Volgens Miel Appelmans, de “paus” van Tliedboek, zijn er slechts drie ware talenten in Vlaanderen: Wannes van de Velde, Raymond van het Groenewoud en Jan De Wilde.

Als nieuwjaarsgeschenk geboren in 1944 in Aalst, toen de Duitsers reeds nattigheid begonnen te voelen, is Jan Albert Maria De Wilde van zijn vijfde tot zijn veertiende jaar lid van het knapenkoor van het Sint-Maartensinstituut, wat later het befaamde Cantate Domino zou worden. Op vijftienjarige leeftijd was hij aan een eerste gitaar toe. Georges Brassens staat op dat moment in grote letters in zijn dagboek vermeld. Nu nog trouwens. Wel grappig, als men weet dat zowat iedereen ermee akkoord gaat dat Jan De Wilde kan worden aangeduid als “the turning point” in de geschiedenis van de Vlaamse “gitaarklopperkes”, zoals wijlen collega Lode De Pooter de Vlaamse rockscene bestempelde, precies omdat Jans innovatie erin bestond op het eind van de jaren zestig over te schakelen naar het in de popmuziek reeds zeer populaire Angelsaksische idioom. Wie vóór De Wilde in Vlaanderen au sérieux wenste te worden genomen met op muziek gezette teksten deed dat tot dan toe immers door min of meer klakkeloos de Franse chansonniers na te apen.
AUTOBIOGRAFISCH?
In 1967 mag Jan De Wilde terecht een bloem in zijn haar steken, want niet alleen behaalt hij dan het diploma van kunstschilder in Sint-Lukas te Gent, maar ook mogen twee liedjes van hem naast Ferre Grignard en Wannes van de Velde plaatsnemen op de elpee “De Muze”. Hijzelf vond zich toen al een hele schijf waardig, maar die kwam er pas in 1970 toen hij opgemerkt werd op het Humorfestival van Heist. Nadien wordt zijn aandrang om elpees te maken steeds kleiner, de tussenpozen worden des te groter.
Telkens krijgen die albums wel een zeer autobiografisch cachet mee. De eerste (uit 1970) heette “Zzzrroo” (zéér autobiografisch, bevestigt echtgenote Lieve Van Steenberge, in het gewone leven vertaalster bij de VRT), door genoemde Appelmans onmiddellijk als “de beste Vlaamse elpee aller tijden” uitgeroepen. De tweede wordt “Vogelenzang 5” (1972), zijn toenmalige adres, toevallig ook dat van Louis Paul Boon. Kwalitatief gezien was deze eigenlijk nóg beter, maar het verrassingseffect was weg, zodat het terugkeren van onderwerpen zoals de dood en het zichzelf relativeren hier en daar reeds tégen Jan werden uitgespeeld. Vandaar dat de derde, “Knikkerterrorist” (1975), het qua thematiek over een andere boeg gooide. Nummers als “Rolstoel” en in mindere mate ook “Brugge” openbaarden voor mij althans een nieuwe Jan De Wilde. Op de volgende “PVBA Koekejoe en Cie” (1980) leren we dan weer dat die Koekejoe een knikkerterrorist is die eet met z’n handen en zo mager is als een lat.
– Ondanks het feit dat ik me zeer bewust ben van het gevaar uit teksten, hoe autobiografisch ze ook mogen zijn of schijnen, conclusies te trekken voor wat de schrijver zelf betreft, lijk jij me toch iemand die vooral de nadruk legt op het schrijven van teksten. Daarmee bedoel ik dat je pas een lied maakt wanneer je een onderwerp hebt en dat dit onderwerp ook niet los van jou staat. Dat je dus niet zegt: ik moet nu eenmaal elk jaar of om de twee jaar een elpee uitbrengen. Dat is trouwens bewezen. Daarom vraag ik mij af: hoe ver kan je daarin gaan, met het vereenzelvigen van Jan De Wilde, de zanger, met de Jan De Wilde zoals die uit de teksten naar voren komt?
Jan:
Eerst en vooral moet ik zeggen dat ik eerst de melodie schrijf en dan pas de tekst.
– Dat verwondert mij. En heb je dan zelfs geen onderwerp in je hoofd op dat moment?
Jan:
Neen. Soms gebeurt het wel dat ik reeds een zin heb of een onderwerp, maar dat is dan vaak moeilijk vol te houden. De reden waarom ik zo werk is echter gewoon van vormelijke aard. Het is gemakkelijker een tekst op een melodie te schrijven dan omgekeerd. Bovendien onthou ik zeer, zeer goed melodieën. Ik ben feitelijk wel meer muzikant dan ik me gewoonlijk voordoe. Wat er uit de bus komt, is misschien niet zo geweldig, maar ik voel me meer muzikant dan wat anders. Ik kan echter ook wel teksten maken. Ik heb nu stilaan de techniek.
