Gestript, gebonden en genaaid: het babbelende beeldverhaal

57 Dandy_first_issue75 jaar geleden werd de eerste aflevering van “The Dandy Comic” gepubliceerd, volgens Wikipedia de eerste strip die gebruik maakt van tekstballonnen. Er bestonden natuurlijk al strips met tekst, maar die teksten stonden tot dan toe gewoon afgedrukt onder de plaatjes.

Je kent wel die raadseltjes: wat heeft dit met dat gemeen? En dan zoek je je te barsten en dan blijkt het uiteindelijk iets zeer voor de hand liggends te zijn. Hetzelfde doet zich nu voor als ik je deze trits begrippen geef: lange haren, naakt op de beeldbuis, rock’n’roll, stripverhalen. Welk kenmerk hebben die gemeenschappelijk? Wel, dat bij de eerste confrontatie ermee, ze hevig negatieve reacties uitlokten, maar dat dit nu ondertussen door de macht der gewoonte geluwd is. Nu lezen “zelfs” wat men noemt “intellectuelen” stripverhalen en wat meer is, ze doen dit niet langer stiekem. Een volwassene die op de trein “Suske en Wiske” wenst te lezen, hoeft dit niet meer in een exemplaar van “Knack” te verbergen, zoals hij dat (voorlopig?) met een blote-meiden-boekje wel nog doet.
Waaruit men kan afleiden dat het destijds onnodig was om strips als zodanig te lijf te gaan. Sommige mensen deden dat met eerlijke bedoelingen: men was namelijk bevreesd dat vooral kinderen van “echte” lectuur zouden afgehouden worden. Nu valt natuurlijk heel die discussie in het niets tegenover die andere, véél belangrijkere: de invloed van de televisie op het leesgedrag van kinderen (om nog te zwijgen over de computer!). Toch heeft men b.v. in de stedelijke bibliotheek van Sint-Niklaas vastgesteld dat de meeste kinderen die stripverhalen ontlenen, daarbij meestal met “non-fiction” werken naar huis gaan, dit wil zeggen boeken waar sowieso ook veel foto’s en tekeningen in staan.
STRIPS EN ONDERWIJS
In scholen bleven strips lange tijd taboe. Dat ging zelfs zo door aan de “grote school” (de universiteit). Wij citeren uit “Inleiding tot de voornaamste moderne literaturen” van wijlen prof.dr.Alex Bolckmans (Rijksuniversiteit van Gent, 1974):
“Bij de roman horen ook de beeldverhalen (de “comics”) en fotoromans. In een foto- of beeldroman wordt ’t verhaal van een bekende roman in een opeenvolging van gefotografeerde of getekende scènes weergegeven en daaraan wordt een zeer beperkte en eenvoudig gehouden tekst toegevoegd. Oorspronkelijk stond die tekst onder de afbeeldingen; later werd hij in ’t beeld zelf opgenomen. De “comics” zijn getekende reeksen waarin de tekst tot een minimum is herleid en enkel voorkomt in wat de personages zeggen. De woorden worden in cirkels (“balloons”) geplaatst, zodat men ook wel van “blaasverhalen” spreekt. Die “comics”, nog meer dan de fotoromans behoren tot de laagste vormen van de consumptieliteratuur.”
Enige tijd geleden wijdde het Franse tijdschrift « La quinzaine littéraire », een speciale aflevering aan de volksroman en de consumptieliteratuur. Uiteraard werd in het kader hiervan ook het stripverhaal op de snijtafel gelegd, waarbij men tot de bevinding kwam dat zich naast de « klassieke » verslinders van stripverhalen, zijnde kinderen en volwassenen die wel altijd kind zullen blijven, het profiel aftekent van een nieuw soort stripfanaten, dat blijkt samengesteld te zijn uit « intellectuels de pointe, étudiants, lycéens, cadres évolués et affranchis ». Samen met dit nieuwe publiek heeft ook de wereld der academische kritiek het stripverhaal ontdekt, en dit alles tot meerdere wrevel van de gewone stripliefhebber die zich door de hooggeleerde bollebozen eens te meer in het hoekje gedrumd voelt. François Rivière besluit dan ook zijn bijdrage met de bange vraag (nee, zoiets moet men zich echt in ’t Frans afvragen) : « La bande dessinée ne serait-elle pas finalement sortie de son innocence admirable pour entrer brusquement dans le ghetto de la culture ? ». Zelfs aan de Gentse universiteit kon prof.Freddy Decreus in november ’95 een studiedag houden over de ideologie bij Asterix!
VOORGESCHIEDENIS
Vijftien jaar eerder was er al een stripverhaal als cursorische lectuur in de klas verschenen. Een lovenswaardig initiatief dat helaas ietwat mank door de uitgeverij Manteau in het kader van haar “literair project” naar de klassituatie toe werd vertaald.
Inderdaad, het boekje dat de korte strip “Requiem voor een dode zon” bevat, werd uitgegeven op hetzelfde formaat als de andere deeltjes in de reeks “cursorisch lezen”. Dat betekent meteen dat de strip zowat driekwart van zijn waarde verliest omdat hij zo ontzettend verkleind wordt. Een afzonderlijke uitgave ware dus aangeraden.
Toch is het onzin te beweren dat het lezen van stripverhalen het échte lezen in de weg zou staan. Van zodra ik immers met een boek vlot kon omspringen, verdween de nochtans niet onaardige berg stripverhalen van mijn leestafel. Deze prille jeugdliefde is nooit meer heropgeflakkerd.
De voorstanders van strips, die het “nieuwe” medium toch wetenschappelijk willen benaderen, wijten deze afweerreactie aan het nog niet objectief kunnen verwerken van een nieuw gegeven. Om te bewijzen hoe “cultureel” strips wel kunnen zijn, verwijzen zij dan naar de alleroudste rotstekeningen in “Altamira” als “voorlopers” van het genre (20.000 jaar voor Christus!). Is het misschien daarom dat vele striptekenaars teruggrijpen naar de oertijden? (De beste strip in dit genre is mijns inziens “B.C.” Before Christ, vóór Christus, van Hart en Parker, die ooit nog in Humo verscheen).
Al een heel stuk dichter bij huis zijn de “biblioa pauperum” uit de Middeleeuwen. Inderdaad een soort beeldverhalen, uitsluitend met de bedoeling om ook aan ongeletterden enig onderwijs te kunnen verschaffen. Vandaar trouwens dat de onderwerpen bijna steeds uit de Bijbel gehaald werden. Dezelfde functie hadden trouwens de glasramen en kruiswegen in onze kerken.
En wie kent niet “de zoon van Napoleon de Grote” of “de bloedige moord van Nijlen”? Vroeger werden deze volksliederen op kermissen gezongen met als illustratie een soort van stripverhaal in het groot, zodat de mensen (alweer wegens het analfabetisme) gemakkelijker de tekst konden volgen en van buiten leren. Dit laatste was immers noodzakelijk in een tijd waarin men nog niet eens beschikte over platendraaiers of bandopnemers, laat staan iPods en MP3-spelers!
De jongste voorlopers van de strip dan tenslotte waren de politieke spotprenten. Wanneer men een bepaalde hekeling immers niet in één tekening gezegd kreeg, gebruikte men er meerdere na elkaar.
