Waar is de tijd van Tliedboek?

06 leonard cohen’t Kan verkeren. Dat zei Bredero reeds en Brede Ron moet zich daar anno 1985 nog steeds op beroepen. Zo kregen we enige tijd terug de eerste elpee van Lieve Van Mileghem ter bespreking aangeboden. Nogal onder de indruk van een maxi-single met teksten van Elsschot en Claus en van een optreden in de Aalsterse Mikisklub, schoven we de zwarte plak gezwind onder de naald, maar wat bleek ? De magie was weg.

Niet getreurd, dachten wij, ons oor sinds kort door opera en Michael Jackson bezoedeld indachtig, de fout zal wel bij ons liggen. Doorgespeeld dus aan onze specialist voor dit soort muziek, Mark De Smet. Hoe deze man echter reageerde op dit produkt, kan u elders lezen… Mark is zelfs zo boos dat hij vergeet er wat feitenmateriaal bij te voegen die we de lezer toch niet willen onthouden. Zo b.v. dat het een erg « fruitige » elpee is geworden met de heren Peremans achter de knoppen en Appelmans als superviserend surveillant. Dat ook een paar popjongens als studiomuzikanten werden aangezocht (Mich Verbelen en Firmin Timmermans o.a.), maar dat dit helaas niet mag blijken in het resultaat. Dat Van Mileghem naast eigen werk en bewerkingen van oude meesters vooral teksten brengt van Lieven Tavernier en reeds genoemde Miel Appelmans, twee koryfeeën van het destijds zo roemrijke Tliedboek, waaraan Lieve zelf en ondergetekende in een later stadium ook hun medewerking hebben verleend.
Zo zitten we trouwens meteen reeds bij ons volgende onderwerp, maar vooraf willen we over deze elpee van Van Mileghem toch nog kwijt dat er ook nog een niet onaardig instrumentaaltje opstaat, maar vooral dat de nieuwe versie van « Het Huwelijk » van Willem Elsschot de eerste veel onrecht aandoet. Men valt haar daar (terecht) vooral op aan, maar om dan meteen ook te besluiten dat men « zoiets niet doet », dat is toch een voorbarige conclusie. Nog eens luisteren naar die single-versie, confraters !
DEEP BLUE COHEN
Maar we zouden het nog eens over Tliedboek hebben, omdat hier drie elpees voor ons liggen van mensen die in die tijd (het begin van de jaren zeventig) ofwel erg populair waren ofwel erg aan de orde in genoemd blad. Ons eerste slachtoffer, Leonard Cohen (hallo ? wat ? neen mijnheer Vercruusse, dat is niet de vader van onze popmedewerker), viel zowat onder beide categorieën. Zo was er b.v. een Tliedboek-medewerkster die een heuse licentiaatsthesis aan deze Canadese zanger-dichter-romanschrijver zou wijden, maar anderzijds stond « Suzanne » zowaar in de hitlijsten, vooral dankzij duizenden David Hamilton-meisjes die bij het beluisteren met betraande ogen in het smeulende haardvuur zaten te staren. Verdomd als ’t niet waar is ! Waar is de tijd dat we bij kaarslicht fragmenten voorlazen uit « The favourite game » in de jeugdclub ? Dat we fier waren te vernemen dat een vriendin van een vriend zowaar de nacht met ons idool had doorgebracht (het kan ook een vriend geweest zijn, want Cohen is niet fanatiek in die dingen) ? Dat we naar alweer een andere vriendin die toevallig (?) Suzanne heette een brief schreven die niks anders was dan de tekst van « Famous blue raincoat » met alleen de eigennamen veranderd ?
Zalige tijden eigenlijk. De Weltschmerz drukte zo heerlijk op ons, we waren zo ongelukkig dat we nog nooit zo gelukkig geweest waren. En vooral : wat had die Cohen allemaal niet te vertellen ? Z’n eerste drie elpees kenden we volledig van buiten en voorzichtig nippend van ons glas rode wijn spraken we van « referentiekader » en « eigen symboliek » en we wisten alles van de « mirrors », de « sisters of mercy » en de « shelter ». Maar dan begon Cohen ineens platen te maken met Phil Spector en we wisten niet meer waar ons hoofd stond. Plots had hij ons dan ook niet meer te vertellen…
Vijftien jaar later zitten wij dit alles te overdenken terwijl « Various positions » lijzig uit de boksen kruipt. Cohen is stilaan de klip van de vijftig gepasseerd en zijn vocale stijl zal dus wel geen spectaculaire wijzigingen meer ondergaan. Ook qua instrumentatie blijft alles nogal sober (productie en arrangementen door John Lissauer), het enige verschil met vroeger is dat hij zowaar « dansbaar » is geworden. Niet overdreven, maar toch.