Over dat andere aspect, namelijk de ik-vorm, in die vorm zit je dichter bij het onderwerp. Ik denk aan “Rolstoel” bijvoorbeeld, over een gehandicapte. Het wordt op die manier veel persoonlijker. Als toehoorder ga je je gemakkelijker engageren in de gedachtengang van de verteller. In de hij-vorm is het epischer en neem je als toehoorder meer afstand. Ik hou enorm veel van verhalen, maar ik merk dat bij liedjes de ik-vorm handiger is, om jezelf als toehoorder erin te herkennen. Ik praat of ik zing echter niet graag over mezelf. Wél wil ik mijn eigen conclusies en gevoelens verwerken in mijn teksten.
– We mogen elkaar niet verkeerd begrijpen. Ik bedoel niet dat elke “ik” uit de liedjes met jou zou overeenstemmen. En daartegenover staat dat bijvoorbeeld “Hier komt Jan De Wilde” in de hij-vorm is.
Jan:
Dat komt omdat het een liedje is dat is samengesteld uit perskritieken.
EIGENLIJK
Een interview met Jan De Wilde is een zaak van schrijven en schrappen. Zijn twijfelzucht is legendarisch. Het stopwoordje “eigenlijk” of varianten erop (“feitelijk”, “in feite”) komen herhaaldelijk voor. Jan De Wilde corrigeert zichzelf dan ook voortdurend. De vraag ligt dan ook voor de hand of Jan nog wel interesse kan opbrengen voor vraaggesprekken dan wel of hij, net zoals Hugo Claus bijvoorbeeld, “schuifkes opentrekt” waarin voor elke vraag wel een passend antwoord ligt, er niet voor terugschrikkend dat dit antwoord wel eens compleet het tegengestelde zou kunnen zijn van wat hij gisteren of morgen zou verklaren…
Jan: Het valt wel voor dat ik soms “verkeerde” antwoorden geef, ja. Zeker voor radio-interviews. Je wordt dan verondersteld van vlug te formuleren en dat kan ik niet, ik ben eerder aan de trage kant. En dat leidt soms tot een min of meer leugenachtig antwoord, dat ik – als ik daarop later kan terugkomen – dan wel eens corrigeer. Dat is dus echter niet opzettelijk, al kan ik me wel voorstellen dat het soms zo veel wordt dat je begint te “spelen”. Maar voor mij is het allemaal nog wel grappig, ik amuseer me nog.
– Binnen de, ja hoe zou ik het zeggen, “showbusiness” klinkt zo belachelijk…
Jan:
Liedjesmakerij.
– Welja, onder de liedjesmakers ben jij een figuur die nogal apart staat.
Jan:
Akkoord.
– Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat je niet “meedraait” in het circuit. Jij bent geen vlotte jongen op party’s en het “doorzakken achteraf” zie ik bij jou ook zo niet zitten.
Jan:
Nee.
– Dat maakt alles bij elkaar dat je een rustige indruk geeft, bezadigd, gelukkiger dan de anderen misschien zelfs wel, ook al zei Lieve me daarnet nog: “Hij trekt zich het leed van de wereld teveel aan.” Om nu terug te keren naar mijn uitgangspunt, namelijk je teksten, komt dan de privacy die je voor jezelf hebt opgebouwd op die manier niet in het gedrang?
Jan:
Jawel, maar het gaat niet echt over mij. (Zucht) Verdorie, ’t is moeilijk, hé? (Probeert het nog eens:) Het gaat eigenlijk over hoe de wereld op mij afkomt. Dàt verwerk ik, maar het gaat niet over mijn eigen problemen. De problemen van anderen worden mijn problemen. Ik kan nooit hele elpees afleveren over mijn verliefdheden en zo, maar wel over verliefdheden van anderen. Ik ben, je hebt het zelf gezegd, tamelijk tevreden. “Gelukkig” is niet het goede woord. Ik ben tevreden met mijn eigen situatie, met wat ik gekregen heb in het leven. Ik heb niet te klagen. Ik ben in het Westen geboren in een land waar ik me vrij comfortabel voel. Ik ben niet gelukkig met alles wat hier gebeurt en de maatschappelijke vorm van heel het gedoe, maar wat ik persoonlijk krijg, daarmee ben ik tevreden. Ik zie ook wat àndere mensen krijgen en dat die daar wél over te klagen hebben. En hùn mistevredenheid raakt mij. Ik trek mij dat aan en op die manier ben ik dus ook niet gelukkig. Dat is in die zin abnormaal omdat kunstenaars gewoonlijk zeer egocentrisch zijn. Ik ken er verscheidene die zelfs abnormaal egocentrisch zijn. Ik ga natuurlijk geen namen noemen om geen last te krijgen. Als ze trouwens niet zo egocentrisch waren, dan waren het ook niet zo’n grote kunstenaars.