Net als bij de spotprent, is de geboorte van het stripverhaal ten nauwste verbonden met de krantenwereld. Strips verschenen namelijk voor het eerst in Amerikaanse kranten en wel op 18 oktober 1896. Toen verscheen in de New York Journal van William Randolph Hearst “The Yellow Kid” van Richard F.Outcault. Voor velen de allereerste strip. De binding met een krant is daarbij essentieel, want anders is het hek van de dam. Als het enige argument is dat er tekst bij de tekening moet staan, dan komen zelfs de Antwerpse “mannekensbladen” uit de 19de eeuw in aanmerking.
Op die basis treft men ook vaak de naam van de Zwitser Rodolphe Töpffer (1799-1846) als de uitvinder van de “beeldgeschiedenis” aan met “Reizen en avonturen van Meneer Prikkebeen” uit 1858, het oudste stripverhaal in boekvorm (in het Nederlandse taalgebied was dat “De toekomststaat” van ene Korporaal Achilles uit 1891). Maar eigenlijk deden zij toch net hetzelfde als middeleeuwse heiligenlevens of – waarom niet – het tapijt van Bayeux dat de Normandische inval in Engeland “vertelt”.
Anderzijds zijn er ook mensen van overtuigd dat een strip ook een verhaal kan vertellen zónder woorden. En op dat vlak is dan weer het tijdschrift van het Parijse cabaret “Le Chat Noir” (1882-1895) doorslaggevend.
Dat de binding met een krant belangrijk is, wordt bewezen door de strijd om via een bepaalde strip lezers aan te trekken. Zo werd Outcault na amper vier jaar reeds door Joseph Pulitzer binnengehaald bij zijn New York World.
Door het feit dat strips de verkoopcijfers van de kranten sterk in de hoogte bleken te jagen, sprak het bijna vanzelf dat strips in feuilletonvorm zouden verschijnen. Reeds met de publicatie van verhalen van Charles Dickens of Honoré De Balzac (Walter Scott, Mark Twain, Alexandre Dumas, noem maar op) had men vastgesteld dat indien men de nieuwsgierigheid van de lezers kon wekken, men er zeker van kon zijn dat zij trouwe lezers van de krant zouden worden om van de verdere avonturen van hun “helden” op de hoogte te blijven.
Om dezelfde reden werd trouwens ook de “Ronde van Frankrijk” door journalist Henri Desgrange in het leven is geroepen. De stap van de roman- of striphelden naar de helden van de fiets is immers erg klein.
De belangstelling voor de stripfiguurtjes was zo groot dat sommige kranten “bonnen” plaatsten die men moest verzamelen en nadien opsturen om het volledige stripverhaal te krijgen. Ook kon men een volledig stripverhaal krijgen als men een nieuw abonnement nam bijvoorbeeld. Op die manier ontstond in 1911 het stripboek.
SCIENCE-FICTION
7 januari 1929 is een belangrijke datum in de stripgeschiedenis. Op die dag ontstonden in de Verenigde Staten nog twee strips die van groot belang zouden zijn: “Tarzan” van Hal Foster naar het verhaal van Edgar Rice Burroughs en “Buck Rogers in de 25ste eeuw” van Philip Francis Nowlan. Het mag misschien belachelijk in de oren klinken, maar deze twee strips waren belangrijk omdat ze een periode van realisme in de strip inluidden. Tot dan toe waren strips immers uitsluitend komisch, genre “Itchy and Scratchy” zeg maar…
En alsof het een aanduiding was dat het een universeel verschijnsel was, verschijnt slechts drie dagen later de eerste aflevering van “Tintin au Pays des Soviets” in de reactionair-katholieke Brusselse krant “Le XXe siècle”.
Ook Walt Disney is begonnen als striptekenaar, maar hij maakte al gauw van het filmen zijn voornaamste bekommernis, zodat zijn stripverhalen zelf eronder gingen lijden. De productie van de Donald Duckstrip, die vanaf april 1943 verscheen, liet hij dan ook over aan Carl Barks (1901-2000), een medewerker aan de animatiefilms, die de sfeer (en de airconditioning) niet meer zag zitten. Tot september 1965 zou Barks in totaal zo’n 6.300 pagina’s tekenen. Daarna werd zijn taak door een jongere collega overgenomen.
Zo ontstonden na “Tarzan” dus ook de westernstrips, de detectivestrips, de oorlogsstrips en andere. De belangrijkste zou nochtans de science-fictionstrip blijven met exact vijf jaar na het verschijnen van “Buck Rogers” de geboorte van Flash Gordon, het geesteskind van Alex Raymond (overleden in 1956 bij een auto-ongeluk). Flash Gordon verscheen in België tijdens de Tweede Wereldoorlog (in het Nederlands heette hij “Stormer Gordon”!) bij het jeugdblad “Bravo” (300.000 exemplaren), waar ook Edgar P.Jacobs werkte, die daar ongetwijfeld de inspiratie vond voor zijn “Blake & Mortimer”. Als de nazi’s trouwens het verder zetten van de Amerikaanse strip verbieden, tekent Jacobs eigen vervolgen, zonder dat iemand merkt dat het niet langer om de originele strip gaat. Als de nazi’s ook dàt verbieden, tekent hij uiteindelijk een eigen strip, “De U-straal”, waarin de hoofdpersonages reeds de karakteristieken hebben van Blake & Mortimer. Het boek zal uiteindelijk op de redactie van “Kuifje” worden afgewerkt, want vanaf 1944 gaat Jacobs daar aan de slag.
Ondertussen was Hal Foster weggekocht door een andere krant om daar de ridderstrip “Prince Valliant” te tekenen, zodat Burne Hogarth de Tarzanfiguur overnam. Alhoewel Edgar Rice Burroughs zijn voldoening had uitgesproken over de manier waarop Foster zijn geesteskind in beeld bracht, is het toch vooral de stijl van Hogarth die ons “oerbeeld” van Tarzan heeft beïnvloed. Hij maakte er een echte bodybuilder van en plaatste deze in een uitermate barok oerwoud. Dat leverde hem de bijnaam “de Michelangelo van de strip” op, ook omdat hij het strakke kader van de strip doorbrak om tot een meer “filmische” compositie te komen.
Typisch is ook dat we hier steeds spreken in de hij-vorm, want vrouwelijke helden zijn ver te zoeken (Wonder Woman kende maar een heel matig succes). Integendeel, meestal wordt de vrouw belachelijk gemaakt: ze is ofwel veel te dik (Bianca Castafiore, Madame Pheip, Madame Nero) ofwel veel te mager (Olive, Sidonie). Als ze dan toch al eens een belangrijke rol mag spelen, is het meestal nog een kind (Wiske, Petatje) en niet zelden brengen ze bovendien dan nog hun tegenspelers in gevaar (respectievelijk dus Suske en Petoetje) door wat stripauteurs blijkbaar als typisch vrouwelijke ondeugden beschouwen, bijvoorbeeld nieuwsgierigheid, koketteren, koppigheid, kleinzerigheid.
Van 1961 tot 1994 liep in de Gazet van Antwerpen nochtans reeds “Kari Lente” van Bob Mau (1926-2006). Tussen 1965 en 1969 verschenen nochtans slechts twintig albums hiervan bij de Standaard Uitgeverij. Pas enkele jaren vóór de dood van Bob Mau worden de rest van de strips uitgebracht door de vereniging Brabant Strip. Nochtans heeft Kari Lente toch enig historisch belang: ze is bij mijn weten de eerste volwassen stripheldin. Zij was een geëmancipeerde journaliste die samen met haar mannelijke compagnon Bikkel alle misdaden oploste. Het was de bedoeling van Bob Mau om ooit eens een verhaal te tekenen, waarin ze beiden samen in bed gingen, maar hij schoof het steeds voor zich uit, tot het uiteindelijk te laat was.
