons ten val brengt. Tot overmaat van ramp is er wel een BAFTA-Award en Oscarnominatie als beste vrouwelijke bijrol voor Miranda Richardson als diens echtgenote. Juliette Binoche verdedigt zich: “Voor mij is Anna helemààl geen femme fatale. Integendeel. Het leven is voor haar fataal geweest. Daardoor heeft ze een maturiteit bereikt, waar Stephen, ondanks het feit dat hij minister is, nog niet aan toe is. Hoe jong ze ook is, ze heeft haar leven zelf uitgestippeld, ze is vrij, onafhankelijk. Daarom is ze voor Stephen een spiegel, waarin hij zichzelf weervindt. Hij had het zo druk dat hij zichzelf was voorbijgelopen. Maar Anna is ondanks al haar tegenslagen optimistisch. Of beter: ze heeft zich voorgenomen optimistisch te zijn. Ze is er dus zeker niet op uit om hem te vernietigen, om zijn carrière te breken. Hoegenaamd niet.”
Hoe was het werken met Jeremy Irons? “Hij heeft een heel andere stijl van acteren dan ik en dat was bewust zo gewild door de regisseur Louis Malle. Ik ben heel impulsief, ik creëer graag op het moment zelf. Jeremy daarentegen is een acteur, die veel informatie wil over het personage dat hij moet vertolken. Eens hij die informatie heeft, springt hij daar echter heel creatief mee om, bouwt hij zijn eigen personage op.”
Wat ze eigenlijk wil zeggen is dat ze elkaar niet konden luchten. “Er was natuurlijk een kans dat het niet zou lukken, dat de magie er niet zou zijn, dat het wonder niet zou gebeuren. Maar ik vind dat de coup de foudre toch geloofwaardig overkomt in de film. En dààr was het Louis Malle vooral om te doen.”
Men zegt wel eens dat Louis Malle het verhaal opzettelijk heeft laten herschrijven naar een Engelse diplomaat toe, omdat hij vindt dat Engelsen het moeilijk hebben met het uiten van hun gevoelens. De ‘stiff upper lip’, weet je wel. Hiervan ben ik echter niet meer zo zeker, nadat ik vernam dat de Britse koninklijke familie het boek van Josephine Hart reeds mee op vakantie nam, nog voor er van de film enige sprake was…
In de V.S. kreeg “Damage” een strengere restrictie dan “Basic Instinct” omwille van de erotische scènes, maar zelfs dat mocht niet baten: de critici vonden het niet opwindend genoeg. Toegegeven, het betreft hier geen bizarre toestanden, maar regisseur Louis Malle is er toch verbazend goed in geslaagd om de seksuele opwinding b.v. in de gezichten weer te geven. Aangezien Irons een minister speelt, zorgde de politieke actualiteit in Vlaanderen onvrijwillig voor een extra-attractiepunt. In de film komt b.v. een passage voor die onwillekeurig doet denken aan het “incident” Chevalier in Parijs…
In 1996 was Juliette Binoche eerst te zien in “A couch in New York” van Chantal Akerman met William Hurt en nadien dus in “The English Patient”, waarin ze de verpleegster speelt, die de Hongaarse graaf verzorgt, die tijdens de oorlog een carto-graaf is geworden in dienst van het Engelse leger en onherkenbaar verbrand werd, toen hij boven de woestijn werd neergeschoten. De film bestaat vooral uit flashbacks, waaruit de liefde tussen de graaf (Ralph Fiennes) en ene Catherine Clifton (Kristin Scott Thomas: zie “Four weddings and a funeral”) moet blijken. Deze graaf gaat terug op een bestaand personage, die in werkelijkheid helemaal niet zo sympathiek is als hij in de film wordt voorgesteld. Zo is hij wel degelijk een verrader, wat in de film slechts wordt geïnsinueerd (de wraakactie van de gefolterde Caravaggio, gespeeld door Willem Dafoe, gaat uiteindelijk niet door).
Na die oscar heeft Juliette Binoche het zoals verwacht helemaal gemaakt, maar ikzelf ben haar wat uit het oog verloren. Van “Chocolat” heb ik nog genoten, ja, maar heel veel heb ik daar toch niet over te vertellen. Laat staan over “Décalage horaire”, een “romantische komedie” zoals dat dan heet van Danièle Thompson uit 2002. Hier dient Juliette Binoche eerder als klankbord tegenover Jean Reno, die duidelijk de hoofdrol krijgt toegeschoven. Ergens heeft het te maken met het feit dat zij als “esthéticienne” eerder met het uiterlijk bezig is en hij als kok met het innerlijk, als ik het met een boutade mag zeggen. De tegenstelling lijkt zelfs enigszins lachwekkend, ware het niet dat op het einde, als alles toch goed komt tussen de twee (wat je al van bij de aanvang van de film wist natuurlijk) zij zich uitdrukkelijk ontschminkt.
In 2005 is haar Engels uitstekend in “Bee season” van David Siegel en Scott McGehee, zodanig zelfs dat de hint dat ze van Franse afkomst is totaal onnodig is.