Maar daar ligt voor mij de moeilijkheid. Ik ben niet egocentrisch – het is geen eigen lof, hoor, ’t is gewoon een constatering – en ik ben ook geen groot kunstenaar. En ik denk ook niet dat ik het ooit zal worden. Je moet dan immers zeer ambitieus zijn. Ik zou daarentegen mezelf als vrij normaal bestempelen, “binnen de normen vallend”, niet abnormaal egocentrisch en niet abonormaal altruïstisch. Gewoon. Normaal. Het interesseert me niet om de beste tekstschrijver te zijn of de grootste gitaarvirtuoos. Ik wil me alleen maar amuseren met muziek. Muziek is een vertroosting voor mij. Iets dat je rijker maakt, dat je prettiger in je vel doet voelen. Hoe triestig sommige liedjes ook zijn, van Brassens of Randy Newman bijvoorbeeld, toch bieden ze troost. En dat effect wil ik ook graag op de mensen overbrengen. Dat zal echter maar bij een klein aantal mensen het geval zijn, omdat er weinig mensen zijn die echt luisteren. Dat zijn dan alleen mensen die niet egocentrisch zijn. Egocentrische mensen kunnen niet luisteren.
BIECHTVADER
Het gesprek heeft al meteen een heel andere wending genomen dan verwacht. Ik begin mij meer en meer als een soort biechtvader te voelen. Vaak gaat men een artiest opzoeken om heel zakelijk over een nieuwe plaat of zo te praten, maar om de een of andere reden grijpen de artiesten die gelegenheid aan om hun hart uit te storten. Ik wil niet verhelen dat ik me hierdoor gevleid voel. Het zal iemand van “Dag Allemaal” of “Story” toch niet zo vaak overkomen, denk ik dan. Alhoewel. Het verschil is misschien nog het meest dat die confidenties niet steeds hun weg hoeven te vinden naar de gedrukte tekst zelf uiteraard.
De gemeende verklaringen van Jan De Wilde, die zelfs enigszins als een soort van manifest kunnen overkomen, hebben dan ook de overhand gekregen op een discussie over zijn “oeuvre” om het met een plechtig, maar in zijn geval toch niet overdreven woord te zeggen. Toch wil ik een paar markante uitspraken over een aantal nummers niet achterwege laten.
“Mexico of zo”: “Dat is geschreven aan de hand van een heel concreet geval. Een vrouw die weg gaat van haar man omdat hij niet genoeg verdient. Als iemand zich daarin herkent, dan kan dat pijn doen, maar ik vind dat een goede soort pijn. Als je bij een acupuncturist gaat, dan doet de prik ook pijn, maar het zit er wel in dat je nadien beter bent. Ik beschouw muziek niet als een drug, maar als een geneesmiddel.”
“Na de zondvloed”: “De directe aanleiding hiervoor is dat hier in de buurt een leverancier van schuilkelders woont. Akkoord, iedereen moet z’n brood verdienen, maar dit vind ik nogal griezelig. Eigenlijk vind ik het zelfs ronduit slecht, omdat die dingen je een vals gevoel van veiligheid geven. ’t Is echte struisvogelpolitiek in de letterlijke zin van het woord.”
“Zoiets houdt je overend”: “Eenzaamheid is het gevoel dat je geest alleen is, dat je niet begrepen wordt, dat er niemand in je geïnteresseerd is. Maar dat is soms moeilijk uit te leggen in een korte liedjestekst en dan kies je het beste een figuur die ook echt fysiek alleen is.”
PORNOZANGER
“Grote Ombudsman” (d.i.God): “Voor mij is dat geen echt probleem meer, maar voor een hele hoop mensen nog wel, vandaar. Anderzijds ben ik wel religieus in de letterlijke zin van het woord (religere = met elkaar verbinden), je moet proberen in harmonie te leren leven met andere levende zaken. We zondigen daar natuurlijk tegen door te eten (zegt hij tijdens het nuttigen van een kippetje, RDS), maar ook vegetariërs doen dat, planten leven immers ook.”
“Koekelberg”: “Een uiting van haat tegenover steden. Brussel is een miskraam van jewelste en de talenkwestie maakt het alleen maar gedrochtelijker. Maar de hoofdreden is dat grote concentraties van volk onleefbaar zijn. Ik zie hierop geen uitzonderingen.”
“Despootjes”: “Er zijn veel mensen die vinden dat kinderen despootjes zijn, maar die het niet durven zeggen. Het is een feit dat kinderen je leven ingrijpend veranderen. Waarom zou je dat niet mogen zeggen? Daarom ben je toch geen egoïst? Sommige kinderen kunnen ook regelrechte krengen zijn, waarom niet, de ouders ervan kunnen ook krengen zijn… Het kind heeft zichzelf niet gemaakt. De vertedering over kinderen vind ik echter vals.”
“Evaluatie”: “Het krampachtig zoeken van de katholieke kerk om aansluiting te krijgen bij deze tijd, zo van we zijn samen onderweg, daarvan kon ik niet nalaten om er eens een tekst over te maken. Ze willen per se hun klanten behouden en de manier waarop dat gedaan wordt is soms lichtjes lachwekkend.” (Het is overigens voor hem geen bezwaar om een paar jaar later samen met Lieve lid te worden van het kerkkoor. Daarvoor moest er wel een nieuwe pastoor komen, want de vorige vond hem “een pornozanger” omwille van “Joke”…)
“Lieve Lumumba, klotepa”: “Vormt een mooie aanvulling bij Despootjes. Wie dàt verkeerd heeft begrepen, moet dan hier maar eens naar luisteren. Dan kun je me toch niet verdenken van onbegrip voor kinderen. Als een kind een heel affectieve relatie heeft met een voorwerp, een dier of een mens, dan mag je daar niet in het minst in tussenkomen, dan moet je dat heel erg respecteren.”