Maar ondanks dat was Kari Lente de meer bekende Natasja en Yoko Tsuno alleszins met zo’n tien jaar te vlug af, maar vooral in Natasja is de inbreng van het seksuele element dan weer zo groot dat het duidelijk mag zijn dat we te doen hebben met mannen, pas veel later duiken er ook vrouwelijke striptekenaars op. En dan nog: veel levert dat niet op. Ik kan me alleen Erika Raven (Erika De Keukeleire) en Véro(nique) Beauprez (°1961) voor de geest halen.
Dat een strip echter niet per se een vehikel moet zijn voor een reactionaire ideologie, bewijst Roger Leloup met zijn reeks over Yoko Tsuno, een elektronikaspecialiste en dochter van een Japanse vader en een Europese moeder. Interessant is nu dat de ogenschijnlijk zeer “westerse” Yoko in dit verhaal geconfronteerd wordt met haar Japanse achtergronden. Hieruit blijkt ook dat “serieuze” problemen zoals de confrontatie tussen het westerse en het oosterse denken heel goed in een stripverhaal kunnen worden behandeld.
De tekeningen van Roger Leloup bereiken een zeldzame perfectie, waardoor dit album zowel als kijk- dan als leesboek heel wat genoegens verschaft. Eén schaduw wellicht: de zware technologische bagage maakt het scenario wel topzwaar.
DRACULA IN DE STRIP
De Tweede Wereldoorlog bleek helaas nog realistischer dan een stripverhaal en daardoor kende in de jaren veertig de realistische strip een teruggang. De humanitaire tekenaars walgden zo van het oorlogsgeweld dat ze ervan huiverden om de gruwelen nog eens over te doen in hun verhalen, de meer cynische echter deden er nog een schepje bij zodat men van “horror-comics” ging spreken.
Voor zover ons bekend, heeft het wel een hele tijd geduurd vooraleer de vampier uit Transylvania zijn tanden zette in de strip.
Vooral in de Verenigde Staten hebben ook de auteurs van stripverhalen zich op het produceren van griezelverhalen geworpen. Vonden de eersten nog altijd heel wat inspiratie in het werk van literaire voorgangers zoals Edgar Allan Poe, Horace Walpole en Mary Shelley, dan trad algauw een generatie van scenaristen en tekenaars aan, die klassieke sjablonen van het genre op een geheel eigen wijze benaderden. Niet alleen integreerden zij eigentijdse elementen zoals science-fiction, oorlog en fascisme maar ook gaven zij blijk van een heel apart soort humor en gebruikten zij de horror-story vaak als vehikel voor maatschappijkritische terzijdes, waarbij vooral morele kwezelarij en sociale onrechtvaardigheid op de korrel werden genomen.
Dit soort stripverhalen ontwikkelde zich snel in het Amerika van de jaren dertig.
Begin jaren vijftig komen vampieren in de Amerikaanse horror comic books zoals “Tales from the Crypt” of “The Vault of Horror” uit hun graven. Een traditie die in de jaren zestig opnieuw wordt opgepikt door de nieuwe generatie van griezel-comic books Creepy en Eerie. Maar de vampieren-rage breekt in de strip pas goed los tegen de jaren zeventig. In 1969 landt de sexy Vampirella van de planeet Drakulon op aarde. Vampieren krijgen in de Amerikaanse comic books hoe lager hoe meer de status van superheld of superschurk. Spider-Man moet het opnemen tegen Michaël Morbius (die in 1992 titelheld wordt van een nieuwe comic book-serie). In 1972 start de uitgeverij Marvel een nieuwe reeks Tomb of Dracula, het zal algauw haar populairste monster-reeks worden. Er volgen nog talrijke andere strips met vampieren in de hoofdrol.
In de Europese strip, daarentegen, is Dracula vooral het mikpunt van spot: Ribera’s Dracurella (1973), Druillet’s Nosferatu (1979)… De Argentijn Alberto Breccia laat in 1983 Dracula een belachelijke figuur slaan in vergelijking met de wreedheid van Zuid-Amerikaanse dictaturen.
Naast deze éénmalige – veelal grappige – verschijningen, worden recentelijk nieuwe reeksen rond vampiers opgezet: het humoristische Mélusine van Clarke en Gilson of Le Prince de la nuit van Swolfs. In de laatste reeks gaat het er echter tamelijk bloedserieus aan toe.
CULTSTRIPS
Ook in de Japanse manga zijn de vlijmscherpe hoektanden doorgedrongen. Sindsdien genieten de oude (horror)stripverhalen echter opnieuw van een grote populariteit. Zo verscheen in Frankrijk bij de Editions William France onder de titel “Horreur, une anthologie en bandes dessinées” een uitgebreide bloemlezing van auteurs zoals Jack Davis, Al Williamson, Graham Ingels en Johnny Craig die destijds behoorden tot de stal van William C. Gaines, een uitgever die voor het stripverhaal tal van talen­ten wist aan te trekken, waaronder b.v. ook een Ray Bradbury.
Wie echter met spanning zit te wachten op de Nederlandse vertaling van de Japanse cultstrip Akira van Katsuhiro Otomo (°1954, Tokio), wordt niet beloond voor de moeite. De vertaling werd maanden geleden al door de Nederlandse uitgeverij Big Balloon met tromgeroffel aangekondigd maar wordt nu voor onbepaalde tijd uitgesteld. Het 2.432 pagina’s tellende epos wordt gezien als de moeder aller manga’s en is voor velen het absolute startschot van de Japanse stripcultuur. Akira verscheen voor het eerst in Youth Magazine, een blad met een oplage van een miljoen (!) exemplaren. De eerste boekuitgave kwam in 1984 op de markt, vier jaar later veroverde de succesrijke tekenfilm Akira, the movie de wereld en kreeg ook die een cult-status wegens de technologisch hoogstaande animatietechnieken en flitsende camerastandpunten.
Vanaf de jaren zeventig treden vampiers op in verschillende populaire Belgische stripreeksen: Sammy (1978), Jommeke (1980), Rik Ringers (1982), Kiekeboe (1986), Urbanus (1994)…
“Kiekeboe” wordt sinds 1977 gemaakt door Merho (Robert Merhottein), die uit de Vandersteen-studio komt en dat merkt men aan zijn stijl. Merhottein liet zich oorspronkelijk bijstaan door Steve van Bael (Langdorp, 1978), maar toen Dirk Stallaert Nero op zijn eentje niet mocht verder zetten van Marc Sleen, stapte deze over naar Kiekeboe, zodat Van Bael de plaats moest ruimen. Stallaert verdween echter vlug naar “Suske en Wiske”, de rechtstreekse concurrent. Het is immers zo dat “Suske en Wiske” altijd de best verkochte strip in Vlaanderen is geweest, en “wereldwijd” is dit nog altijd het geval, maar in Vlaanderen zelf zijn ze nu voorbijgestoken door Kiekeboe. Aangezien Merho het kalmer aan wilde gaan doen, haalde hij op 1 januari 2006 Thomas Du Caju (°1970) binnen samen met… Steve van Bael.