Daarna was Juliette Binoche was ook te zien in de laatste film van Minghella, “Breaking and entering” uit 2006. Daarin mag ze als Bosnische nog eens haar accent uit “The unbearable lightness” bovenhalen, maar ze moet natuurlijk wel opletten dat ze geen tweede Meryl Streep wordt. Overigens krijg ik de “sijskes” van dergelijke films als je vaststelt dat haar personage dus nauwelijks Engels spreekt, maar dat dan in huis met haar zoon wél doet. Men zou kunnen zeggen: ze doet dit om zichzelf te verbeteren, maar neem het van mij aan: dat gebeurt niet in real life.
Veel erger nog is echter de europudding “Copie conforme” van Abbas Kiarostami uit 2010. Daarin spreekt Binoche weliswaar vlotjes Frans, Engels en Italiaans door elkaar (europudding zijnde), maar voor de rest moet dit zowat de vreemdste film zijn die ik ooit heb gezien. Het begint met een Engelse kunstcriticus (William Shimell) die op een persconferentie in Toscane zijn boek (“Copie conforme”) voorstelt. Binoche is aanwezig op de eerste rij maar haar functie is onduidelijk. De persconferentie wordt zo levensecht weergegeven dat we ons net als haar (redelijk vervelend) zoontje (Adrian Moore) beginnen te vervelen. Om van het gezeur vanaf te zijn verlaat ze de bijeenkomst, maar ze laat wel haar telefoonnummer achter bij de Italiaanse vertaler van het boek (Angelo Barbagallo) met de bedoeling dat die dit aan de schrijver zal geven. Waarop het joch terecht stelt: “Je wil hem binnen doen.” Deze opmerking is erg belangrijk voor de rest van het verhaal, want even later neemt de schrijver inderdaad contact op met Binoche (ze heeft geen naam in de film). Als ze samen een tochtje maken naar het stadje Lucignano, slaat de dweperij echter eerder om in kibbelen over kunstopvattingen. Boeiend! (voor alle duidelijkheid: ik ben cynisch, hé!)
Door omstandigheden laat Binoche aan andere mensen (een pas getrouwd koppel, de uitbaatster van een trattoria…) uitschijnen dat de schrijver haar echtgenoot is. De schrijver gaat erin mee to humour her en om haar niet in verlegenheid te brengen tegenover die mensen. Wanneer de discussies over kunst echter naadloos overgaan in discussies over het huwelijk, begint de hele situatie de schrijver op de zenuwen te werken. Toch zal hij op het einde met Binoche ernstig discussiëren over hun huwelijk dat na vijftien jaar uitgeblust is. Zo eindigt de film ook en men kan de film dan ook zien als inderdaad de vivisectie van het huwelijk. Daarom dat ik zoveel nadruk heb gelegd op de oorspronkelijke opmerking van de jongen. Want als dat dus “hun” zoon was, zou die dat natuurlijk nooit hebben gezegd. Men mag m.a.w. de film niet al te letterlijk opnemen.
In 2013 speelt ze dan de zieke kunstenares Dina Delsanto in “Words and pictures” van Fred Schepisi (de schilderijen van Delsanto zijn inderdaad door Binoche geschilderd!). Het dient gezegd: zelden was een film “more aptly named”. Het thema van de film is immers de “oorlog” met leraar Engels Jack Marcus (Clive Owen) over wat nu het krachtigste is: het woord of het beeld. Natuurlijk weet je reeds bij voorbaat dat het antwoord zal zijn dat ze verliefd op elkaar worden en dat de “oorlog” dus onbeslist blijft. Het nogal irritante gegeven is dan ook enkel op zijn best, wanneer Marcus in een e-mail moet toegeven dat woorden én beelden te kort schieten en dat hij dus een muziekfile opstuurt! Die Marcus is met zijn “Captain, my captain” en zijn drankprobleem nogal een opzichtige mengeling van Robin Williams in “Dead poets’ society” en Michael Caine in “Educating Rita”, maar vooral Binoche zal veel vergeven worden, aangezien ik er haar nog altijd verschrikkelijk opwindend vind uitzien. Eigenlijk is Binoche meer Nora Tilley dan Nora Tilley zelf!

Referenties
Ronny De Schepper, Subliem verraad, De Rode Vaan nr.37 van 1988
Ronny De Schepper, Juliette Binoche, Steps magazine februari 1993

(*) Fiennes ziet eruit als Daniel Day-Lewis in “The last of the Mohicans”, maar het gekke is dat hij af en toe ook op de Salieri van F.Murray Abraham lijkt. Had men dit laatste dan ook niet in de make-up kunnen doortrekken? Dan zou Heathcliff tenminste geloofwaardig twintig jaar ouder geworden zijn. Maar ja, de regisseur was wellicht vooral bekommerd om het feit dat de vrouwelijke fans van Fiennes niet zouden worden ontgoocheld…
(**) In de film beweert de Poolse filmcomponist Zbigniew Preisner dat dit thema afkomstig is van een zekere Vandenbudenmayer, van wie hij in “La double vie de Véronique” zogezegd een concerto heeft bewerkt. Maar zelfs bij de BBC kon men niets te weten komen over deze componist. Wellicht betreft het hier dus een “hoax” (mystificatie) van Preisner. Preisner was overigens zo onder de indruk van de dood van Kieslowski in 1996 dat hij met het “Requiem dla mojego przyjaciela” (requiem voor mijn vriend) een eerste werk schreef dat geen verband hield met een film.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s