– En dan was er natuurlijk ook “Zevenslager”, dat door menigeen in verband werd gebracht met de moorden gepleegd door Horion en Feneulle in Sint-Amandsberg…
Jan:
Maar dat is niet zo. Zo’n toestanden interesseren me al tientallen jaren, maar die belangstelling is wel nog gepousseerd omdat we, toen we nog in Lede woonden (in die fameuze Vogelenzang, RDS), via de jeugdclub kennis hebben gemaakt met een jonge student in de rechten, die toen al briljant was en dat ook is gebleven toen hij is afgestudeerd. En erg geëngageerd op menselijk gebied. Ik heb het hier dus over de verdediger van Horion, Jef Vermassen. Een paar woorden ben ik dan ook schatplichtig aan hem. Hij is er immers veel meer mee bezig en heeft ook de tijd om zich erover te bezinnen. Ik versnipper mijn aandacht meer. Ik kijk vanuit een hoekje rond en de mensen komen wel naar me toe om te praten, maar ik doe zelf eigenlijk geen moeite om mij in het gewoel te storten. Dat ligt aan mijn temperament. Ik ben geen persoon die er dan zelf ook iets aan gaat doen. Ik trek alleen bepaalde conclusies. En ik denk wel dat er zo’n mensen ook nodig zijn.
– Je bent nu eenmaal geen advocaat (of geen priester, of geen sociaal assistent, vult Jan zelf aan), maar je bent wel zanger en als zanger engageer je je wél, vind ik. Zo’n nummer als “Zevenslager”, veel verder kun je als zanger toch niet gaan?
Jan:
Ik probeer het wel zo te verwoorden dat de mensen niet de indruk krijgen dat ze gemoraliseerd worden. Dat wil ik vermijden, want van zodra de mensen de indruk krijgen van “hola, hij wil de pastoor uithangen”, dan knappen velen af. Maar het is zéér moeilijk van niet te moraliseren. Ik denk dat ik er bij “Zevenslager” tamelijk in geslaagd ben. Telkens als ik het zing in een zaal wordt het altijd heel stil, ook bij een moeilijk publiek. Ik denk dus wel dat het indruk maakt.
– Dat je over al die liedjes zo zit te tobben, bewijst wel dat ik gelijk heb als ik veronderstel dat je met elk liedje een “ei” kwijt moet en dat je niet gewoon “voor het plezier” liedjes maakt…
Jan:
Ja, dit is typisch één van dat soort vragen waarover je eigenlijk eerst eens zou moeten kunnen nadenken. (Lacht) Het is inderdaad zo dat de meeste liedjes wel degelijk “eieren” zijn. Maar dan niet van het soort dat ze er absoluut uit moesten, opdat ik niet ziek zou worden. Ik heb immers een goede verhouding met tal van vrienden en als ik dus met iets zit, kan ik dat wel aan hen kwijt. Maar daarbuiten heb ik toch nog altijd de drang om iets te “maken”. Of het nu schilderijen zijn of liedjes maakt niet zoveel uit. Alleen, liedjes vind ik tot nu toe nog altijd het leukst. Al zou ik ook graag cartoons maken, maar dat lijkt me veel moeilijker, daarvoor moet je veel meer discipline opbrengen. Met liedjes kan je trager werken. Meestal laat ik een tekst een tijdje liggen om te zien of hij goed blijft dan wel of ik hem niet beter zou weggooien. En daartegenover staat dan weer dat, als je het dan uiteindelijk toch gezegd krijgt, liedjes een veel directer medium zijn. Het is eigenlijk het ideale medium.
GERECHTSKINDEREN
Jan De Wilde trad op het Feest van de Rode Vaan in 1978 op in het kader van een (Franstalig) debat over gerechtskinderen (dit zijn kinderen die aan het toezicht van het gerecht zijn overgeleverd omdat de ouders uit hun ouderlijke macht ontzet zijn). Jan was de enige Vlaming in het gezelschap van Philippe Anciaux, Joseph Reynaerts, Pierre Haralanbon en Jean Musy. Het spreekt vanzelf dat zijn bijdrage zich beperkte tot zingen en dat hij niet aan het debat als dusdanig deelnam.
Het was uiteraard zeer moeilijk om iemand te vinden met nummers die aangepast waren aan het debat. We kenden Jan reeds van “Huis van Bewaring” en “De goede nor”, maar het accent ligt hier toch enigszins anders.
Ook op zijn nieuwe elpee, “Koekejoe en c°”, waarvan de opnames op dat moment lopende waren, zal Jan nummers brengen die in die sfeer thuishoren. Het zit er zelfs dik in dat Jan een speciaal nummer ter gelegenheid van het debat zal schrijven. Alleen, zegt hij terecht, mag het geen maakwerk worden.