INVLOED
We zijn nu toch al een tijdje bezig en nog steeds is het woord “kinderen” nog niet gevallen. Inderdaad, gezien de voorgeschiedenis is het vrij duidelijk dat de eerste stripverhalen voor een volwassen publiek bestemd waren (wat echter niet betekent wat Piet Viespeuk nu zit te denken!). Als we de Nederlandse literatuur met het fameuze “Hebban olla vogala” (“alle vogeltjes hebben reeds hun nestje gemaakt, behalve jij en ik”, schreef een monnik in de elfde eeuw, maar men zegt er vergoelijkend bij dat het slechts om zijn pen te proberen was) laten beginnen, dan hebben we meer dan zevenhonderd jaar moeten wachten vooraleer iemand besefte (om het in crue manager-termen uit te drukken) dat de kinderen ook een potentiële markt vormden en dat was dan Hiëronymus Van Alphen met zijn beroemde “pruimenboom”. We kunnen dus stellen dat striptekenaars zelfs tamelijk bij de pinken waren als ze reeds tien jaar later met specifieke strips voor kinderen uitpakten. Dit was dan echter niet in de Verenigde Staten, maar wel in Engeland.
In het begin van de jaren vijftig bereikte de populariteit van strips een hoogtepunt in de VS. Onder impuls van de New-Yorkse psychi­ater Drederic Wertham, die het stripverhaal in zijn gelijkna­mige boek brandmerkte als een “complot tegen minderjarigen” ontketende het weldenkend Amerikaanse establishment echter in 1954 een ware hetze tegen dit nochtans bij uitstek Amerikaan­se medium. Het gevolg was dat de uitge­vers zich onderwierpen aan het gezag en een “Comic Code Autho­rity”, waardoor het stripverhaal als het ware ontmand werd. Een toe­stand die tot een eind in de jaren zestig zou blijven duren.
Ik geloof dat het de Engelse filosoof John Locke was die gezegd heeft dat alles ter wereld met elkaar “verbonden” is, met elkaar iets te maken heeft, wat uiteraard een waarheid als een koe is. Vandaar de onzin van discussies over “heeft sport nu iets met politiek te maken?” en ook over de vraag of strips nu al dan niet invloed uitoefenen op de kinderen. Natuurlijk. Zij het vanzelfsprekend dat die invloed zeer moeilijk meetbaar is. Over de relatie strip-literatuur en strip-geweld hebben we het reeds gehad. Zelfs de “nieuwsgierigheid” van de volwassenen naar de avonturen van hun “held” pikt hierop in, want kinderen identificeren zich nog veel meer met hun idolen. De industrie weet dit maar als te goed en “huurt” stripfiguren om reclame voor hen te maken: bijvoorbeeld “Lucky Luke” voor jeans en tabak; de detectives “Janssen en Janssens” voor sigaren; “Suske en Wiske” en de “Daltons” voor de NMBS; de “Peanuts” voor auto’s; “Guus Flater” voor batterijen… Wat eigenlijk meteen bewijst dat de volwassenen even graag strips verslinden als hun kinderen, of is het soms de bedoeling dat deze laatsten sigaren roken of auto’s kopen?
Terloops hebben we het ook reeds gehad over de seksualiteit in strips die toch op de eerste plaats bedoeld zijn voor kinderen. Uit een discussie met middelbare scholieren bleek (eigenlijk tot mijn verrassing) dat zij de verandering in bijvoorbeeld “De Rode Ridder” niet op prijs stellen, zij het dat zij argumenteerden “in naam van hun kleine broertjes en zusjes” en dat zij ook het overdreven aandeel van het fantastische als argument voor de vermindering van kwaliteit aanduidden. Dit leidde tot een discussie over de evoluties bij andere tekenaars: naar de vorm was dit meestal positief, naar inhoud daarentegen stelde men een verflauwing van de humor in “Nero” vast (vanaf nr.122 “Barbaarse vijgen” uit 1992 kwam daar opnieuw verbetering in met het aantrekken van Dirk Stallaert) en kloeg men het overloze gemoraliseer in de nieuwste “Suske en Wiske” aan. Alleen “Lucky Luke” – over de aard van de verandering, zie aparte tekst – vond genade.
Er bestaan specifiek politieke strips, maar ook “gewone” strips hebben uiteraard een politieke ondergrond omdat de schrijver zelf er natuurlijk ook één heeft. (En als hij er géén heeft, is dat er ook één.) Toch moet men oppassen: zowel Humo (“Marx met een tekeningetje”) als “de stem van de revolutionaire jeugd”, dit is de jeugdafdeling van Amada (“verzet tegen Romeinse overheersing: voorbeeld voor onze strijd”) dachten in “Obelix en Co” van Goscinny een marxistische zienswijze te ontdekken. Ze zullen dan ook wel erg op hun neus gekeken hebben, toen postuum bleek dat Goscinny tijdens de verkiezingen in Frankrijk onder een pseudoniem een anti-communistische strip had getekend ter ondersteuning van Giscard d’Estaing.
Ook Hergé en Walt Disney hebben zich aan anti-communistische propaganda bezondigd in verhalen die als “neutraal” wensen door te gaan. De “slachtoffers” namen echter weerwraak. Enkelen onder hen noemden zich de Situationistische Internationale, die zich voornamelijk tot doel stelde de bestaande stripverhalen te “herschrijven”. Men verving met andere woorden de dialogen in de tekstballonnetjes, zodanig dat het effect juist andersom was. Men deed dit trouwens ook met films, zo was in de jaren zeventig in Parijs een “omgewerkte” kung fu-film een humoristische topattractie. Na verandering van de klankband heette de film immers “hoe de Maoïstische dialectiek bakstenen kan breken”.
BATMAN
Ondertussen was er echter een grote concurrent opgestaan voor Uncle Sam en dat was dan, jawel, onze eigen kleine landje. Het was een zekere Georges Remi, beter gekend als Hergé (1907-1983) die hiervoor de impuls had gegeven. Ik was nog niet geboren, dus kom het mij niet vragen, maar ik veronderstel dat de grote opbloei van de stripindustrie in België enigszins mogelijk werd gemaakt door een achteruitgang in de Verenigde Staten. Toch wordt er in mei 1939 nog een belangrijke stripfiguur geboren: in nummer 27 van het Amerikaanse stripmagazine Detective Comics wordt door een achttienjarige student uit de Bronx, Bob Kane, niemand minder dan Batman gecreëerd. Geïnspireerd door Zorro schept hij een figuur, Bruce Wayne, die als kind getuige is van de zinloze moord op zijn fabelachtig rijke ouders in een duister steegje van Gotham City. Met het geërfde fortuin reist hij de wereld rond om zowel geest als lichaam te vervolmaken. Daarna keert hij terug naar de plaats des onheils om onder de gedaante van een vleermuis het Kwade te bestrijden. Na twintig jaar werd van de strip ook een radio-serie gemaakt en in 1966 was er de tv-serie (met Adam West in de hoofdrol), die ook hier bekend is vooral door de onomatopeeën die in het beeld verschenen (Pow! Bang! Vrrroom!). Alhoewel er met deze cast ook een soort van B-film werd gedraaid, kwam de hype pas echt op gang toen Michael Keaton in 1989 gestalte gaf aan het personage in een echte blockbuster van Tim Burton.
BRAVO!
In Gent is schrijver en journalist Raymond De Kremer (beter bekend als Jean Ray of John Flanders) ervan overtuigd is dat de markt van de jongerenliteratuur nog niet verzadigd is en hij start samen met uitgever Meuwissen in 1936 het Vlaamse jeugdtijdschrift Bravo!. Amerikaanse strips (bijv. Felix de kat, Stormer Gordon…) en bijdragen van Flanders zelf – die hij anoniem of met een waaier van schuilnamen laat verschijnen – vormen de pijlers van het blad. Hij creëert voor Bravo! onder meer De avonturen van Edmund Bell, de zestienjarige detectief. Uit financiële noodzaak tekent Frits Van den Berghe, één van de belangrijke Vlaamse expressionisten, stripverhalen. De beide jeugdvrienden slaan de handen in elkaar en verzorgen vanaf juni 1937 een stripversie van Edmund Bell voor Bravo!, tot Van den Berghe (in september 1938) ernstig ziek wordt en amper een jaar later overlijdt.