« Dance me to the end of love » is trouwens het eerste nummer dat zowat de « mood » moet aangeven van de plaat. Wil dit dan meteen ook zeggen dat Cohen niks meer te vertellen heeft ? De « moeilijke » liefdesliedjes zijn er nog steeds, dat « eigen referentiekader » met vooral veel verwijzingen naar de bijbel ook. Blijkbaar ziet hij zichzelf nog steeds meer als « boodschapper » dan als « entertainer » (« you don’t really care for music, do you ? » vraagt hij de luisteraar in « Hallelujah » en in « The captain », een beetje een country and western-song, klinkt het : « I risked my life, but not to hear some country and western-song »), maar het wordt steeds moeilijker om een echte « boodschap » te ontrafelen. Nochtans hebben wij niet de indruk dat Cohen « cryptischer » is geworden, maar eerder gemakzuchtig. De teksten klinken niet « doorleefd », eerder wat bijeen gezochte beelden waarin de echte Cohen-fans zich kunnen herkennen. Zij zullen niet ontgoocheld zijn door deze « Various positions », evenmin als « anti’s » erdoor tot Cohen zullen worden bekeerd. Alleen, de « David Hamilton-meisjes » van vandaag die hebben hier geen boodschap meer aan. Als er überhaupt nog David Hamilton-meisjes bestaan…
DEEP PURPLE DYLAN
Wie Cohen zegt, zegt Dylan, zeker in Tliedboek waar ene Miel Swillens ons zelfs voor de keuze stelde : « Dylan of Mao ? ». Anderzijds kan men moeilijk beweren dat de bloeiperiode van Bob Dylan samenviel met het ontstaan van dit muziekblad, « Blonde on blonde » lag toen immers reeds een tijdje achter de rug. En omdat we ons met Dylans teksten minder vereenzelvigen dan met die van Cohen (zijn, eveneens oudere, protestsongs uiteraard uitgezonderd), zal het wel steeds aan deze nogal rockende elpee zijn dat we ander werk van de meester zullen toetsen. Zo ook « Real Live », een momentopname van Dylans tournee door Europa vorige jaar (merkwaardig genoeg geen dubbelelpee).
Als we Cohens stem « lijzig » noemden, welk adjectief moeten we dan uit de kast halen voor die van Dylan ? Alleszins in 1984 klonk ze slechter dan ooit. Van « zingen » is nog nauwelijks sprake. Alle hoop komt dan ook van de begeleiders bassist Greg Sutton, drummer Colin Allen, de subtiele keyboards van Ian McLagan (ons persoonlijk favorietje in Schaarbeek) en vooral van ex-Rolling Stone Mick Taylor die in dit genre veel beter tot zijn recht komt dan bij het beuken van Jagger en zijn vriendjes. Zij maken o.a. « Maggie’s farm »,« I and I » en « Masters of war » tot een belevenis, waarbij de verdienste van Dylan eigenlijk beperkt blijft tot het feit dat hij deze nummers geschreven heeft.
Een logisch gevolg is dan ook dat het zwakste gedeelte van deze elpee de oververtegenwoordiging is van de akoestische « kampvuurnummers » zoals een confrater ze noemde : « It ain’t me, babe » (het publiek zingt beter dan Dylan), « Tangled up in blue » en « Girl from the North Country ». Op « Tombstone blues » tenslotte mag ook Carlos Santana even soleren.
Waarover niet werd geschreven in Tliedboek, dat was over Deep Purple. Nochtans was deze groep bij de « in-crowd » toen erg populair met « Child in time », zowat de grootste hit allertijden maar dan wel pas enkele jaren later. Toen was Deep Purple al voer voor de « kids » en dus taboe voor TL dat op dat moment echter wel reeds de pop had ontdekt. Nu, gedreven door geldnood beweren kwade tongen, zijn zanger Ian Gillan, orgelist Jon Lord, gitaarheld Ritchie Blackmore, bassist Roger Glover en drummer Ian Paice weer samen op « Perfect Strangers » en al van zodra Lord de toets van zijn orgel indrukt op « Knocking at your back door » hoor je al : ze zijn terug !
Voor ons part is deze elpee geen haar slechter dan die uit hun glorieperiode, al doet ze ons niks. Maar, eerlijk gezegd, buiten « Child in time » en een nog oudere elpee met « Wring that neck » en « Kentucky woman » zijn wij nooit echte Purple-fans geweest, vijftien jaar later kan dat daar dus onmogelijk op verbeterd zijn. Toch heeft « A gypsy’s kiss » nog iets van het oude vuur en schetst « Hungry daze » een « leuk » beeld van het eind van de jaren zestig, maar verder… ? Snel afzetten vooraleer de buren reclameren en Lloyd Cole de revue nog eens laten passeren.

Referentie
Ronny De Schepper, Waar is de tijd van Tliedboek? De Rode Vaan nr.7 van 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.