Die vrees is echter min of meer ongerechtvaardigd daar De Wilde ook vroeger reeds met de problematiek begaan is geweest. Zo is hij eens een hele dag te gast geweest in zo’n instituut en kent hij ook vele opvoeders persoonlijk.
Toch geven we eerlijk toe dat we Jan met enige schroom hebben aangezocht. Jan staat immers bekend als een onverbeterlijke, zij het tedere, anarchist. Maar uitgaande van het feit dat wij nog “tedere anarchisten” in onze rangen hebben geteld (nietwaar, Boontje?) hebben wij het er toch op gewaagd en de respons was, ja zeg maar verrassend.
Inderdaad, Jan De Wilde wil zich niet “laten gebruiken” door partijen. Inderdaad, Jan De Wilde haat de gevestige partijpolitiek. Maar als Jan dan al niet van de grote partijen houdt, dan heeft hij toch nog enige sympathieën voor linkse of uiterst-linkse partijen, zegt hijzelf, evenals voor de jongerenafdelingen van de “gevestigde” partijen, “omdat deze toch enigszins dissidenten zijn.”
Dat er evenwel uit de CVP-jongeren een Wilfried Martens kan naar voren treden, wil hij wel toegeven als de gebruikelijke uitzondering op de regel. Merkwaardig vond ik ook de uitlating dat hij wel voor De Rode Vaan maar niet voor het Volksunie-weekblad Wij zou willen optreden. Waarom, dat wist hij zelf niet.
CENTIMETERS
– “Koekejoe” heb je opgenomen met de medewerking van de Centimeters, die op dat moment nog bij Raymond van het Groenewoud speelden en dus pas met jou “on the road” gingen bij “De bende van Jan De Wilde” (*) zeven jaar later, ook al spelen ze dààrop niet mee!
Jan:
De enige reden waarom ik de Centimeters heb uitgenodigd om met mij die plaat op te nemen, is dat ik er zo goed mee overweg kan. Als ze nu toevallig minder goed zouden spelen, dan had ik ze waarschijnlijk ook wel gevraagd. Het zijn heel lieve jongens, ik speel niet met moeilijke karakters. En ook dit: Mich Verbelen, Jean Blaute en Stoy Stoffelen zijn zo op elkaar ingespeeld dat het doodeenvoudig was om de basis op te nemen. Metronomen waren het. Je moest nooit iets hernemen.
– De “baas” (Raymond van het Groenewoud) was er echter niet bij?
Jan:
Dat was gewoon het gevolg van een misverstand. Ook hem had ik er graag bij gehad omdat het zo’n enorme muzikant is, maar ik dacht dat hij het niet graag deed. Na afloop heb ik gehoord dat hij het wél graag zou hebben gedaan. Daarover heb ik ondertussen wel spijt. Het zou anders nóg gezelliger geweest zijn. Raymond, dat is als vertolker pure wereldklasse. Voor de rest doen wij in bevordering af en toe eens iets goed. (Geen wonder dus dat ik in 1993 Jan De Wilde in Aalst ontmoet tijdens het nieuwe theaterprogramma van Raymond. Deze wilde wel niet met Jan op de foto, maar hij was duidelijk weer eens in een off-day.)
– Nu ja, Raymond was er al bij op je tweede elpee (op “Jan de Grote Griezel”), maar uiteraard niet op de tournee met de Centimeters. Toch had je enorme trak…
Jan:
Ja. Ik vind mezelf echt een krukkerige gitarist, terwijl zij heel geroutineerd zijn. Als ze willen, spelen ze me honderd keer van de planken. Ik weet dat ze me appreciëren en dat ze me goed genoeg vinden, maar in feite ben ik op dat gebied toch maar een amateur. Maar dat wil nu ook weer niet zeggen dat ik zou “stuntelen”. Dat is zo’n mythe die me blijft achtervolgen en die stilaan toch wel erg onrechtvaardig is. Sommigen kunnen er zich maar niet mee verzoenen dat ik de klassieke theatertruuks weiger te gebruiken.
– Nooit aan gedacht een tweede gitarist in dienst te nemen?
Jan:
Ik wel, maar zij hadden blijkbaar liever geen vreemde eend in de bijt. Ik heb ook de selectie van de nummers aan hen overgelaten. Ik ben afgegaan op wat zij graag wilden spelen. Tenslotte kan het mij niet zoveel schelen, ik ben over bijna geen enkel van mijn liedjes beschaamd.
IDEOLOGIEËN
– Op “De Bende” stond een nummer dat ik alvast controversieel vond, maar het viel me op dat buiten “De Morgen” niemand, maar dan ook niemand met een woord repte over “Communisten”. Net alsof het niet op de elpee stond…
Jan:
Ja, maar dat komt omdat er maar weinig over de elpee als zodanig is geschreven, wat me uiteraard een beetje tegenvalt. Ik dacht dat ze toch toegankelijker was dan vroegere platen, maar waarschijnlijk is dat niet zo. ’t Zal wel weer zoals altijd zijn: journalisten die bij mij komen en zeggen “vijf jaar geleden heb ik je plaat gekraakt en nu heb ik er spijt van”. Dat is wel frustrerend natuurlijk.