Later zal John Flanders nog stripscenario’s leveren voor Renaat Demoen en Anton Herckenrath. In “Het Volk” schrijft hij ook scenario’s voor het stripverhaal “Thomas Pips”, getekend door Leo De Budt (Buth), die vóór de oorlog nog voor “Vooruit” had gewerkt, maar zich tijdens de oorlog had verbrand. Op 7 februari 1946 verscheen de eerste strip, waarvoor Buth nog zelf het scenario had geschreven. Later nam Flanders dus over (want Buth was niet echt een goede scenarist) en hij maakte er een detectivestrip van. Het is dan ook niet zeker dat Flanders ook instond voor de strip “Thomas Pips in de Tour de France”, die vanaf 1947 begon te verschijnen. Hier was het Michel Casteels die voorstelde om een muis, een blikje sardienen en een hemdscol te verbergen in de tekening. Hoofdredacteur Bart Lotigiers (dezelfde als die van de opera) vond het eerst maar niks, maar gaf uiteindelijk toch zijn zegen. Het werd een groot succes. Na de dood van De Kremer deden striptekenaars zijn Harry Dickson en Edmund Bell herleven.
ROBBEDOES
Ondertussen richt René Matthews van Dupuis in 1938 Spirou op, zes maanden later gevolgd door de Vlaamse versie: Robbedoes, genoemd naar een stripverhaal dat in 1938 door Robert Velter werd gecreëerd en dat een hele geschiedenis kende.
Het verhaal van Robbedoes begint in Marcinelle. Jean Dupuis, drukker-uitgever, wil een jeugdblad. Zoon Paul vindt “Spirou” geschikt als naam. Het is Waals voor “eekhoorn” en betekent tegelijkertijd “een dynamische jongen”. Paul Dupuis stapt in 1938 naar de tekenaar Robert Velter, alias Rob-Vel. De Fransman creëert een hoteljongen met knalrood uniform en gouden knopen. Misschien wel omdat hij zelf ooit steward was op een luxeboot.
Een jaar later wordt Rob-Vel gemobiliseerd. Eerst kan echtgenote Davine instaan voor de afwerking van de strip, maar vanaf 1941 ligt Velter gewond aan het front. In 1943 verkopen de Velters hun personage aan uitgeverij Dupuis.
De jonge Joseph Gillain, onder de naam Jijé nu beschouwd als de peetvader van een goed deel van de Europese strip, presenteert in 1939 zijn tekeningen bij Dupuis. Een harde werker en vooral, met rechtstreekse concurrent Hergé, de beste striptekenaar op dat moment. In roerige oorlogstijden wordt hij snel de motor van het blad. Hergé was immers een sympathisant van het extreem-rechtse bewind, net als Jacques Van Melkebeke. Edgar P.Jacobs was ook wel conservatief, maar hij bleef wel uit het vaarwater van de collaboratie (al zal hij wel de wacht optrekken bij Hergé, als die na de bevrijding door het verzet wordt gezocht), net als Jijé die bij concurrent Robbedoes werkt. Diezelfde Jijé voegt in 1943 warhoofd Kwabbernoot, een idee van redacteur Doisy, toe aan de Robbedoes-strip.
Na de oorlog, in 1946, zit Jijé tot over zijn oren in het werk, kan niet heel het blad tekenen en speelt sinterklaas met zijn stripfiguren. De piepjonge Franquin, nog mijlen ver verwijderd van zijn latere status van halfgod, neemt de Robbedoes-strip over. Heel snel maakt Franquin zich Robbedoes eigen en onder zijn “bewind” verschijnt in 1949 het eerste verhaal in boekvorm (“Hommeles in Rommelgem”) met figuren als IJzerlijm, de graaf van Rommelgem, Zwendel en natuurlijk de Marsupilami.
In 1969 is Franquin moe en wil liever werken aan zijn eigen creatie, Guust Flater. De jonge Bretoen Jean-Claude Fournier krijgt de ondankbare taak om hem op te volgen. Hij trekt zich eervol uit de slag, al kan hij niet om de tijdsgeest heen en wordt Robbedoes een beetje een ecologie-rakker (zonder bellboy-pakje).
In 1980 houdt ook Fournier het voor bekeken, maar Dupuis wil het figuurtje toch in leven houden. Er volgt een verwarde periode, waarin twee verschillende teams aan het werk gaan. Broca en Cauvin zijn de officiële opvolgers, maar hun Robbedoes is sfeerloos, leeg, onherkenbaar. Een dieptepunt, zeggen de kenners. Tegelijk tekent de Fransman Yves Chaland in zwart-wit een retro-Robbedoes in de stijl van Jijé. Mooi, maar te nostalgisch en dus niet commercieel. Exit Chaland.
Een jaar later reeds halen twee Franquin-fans, tekenaar Jean Geurts (Janry) en scenarist Philippe Vandevelde (Tome), het laken naar zich toe. De strip herleeft, vooral door de grappige scenario’s. Eind jaren tachtig creëren ze ook de Kleine Robbe, slapstick met een Robbedoes in zijn apenjaren in de hoofdrol. In 1998 gooien ze het echter met het ernstige 46ste album, “Als in een droom”, over een heel andere boeg…
In 2004 verschijnt er dan toch een nieuw verhaal van de “echte” Robbedoes. “Parijs onder de Seine” werd getekend door de Spanjaard José Luis Munuera (°1972) en het scenario werd aangeleverd door de Fransman Jean-David Morvan (°1970).
Ondertussen had de familie Dupuis reeds in 1984 de uitgeverij verkocht aan Albert Frère. Robbedoes verschijnt in een tiental talen en de totale verkochte oplage ligt waarschijnlijk in de buurt van 25 miljoen exemplaren, aldus Jan Bex in de Gazet van Antwerpen van 5/9/1998.
Oorspronkelijk bestond de redactie van Robbedoes uit de zogenaamde “Bende van Vier”: Morris (Lucky Luke), Franquin (Guust Flater), Jijé (Jerry Spring) en Will alias Willy Maltaite (1927-2000), die in 1949 “Baard en Kale” overnam van bedenker Fernand Dineur. In 1952 kwam ook Pierre Culliford (Peyo) deel uitmaken van het team. In 1956 kwam haarkapper Marcel Remacle (1926-1999) er werken als lettertekenaar. Hij zou later de stripfiguren “Zwartbaard de Piraat” en “Ouwe Niek” creëren. Verder was er ook nog Michel Tacq, alias Mitacq (1927-1994), met zijn “Beverpatrouille” en vanaf 1969 krijgt de medewerker van het eerste uur Arthur Piroton (1932-1996) een eigen stripverhaal met de avonturen van FBI-agent Jess Long. Nog een andere belangrijke medewerker was Pol Deliège (1931-2005), die effectief ook uit Luik afkomstig was. Hij is het meest bekend door zijn eigen serie over de bajesklant Jaap, maar hij schreef en tekende ook enkele albums van “De Krobbels” en bedacht ook een aantal scenario’s voor de serie “Snoesje” van zijn collega Macherot.