– Kom, kom, Jan, je “kraken” dat heeft men toch nooit gedaan…
Jan:
En Johan Anthierens dan? Voor “Knikkerterrorist” belde hij me op met de mededeling dat hij ze ging beluisteren om te recenseren voor Humo en dat hij nadien dan zou terugbellen om nog wat telefonische vragen te stellen. Tien minuten later hing hij alweer aan de lijn met de mededeling: “Ik heb ze beluisterd en vind ze niet goed.” Echt waar, hé, op tien minuten had hij ze helemaal “beluisterd”! Maar wat nu “Communisten” betreft, op plaat zal wel niemand zich daaraan storen denk ik, maar in de zaal krijg je soms toch rare reacties. In ’t begin lacht men ermee, maar als ik er dan op ’t eind ook de fascisten bij haal, dan valt het stil. Dan vraagt men zich af: zou het dan toch een serieus liedje kunnen zijn?
– Ook door de combinatie van zaken die wel eens aan het stereotiepe beeld beantwoorden, zoals die rode Lada’s, met totaal maffe toestanden zoals die Micha Marah-opblaaspoppen…
Jan:
Ja, dat is slapstick natuurlijk. Maar eigenlijk is het wel een serieus liedje, toegegeven. Ik wil ermee etaleren dat ik geen man van ideologieën ben. Daarvoor ben ik een veel te grote twijfelaar.
– Toch schakel je niet alle ideologieën gelijk. Niet in je privé-leven en ook niet in dit liedje, vind ik.
Jan:
Nee. Maar ik vergelijk ook niets. Ik verkneukel me alleen maar om heel doctrinaire mensen, van eender welke strekking. Verder voel ik me inderdaad meer op mijn gemak bij mensen die men traditioneel in het linkse vakje stopt. Mijn beste vrienden zijn communisten, wat daarom niet wil zeggen dat het KP-leden zouden zijn. Anderzijds heb ik van vroeger ook nog wel vrienden uit “het andere kamp” overgehouden en daar kom ik nog steeds goed mee overeen, al ga ik wel politieke discussies uit de weg.
– Over dat andere “ironische” nummer, “De West-Vlaamsche Leeuw”, wordt wél gesproken. En ook al verklaar je dan dat je het in feite allemaal niet zo bedoelt, als ik een West-Vlaamse communist zou zijn, dan zou ik het hiermee moeilijker hebben dan met “Communisten”…
Jan:
’t Zit natuurlijk wel subtieler in elkaar dan je kan uitleggen. Ik gebruik enkele van de meest gangbare clichés over West-Vlaanderen, maar juist door die zo op te stapelen krijg je een heel ander effect dan wanneer ik één cliché zou nemen om daarrond een liedje te maken. In het tweede deel corrigeer ik die clichés trouwens min of meer. Want al lachend wil ik eigenlijk aanduiden dat het West-Vlaamse ras toch iets heel speciaals is. Maar om dat duidelijk te maken, zou het beter door een echte West-Vlaming geschreven zijn, ja. Ik heb bewondering voor West-Vlamingen, net zoals ik bewondering heb voor de weinige communisten die er nog zijn.
HEHE
“De bende” werd opgenomen bij EMI, waar “fan” Guy Brulez van persjongen tot labelmanager was opgeklommen, terwijl Jan met zijn oorspronkelijke firma Phonogram in aanvaring was gekomen, omdat er na de pensionering van Walter Moens niemand nog naar hem omkeek. Typisch is dat wanneer in 1991 de firma inpikt op het succes van “Héhé” met een “Best of”-CD (eigenlijk een heruitgave van de LP “Portret”), Jan zelf daar niet eens van op de hoogte werd gebracht! Laat staan dat hij inspraak zou hebben gehad bij de samenstelling van de CD.
“Héhé” was overigens een productie van Hennie Vrienten en Vrienten kent ups en downs. Zo schrijft hij een vreselijk “Land van Maas en Waal”-arrangement voor het “Vrolijk lentelied” van Jan, maar diens versie van Lieven Taverniers “Eerste sneeuw” laat hij heerlijk klinken. Zijn Magnificent Seven zorgen dan voor de begeleiding op deze CD. Live gebeurde dat ook wel eens bij speciale gelegenheden, maar meestal liet Jan zich nog steeds bijstaan door zijn vrouw op bas en een bevriend gitarist. In die tijd was dat Wigbert Van Lierde, die echter kort daarna zelf aan een solocarrière zou beginnen, die net als Urbanus destijds, deze van zijn leermeester ver zou overstijgen. Maar, in tegenstelling dan weer tot zowel Jan als Urbain, was ze even vlug weer over als ze was gestart.
Jan zelf was in die tijd ook bassist van Cuisine Cajun.
KLASSIEK ORKEST
Zijn eeuwigdurende carrière liep dus niet steeds over platgetreden paden, zo ging hij in 1991 zowaar op pad met een klassiek orkest. Hoe is Jan De Wilde eigenlijk bij Dirk Vermeulen en Prima La Musica terechtgekomen?