KUIFJE
Ondertussen had “Robbedoes” in 1946 concurrentie gekregen van “Kuifje”, een weekblad genoemd naar de jonge reporter die in 1929 reeds in het leven was geroepen t.g.v. “Tintin au pays des Soviets”. Andere medewerkers aan het weekblad “Kuifje” waren Tibet (“Chick Bill”, “Rik Ringers”), Mitteï alias de Luikenaar Jean Mariette, 1943-2001 (“Natasha” en achtergronden voor “Rik Ringers”) en… Willy Vandersteen, met de zogenaamde “blauwe reeks” (“Het Spaanse Spook”, “De Gezanten van Mars”, “De Bronzen Sleutel”) vooraleer hij overstapte naar De Standaard (de nogal hautaine Hergé kon hem als typische joviale Antwerpenaar niet uitstaan en wat meer was, hij zag die houding ook vertaald in stripfiguren als Jerommeke en Sidonie). Verder was er ook nog Raymond Macherot (“Chlorophyl”), die na een conflict weliswaar naar “Spirou” overstapte.
En, zoals gezegd, bij “Kuifje” zat ook Edgard Félix Pierre Jacobs (1904-1987), een gewezen zanger bij de Muntschouwburg en de opera van Rijsel, die met zijn “Blake & Mortimer” de eerste SF-strip in België afleverde (na zijn dood verder gezet door scenarist Jean Van Hamme en tekenaar Ted Benoît). Zijn zin voor het detail en de historische juistheid van decor en kledij, gaan nog terug op de tijd dat hij voor de opera ook decor en kostuums ontwierp. Zo ontwierp hij ook de decors van Hergé’s “De scepter van Ottokar”, “De zeven kristallen bollen” en “De zonnetempel”. Maar allicht zal hij het langst herinnerd worden door de galajurk van Bianca Castafiore. Hij is het trouwens die haar de ontsterfelijke beginregels van de juwelenaria uit “Faust” in de mond legde, inclusief de juiste noten in de tekstballon. Na drie jaar loopt de samenwerking echter spaak, als Hergé weigert Jacobs als co-auteur te vermelden. Jacobs zal zich vanaf dan altijd blijven ergeren aan de populariteit van Hergé, ook al omdat b.v. voor de educatieve reeks “Voir et Savoir” hij het voornaamste werk aflevert, terwijl Hergé er enkel een Kuifjesfiguur bij tekent en toch het meeste betaald wordt!
Daarnaast was er ook nog Michel Greg (1931-1999), die vooral bekend werd met “Olivier Blunder” (vanaf 1963). Met een latere generatie kwamen onder andere Eddy Ryssack en Berck (Arthur Berckmans, °1929). Deze laatste werkte eerst voor Lombard en ging toen over naar Spirou, waar hij onder andere “Mulligan” maakte. Nu is hij één der topauteurs van Robbedoes, met “Sammy en de lijfwachten”, op een scenario van Raoul Cauvin (°1934), Ryssack werkt vooral voor het buitenland met zijn “Brammetje Bram”, een scheepsjongen. Zijn afzetgebieden zijn voornamelijk Nederland en Duitsland.
In 1968 begon Cauvin aan zijn reeks “De Blauwbloezen” met toenmalig tekenaar Salverius. Toen deze tijdens het maken van het derde album het leven liet, werd Willy Lambillotte (°1932), gekend van zijn debuutstrip “Sandy en Hoppy”, gevraagd het verhaal af te maken. Later werd hij onder de naam Lambil de vaste tekenaar van de reeks. Een heel andere stripfiguur zag eveneens het licht in 1968: de hond Dommel van Dupa, alias Luc Dupanloup uit Charleroi (1945-2000).
DE STANDAARD
Een derde centrum lag dan bij De Standaard (want zoals je reeds had kunnen vaststellen, zijn er op stripgebied geen problemen op communautair vlak) waar bij “De Standaard der Jeugd” onder redactie van Anton Van Wilderode op 30 maart 1945 Willy Vandersteen (1913-1990) debuteerde.
Elders in dezelfde krant vond men sedert oktober 1944 politieke karikaturen van een zekere Marc Sleen: “Ik was ook journalist. Ik had een perskaart. Die heb ik nog atlijd en ik ben er zeer aan gehecht. Met mijn perskaart ging ik dus op de eerste rij zitten op de processen tegen de kampbewakers van Breendonk. Ik moest dan hun portretten tekenen. Of ik ging naar de Tour om de koppen van de coureurs te tekenen. (…) Nero zou uiteindelijk drie jaar later pas starten (en dan nog onder de benaming “De avonturen van detective Van Zwam”, RDS), omdat de eigenaars van De Standaard tijdens de oorlog – de familie Sap en De Smaele en co – hun oude krantentitel weer opeisten op het moment dat hun publicatieverbod voorbij was. Een ingewikkelde geschiedenis. Zo werd De Nieuwe Standaard De Nieuwe Gids en verhuisden wij van de Jacqmainlaan naar de Zandstraat in Brussel, recht tegenover waar nu het Belgische stripmuseum staat. Dààr is Nero geboren. Omdat Willy Vandersteen met zijn Suske en Wiske voor De Standaard had gekozen, moest De Nieuwe Gids ook een strip hebben. En ik, de huistekenaar, zou daarvoor zorgen. In zekere zin is Nero dus de opvolger van Lambik.”
Later zou Vandersteen op momenten tussen de vier en de zes verschillende reeksen hebben lopen, wat toch wat wil zeggen. Daarvoor richtte hij een “studio” op. Marc Sleen daarentegen zou zich, buiten heel even de Lustige Kapoentjes, tot Nero beperken en weigerde daarom ook consequent om zijn geesteskind af te staan. Nero (ondertussen met pensioen) zal dus met Marc Sleen sterven. De creaties van Willy Vandersteen daarentegen doen meer dan vijftien jaar na zijn dood nog steeds lustig voort.
Nog iemand van de eerste generatie is Renaat Demoen, die voor de Goede Pers te Averbode tekende, doch weerom minder bekend is.
BOB DE MOOR
Dat is ook het geval met Bob De Moor, die nochtans geweldig actief is geweest.
Bob De Moor had samen met zijn schoonbroer een tekenstudio. Artec, waar ze beiden tussen 1945 en 1950 heel wat hebben geproduceerd. Voornamelijk voor plaatselijke kranten, of in beperkte oplagen, dus nu onvindbaar…
In 1950 werd De Moor echter de rechterhand van Hergé en gaf het zelfstandig werken bijna helemaal op. Dat is hem kwaad opgebroken, want in 1983, bij het overlijden van Hergé, mocht hij Kuifje niet verder zetten en stond hij met lege handen. Daarom heeft hij pas op latere leeftijd één van zijn oude verhalen weer opgediept, “Cori de scheepsjongen”, waarmee hij twintig jaar geleden startte. Daar heeft hij nu een tweede album van gemaakt. De Moor stond, wat de “spirit” van zijn verhalen betrof sterk onder de invloed van Vandersteen. Dat laatste vinden we terug in één van zijn oudste strips: “Nonkel Zigomar, Snoe en Snolleke”: het bekende trio, Suske, Wiske en Lambik onder een andere vorm als je wil…
Maar zoals gezegd, als Hergé in 1983 overlijdt, moest deze Antwerpenaar (°20/12/1925) het veld ruimen van de Franstalige erfgenamen. Hij mocht b.v. het Kuifje-verhaal waaraan Hergé aan het werken was (“Kuifje en de alfa-stralen”) niet afwerken (dat werd dan als een collector’s item uitgegeven), alhoewel hij enige tijd later met de postume afwerking van het laatste verhaal van Edgar P.Jacobs (het tweede deel van “Drie formules van Professor Sato”) zou bewijzen dat hij dat uitstekend kon. Bob De Moor had immers een veelbelovende carrière opzij gezet (nadat hij in 1949 op 24-jarige leeftijd een opmerkelijke “Leeuw van Vlaanderen” had getekend, had Hergé hem uit schrik voor concurrentie “opgekocht”) om zich gedurende 35 jaar volledig ten dienste te stellen van het Hergé-bedrijf. Hij kreeg wel de kans om binnen het bedrijf een paar eigen strips te ontwikkelen, zoals “Meester Mus”, “Meneer Barelli”, “Balthazar” en zijn meesterwerk “Cori de scheepsjongen”, waarover hij het ook in het gesprekje met mij over zijn lievelingsjeugdboek heeft. Op 26 augustus 1992 overleed deze sympathieke vader van operazanger Chris en striptekenaar Johan De Moor (“Kwik en Flupke”) op 65-jarige leeftijd. In januari ‘93 verscheen postuum nog een eigen werk: “Alph’art”.
Strips waren ondertussen zo populair dat in 1948 de Nederlandse cultuurminister Rutten zich geroepen voelde om een brief naar alle onderwijsinrichtingen te sturen om strips op school te verbieden. Hij omschreef dit als “boekjes, die een samenhangende reeks reeks tekeningen met een begeleidende tekst bevatten, over het algemeen van een sensationeel gehalte zonder enige waarde”. En zeggen dat er toen in Nederland beroemde stripverhalen als Eric de Noorman, Heer Bommel en Pa Pinkelman bestonden! Dit laatste was een verhaal van Godfried Bomans dat van 1945 tot 1954 liep in De Volkskrant, getekend door Carol Voges (1925-2001), tevens de illustrator van de kinderboekenreeks “Pietje Puk” van Henri Arnoldus. In dezelfde sfeer situeren zich de Historia-chromo’s die in de jaren 50 en 60 verschenen onder de titel ’s Lands Glorie.
Alhoewel in de lage landen de strip echter eerder een Belgische aangelegenheid is, breken maar bitter weinig nieuwe tekenaars-scenaristen door in Vlaanderen. Het probleem is het ontbreken van een echt Vlaams tijdschrift. Er zijn wel enkele stripbladen geweest, tijdens en na de oorlog, maar om verschillende redenen hebben die nooit een lange levensduur gehad. Enkelen daarvan waren “Wonderland”, “Pumpum” en de Vlaamse uitgave van “Bravo”. “Pumpum” (de kleine dwerg uit de verhalen van Eric de Noorman) verscheen gedurende een paar jaren als stripblad, maar zag zijn oplage steeds maar zakken, en daarna werd het een bijlage van “Het Laatste Nieuws”, tot het tenslotte helemaal verdween. Ik kan me niet uitspreken over het waarom van het verdwijnen van die bladen: hadden ze geen grote reeksen, hadden ze niet de goede auteurs, waren er problemen met de distributie? In ieder geval waren de meeste van die bladen maar een kort leven beschoren. Op dit ogenblik is er dus geen écht Vlaams stripblad. “Wham!” is uit Duitsland afkomstig, waar Ryssack als enige Vlaming ons land moet verdedigen. Het tijdschrift verschijnt ook in een Franstalige editie (“Super-As”), en er zijn plannen om het eveneens in Spanje en Italië uit te brengen. Men wil er blijkbaar een groot internationaal blad van maken. Dat is bijzonder fijn, maar ik zag toch liever een blad dat door Vlamingen gemaakt is, met talent van eigen bodem, om deze mensen ook eens aan bod te laten komen. Het moet als tijdschrift natuurlijk ook renderend zijn, wat dan weer andere problemen doet oprijzen. De uitgever moet uiteraard winst maken, zodat hij verder kan uitgeven. De jonge scenaristen en tekenaars moet echter ook een kans gegeven worden het vak te leren. En omdat hen deze kans niet gegeven wordt komen ze nergens aan bod, zodat het hele probleem een vicieuze cirkel wordt. Een beginneling die nu wil starten zou al het peil van een professional moeten hebben wil hij een kans maken, doch dit betekent tien jaar in het métier!
Pom (Jozef Van Hove, °Mortsel 16/11/1919) startte, na zijn gevangenisstraf omdat hij tijdens de oorlog in Berlijn een diploma van radio-ingenieur had behaald, op 10/12/1951 met “De verborgen schat” in het Handelsblad. In 1961 zou een stripverhaal met deze titel in boekvorm verschijnen, maar dat was niet de oorspronkelijke strip. Die werd pas eind ’98 gepubliceerd dankzij de inspanningen van de Culturele Vereniging Spirit in Temse. Toen Pom met zijn strip in 1955 naar de Gazet van Antwerpen ging, kregen Piet en Bert een familienaam: Piet Pienter en Bert Bibber. Hij stopte ermee 45 nummers later in 1995 (“Susan bij de Knobbelgilde”).
HET BEELDVERHAAL GESTRIPT
Artistiek gezien is het stripverhaal als van nature in een stroomversnellling terecht gekomen en dat in een stroom met een wijdvertakte monding. Je hebt b.v. het openbreken van het “kader”. Via de invloed van cinematografische technieken moeten de keurig afgemeten hokjes plaats maken voor split panels en split screens. Ook de traditionele plans (vanaf het middel of met de voeten op de onderste lijn van het panel) worden doorbroken: grote close-ups wisselen af met wijdse panorama’s en soms past de tekenaar in de opeenvolging van zijn prentjes het filmsysteem toe van “travelling” of “zoomen”. De stijl zelf kenmerkt zich enkel door de grote heterogeniteit: van sobere, haast onhandige tekeningen (met vaak “literaire” teksten) tot voluptueuze, wulpse, kleurrijke vormen, die dan weer de schilderkunst erg nabij komen.
Ook que thematiek treedt er een verruiming op. Alle aspecten van het menselijk bestaan zijn door de strip – zoals het een goede kunstvorm past – reeds van bij zijn ontstaan bestreken, maar dan dikwijls onder de toonbank of in geringe oplage. Nu gebeurt het meer openlijk. Geweld bijvoorbeeld is haast steeds een ingrediënt geweest, maar de jongste tijd worden dergelijke strips veel nauwgezetter “realistischer” weergegeven, ongetwijfeld ook al onder de invloed van bepaalde Amerikaanse cineasten (Sam Peckinpah, Arthur Penn, Martin Scorsese…). Erotiek kent dezelfde ontplooiing van de massa’s pulp met afstotelijk geaccentueerde lichaamsdelen tot de verfijnde Bottichelli-achtige schoonheid van de strips van de Italiaan Manara b.v., in andere tijden ooit nog zowaar een maoistisch studentenleider.
En dan is er ook nog het zakelijke aspect. Men heeft het ontstaan meegemaakt van de strip-verzamelwoede, het strip-antiquariaat, de bibliofiele stripuitgaven. De jongste tien jaar heeft het stripverhaal ook een sterke prijsstijging meegemaakt, maar – zo althans op het eerste gezicht gezien – dit heeft niet kunnen beletten dat jong en oud veel en grààg strips leest en ze dan ook koopt.