Jan: Ik heb nooit muziek geleerd en daar heb ik nog altijd spijt van. Wij waren te arm om een piano te kopen en toen ik dus liedjes begon te schrijven, moest ik altijd gaan aankloppen bij Frans Ieven en dat vond ik op de duur wel vernederend. Met de moed der wanhoop ben ik dan uiteindelijk toch nog muziek gaan studeren. Zeker wanneer Urbain mij vroeg om zijn platen te producen. En toen hij me dan vroeg de muziek voor ‘Hector’ te schrijven moest ik uitkijken naar muzikanten. ’t Was zomer, maar na twee dagen had mijn vrouw toch een paar virtuozen gevonden. Dat werd echter een ongelooflijke tegenvaller. Een telefoonorkest werkt niet, dat is reeds eerder gezegd, hé. Daarom heb ik raad gevraagd aan een eminent musicoloog uit mijn buurt, André De Groeve, en die bracht mij in contact met Dirk. Deze had trouwens reeds meegewerkt aan “Grootvader geplant”, een single van Urbain. En zo is de idee van die klassieke bewerkingen dan gegroeid. Het eigenlijke orkest van Dirk, Sinfonia, zag dat echter niet zitten en daarom heeft hij Prima La Musica opgericht.
– Toen je bij de aanvang zei dat je eerst de muziek schreef en dan pas de tekst, was ik ten zeerste verbaasd, maar eigenlijk heb je gelijk: in de fond zijn je liedjes muzikaal zeer goed geconstrueerd. Dat kan men bijvoorbeeld horen bij de bewerkingen die voor dit programma werden gemaakt. Daarnaast speelde Prima La Musica ook nog uittreksels uit de Kunst der Fuge van Bach…
Jan:
Dat was uiteraard geen toeval, want ik ben dol op Bach. Ik hou van de meest uiteenlopende genres en vind een eenvoudig nummer van Ry Cooder even boeiend als een symfonie van Mozart. Wat me niet ligt dat zijn bepaalde vormen van jazzmuziek en ook niet het getormenteerde van de symfonieën van Beethoven. Om nog te zwijgen van Wagner! Maar ik heb bijvoorbeeld altijd al veel belangstelling gehad voor muziek uit het zuiden van de Verenigde Staten, laten we zeggen de “hardere” volksmuziek, zoals cajun, tex-mex, bluegrass en zelfs rock’n’roll uit de jaren vijftig. Dat is echter nooit tot uiting gekomen in mijn liedjes, wat jammer is. Eigenlijk hou ik van te veel dingen. In feite zou je een plaat moeten maken per genre dat je bewondert.
– Zoals de reeds genoemde Ry Cooder heeft gedaan…
Jan:
Voor die man doe ik tien keer per dag mijn hoed af. Maar hier in Vlaanderen kan dat uiteraard niet. Onze zolen zijn al versleten van één plaat om de zes jaar aan de man te brengen! Er is zelfs een tijd geweest dat iedereen zich ervoor schaamde om met eigen liedjes naar buiten te komen, omdat dit als oubollig en kneuterig werd beschouwd. Gelukkig, nu màg het weer. Persoonlijk hou ik zoals gezegd van een heleboel genres en dat is maar normaal ook, voor een volwassen mens. Maar jonge mensen zijn heel gevoelig voor sectarisme in de muziek, dat heeft Raymond in “Cha Cha Cha” ook al gezongen. Als zij bijvoorbeeld van blues houden, dan zouden ze beschaamd zijn om daarvoor uit te komen. En dat vind ik erg, heel erg. Maar gelukkig mag je nu stilaan weer van kleinschaliger muziek houden, muziek voor minderheden.
– Ik ben het overigens niet helemaal met je eens dat je die fifties-muziek niet kan horen in jouw liedjes. De eerste plaatkant van “De Bende van Jan De Wilde” eindigt bijvoorbeeld met twee nummers die a.h.w. een A- en een B-kant van een single uit die tijd konden zijn. Ik heb het over “Otomobiel” met zo’n beetje “Peggy Sue”-drums en “Bij het gebulder” dat dan zo’n echte slow is.
Jan:
‘k Zie dat toch nog niet zo direct op een jukebox staan, hoor. “Otomobiel” heeft in ’t midden een break. Ik vind dit typisch zo’n nummer dat ik harder en koeler had gewild. En dan “Bij het gebulder”… (barst uit in een “bulderende” lach). ‘k Zie het al gebeuren dat ze daar op de dansvloer staan te cheeck-to-cheecken op die ver-schrik-ke-lij-ke tekst (hij handelt namelijk over de Derde Wereldoorlog, die echt een oorlog zal zijn, zoals iedereen wel weet, “to end all wars”, maar dan in de meest letterlijke betekenis van het woord, RDS). Oorspronkelijk had ik het bedoeld als parodie op nummers zoals “Mandolienen in Beiroet”, vandaar dat ik het zing in de trage Elvis Presley-stijl die hier bij ons door Will Tura eigenlijk wel mooi is overgenomen. Maar terwijl ik de tekst maakte werd ik meegesleept. Vandaar alweer die tweeslachtigheid die overigens ook in de muziek zit. Op het eerste gehoor klinkt ze erg zoet, maar er zit opzettelijk een vals orgeltje in. Op mijn eigen bandje thuis was dat zelfs verschrikkelijk vals, snerpend, maar producer Jean Blaute heeft dat in de studio afgezwakt omdat anders iedereen dat nummer zou overslaan op de plaat. Trouwens ook nu nog staat het op verzoek van mijn vrouw speciaal daarom als laatste nummer: wie het niet kan aanhoren, kan de plaat daarvóór al omdraaien.
– Over Will Tura gesproken…
Jan:
 “Ik ken Will niet persoonlijk en dat maakt het me wel mogelijk hem nogal afstandelijk te benaderen. Laat ik maar meteen zeggen dat ik er niet van hou. Maar waarom precies dat is moeilijk te zeggen. Er zijn verscheidene zaken die mij storen. Zijn uitspraak van sommige tweeklanken bijvoorbeeld. Zjef Vanuytsel kan hem wat dat betreft goed imiteren. En vooral vroeger waren zijn teksten slecht gemaakt, al waren ze nog niet eens de slechtste uit het genre. Ook vind ik zijn vertolking van romantische dingen te pathetisch. Maar ik denk dat hij op die manier juist veel indruk maakt en dat dit dus bijdraagt tot zijn succes. Technisch is hij echter wel heel goed. Hij is een goede muzikant, denk ik. Vroeger liep hij altijd lichtjes vooruit op de algemene smaak in de lichte muziek. Maar dan weer niet té ver om de mensen niet af te schrikken.
Kortom, hij is wel goed, maar juist niet goed genoeg om een werkelijk grote persoonlijkheid te zijn. Maar in zijn genre is hij absoluut de beste. Alleen nog dit: ik vind dat je wel aan iemand mag horen vanwaar iemand komt. Nu heeft Tura heel goed zijn best gedaan om zijn West-Vlaams accent weg te werken, maar er is nu iets heel anders in de plaats gekomen, met rare tics. Maar het grote publiek stoort zich daar niet aan natuurlijk.”

POST SCRIPTUM
Daarna verdween ik van het publieke forum en dus verwaterde ook mijn contact met Jan en zijn vrouw. Ik herinner me dat ik ze nog eens ben tegengekomen in de Groenzaal, dus vlakbij mijn deur en ik herinner mij ook nog dat ze mij ooit eens aan mijn deur hebben afgezet na een optreden elders in Gent, maar waar dat precies was, dat weet ik dan weer niet meer. En zo duurde het tot Jan door Het Nieuwsblad werd opgebeld om een reactie te geven op de dood van collega Zjef Vanuytsel (2/1/2016), vooraleer ik nog iets diende te noteren. Want wat leren we daar dan over Zjef, maar uiteraard ook over Jan zelf: “Uren heb ik met hem zitten hengelen. Zjef was een babbelaar, maar bij het hengelen sprak hij niet.” Jan als hengelaar? Dat kan ik mij niet inbeelden, maar het wordt nog straffer: “Als laatste blijven na een optreden of op café, ook dat is Zjef blijven doen tot het niet meer ging. Maar dan compenseerden we dat. Gingen we met zijn vieren – Zjef en Lucie, mijn vrouw Lieve en ik – naar een sterrenrestaurant. Als we maar op stap waren, dat was zijn lang leven.”

Referenties
Ronny De Schepper, “De problemen van de anderen zijn mijn problemen”, De Rode Vaan nr.6 van 1981
Jan Draad, Jan De Wilde aan het lijntje, De Rode Vaan nr.26 van 1982
Ronny De Schepper, De bende van Jan De Wilde gaat op pad, De Rode Vaan nr.12 van 19 maart 1987
Ronny De Schepper, Jan De Wilde in Vooruit, Het Laatste Nieuws, 15 april 1994

(*) In mijn allereerste artikel over Jan De Wilde (“Jan, de wilde anarchist” in De Rode Vaan, die vijf weken vooraf ging aan het jaarlijkse Feest van de Rode Vaan) schrijf ik: “Jammer genoeg kan Jan de sound van zijn elpees niet overbrengen op het podium, daar hij zich slechts laat begeleiden door zijn vrouw Lieve en vriend André, beiden op diverse snarenspullen. Toch heeft een optreden van deze harde kern van de bende van Jan De Wilde een heel aparte sfeer (intimistisch, hoor ik hier zeggen) en als de wind uit de goeie richting blaast, wordt het zeker geen saaie boel.” Alhoewel ik ook wel weet dat “De bende van Jan De Wilde” op de eerste plaats een toespeling is op “De bende van Jan De Lichte”, durfde ik soms toch ook wel eens denken dat mijn formulering van destijds er ook wel voor iets tussenzat, maar bij het herlezen van het artikel valt mij op dat kort daarvóór een documentaire op de BRT werd vertoond (van John Erbuer) die eveneens “De bende van Jan De Wilde” heette.

Een gedachte over “Jan De Wilde wordt zeventig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s