De gekende recensent van jeugdliteratuur Eric Hulsens heeft over strips een heel eigen mening: “De problemen die ik met strips heb, zijn de volgende. Van oorsprong is het een heel conformistisch medium. Kranten zijn in de Verenigde Staten stripverhalen gaan drukken om hun oplage te verhogen. En dat betekent dat die strips per definitie veel herkenning moesten bieden aan de lezer en niet mochten provoceren. Natuurlijk zijn er ook andere strips die dat dan net niet doen, zoals undergroundstrips. Verder volgen stripbladen ook de morele code van het Europees Verbond van Jeugdtijdschriften en daarin staan zaken als: dat ze de maatschappelijke orde moeten eerbiedigen, dat ze geen afbreuk mogen doen aan het begrip gezin, de instelling van het huwelijk en de eerbied en de liefde voor de ouders, dat ze zich het thema van de seksualiteit, de erotische drang of de ontucht niet ‘ten nutte’ mogen maken… Deze code heeft wel een achtergrond: het is namelijk een soort van zelfverdediging tegen de hetze die tegen strips is gevoerd. Van de andere kant leef ik heel erg in onmin met bibliothecarissen en pedagogen die vinden dat strips minderwaardig zijn. Ik vind dus dat men de strip moet erkennen als een volwaardig medium, maar dat men ermee rekening moet houden dat het overwegend conservatief gebruikt wordt.”
UNDERGROUNDSTRIPS
De Golden Sixties zorgden – en dan zitten we weer vooral in de Verenigde Staten, maar ook in Engeland en Frankrijk – voor een nieuwe verademing, ook in het stripverhaal, na de duistere jaren van de Koude Oorlog. Tolerantie haalde het uiteindelijk op repressie. De eerste “strip voor volwassenen” wordt toegeschreven aan de Fransman Jean-Claude Forest (1930-1998) in 1962 met zijn “Barbarella” in het licht erotische V-Magazine. Vooral onder invloed van de popcultuur, waarbij uiteraard de inbreng van The Beatles ook op grafisch gebied (cfr. hun hoezen en zo) zeer groot was, tekende men meestal swingende, kleurrijke, overdadige strips (bijvoorbeeld Guy Peellaert, een Belg die in Engeland werkte, of de Amerikaan Harry Crumb met zijn “Fritz the Cat”), gekruid met een flinke dosis seks en maatschappijkritiek. Net zoals bij de meer commerciële strips zat er ook hier kaf onder het koren, maar we zullen daar niet nader op in gaan. Alleen willen we erop wijzen dat de atmosfeer toch helemaal anders was dan in de huidige undergroundstrips (bijvoorbeeld Kamagurka en Wolinski van Hara-Kiri), wat zich ook uitte in een verschil van stijl; nu een sobere tekening, grotesk en gewoon in zwart-wit, met een erg zwartgallige humor. Wat niet betekent dat de “optimistische” undergroundstijl dood is, maar het is toch relevant dat één van de “overlevenden”, Ever Meulen, bij Humo nog slechts zelden aan bod komt, in tegenstelling tot de reeds genoemde Kamagurka.
INDELING
Gewoonlijk onderscheidt men drie soorten strips: humoristische strips, avonturenstrips en verhalen met een superheld als hoofdfiguur.
Eigenlijk is dit tegelijkertijd een indeling die min of meer gebaseerd is op de verhouding tot de realiteit: humoristische strips kunnen zowel realistisch als fantastisch zijn; avonturenverhalen proberen zo realistisch mogelijk te zijn en superhelden zijn zonder meer anti-realistisch. De realistische humorstrips deelt men dan nog eens in in familiestrips (bijvoorbeeld “de familie Klepkens”) en in kinderstrips, dit is met kinderen in de hoofdrollen, dikwijls zelfs uitsluitend, zoals bij de zeer populaire “Peanuts”, gecreëerd op 2 oktober 1950 door de Amerikaan Charles Schulz (*).
Guy Mortier: « Ik ben één van de gelukkigen die ‘Peanuts’, naast zoveel ander moois, via Humo hebben leren kennen. Ik vermoed dat het eind jaren vijftig, begin jaren zestig was, want Charles Schulz is ze beginnen te tekenen in 1950, tot exact vijftig jaar later, 12 februari 2000, toen hij stierf en het van de ene op de andere dag gedaan was, wat je in zo’n geval vaak hebt. Maar goed, toen al bracht Humo week na week de beste strips ter wereld, meestal Amerikaanse, met als kroonjuweel ‘Peanuts’. Die kwamen elke week binnen op grote glanzende vellen, Willy Courteaux pikte er de beste uit en vertaalde ze, en de lettering – zeer belangrijk, Charles Schulz deed die ook altijd zelf – gebeurde door één van de tekenaars van Robbedoes, die in hetzelfde gebouw als Humo huisden.
» ‘Peanuts’ is echt een fenomeen. Niet alleen omdat het niveau zoveel decennia lang zo olympisch hoog bleef, maar ook omdat Schulz de strip vijftig jaar lang helemaal alleen bedacht, schreef en tekende, dus élke dag een strip en in het weekend een dubbele, ook toen hij al 84 keer miljardair was, telkens een heel verhaal in vier eenvoudige vakjes. Ogenschijnlijk heel simpel getekend, in weinig lijnen, maar die wel alles zegden, en altijd geestig, slim, wijs en warm, met een groot hart en heel veel mensenkennis.»
» Nagenoeg alle personages zijn geweldig, Lucy, Linus, Schroeder, en natuurlijk Charlie Brown zelf, maar laten we zeggen dat Snoopy, El Flegmatico, er toch nog bovenuit steekt. Aanvankelijk als woordeloze, zij het zeer aanwezige jonge hond, daarna met een rijk eigen gedachteleven dat in de tekstballonnen aanschouwelijk wordt gemaakt, en waarin hij onder meer als onvervaard piloot uit de Eerste Wereldoorlog ten strijde trekt tegen de Duitse ‘ace’ Von Richthofen, alias The Red Baron. Prachtige verhalen.
» (Humo, 30/8/2011)
Een voorbeeld van een kinderstrip waarin toch ook volwassenen optreden is “Dennis the Menace” van Henry (Hank) Ketcham (1920-2001). Ketcham was niet enkel de geestelijke en maar ook de werkelijke vader van Dennis “the menace”, die in Vlaanderen vooral als televisiefeuilleton in the sixties bekend is, maar die eigenlijk begonnen is als stripfiguur. Ketcham was de strip begonnen om de fratsen van zijn eigen zoon Dennis in kaart te brengen. Het werd een wereldwijd succes (de strip verscheen in meer dan duizend dagbladen, verspreid over 48 landen). Met Dennis zelf gaat het overigens niet te best. Nadat hij tien maanden in de Vietnamese oorlog had meegevochten, werd hij met een post-traumatische stress gerepatrieerd, waarvan hij nooit meer is hersteld. Ook van zijn vader is hij sindsdien volledig vervreemd.
De gefantaseerden hebben als hoofdfiguren ofwel groteske personages, niet zeer verschillend van hun ernstige tegenhangers, de superhelden (bijvoorbeeld “Popeye”), ofwel gepersonifieerde dieren (bijvoorbeeld “Donald Duck”) waarvoor onze “Reinaert de vos” wel model zou kunnen gestaan hebben.
In 1951 startte het echtpaar Wilhelm en Carla Hanssen in Denemarken een tekenverhaal rond Rasmus Klump, een beertje met rode broek met witte bolletjes. Het werd een enorm succes met een verspreiding over 25 landen, waarbij ook Vlaanderen. Hier werd het beertje bekend als Pol. Wilhelm stierf in 1992, Carla hield het nog vol tot 2001. Ze was 95 toen ze het loodje moest leggen.
Alle indelingen zijn natuurlijk relatief, zo hoort “Bollie en Billie” (vanaf 1959) van Brusselaar Jean Roba (1930-2006; in 2003 gaf hij de tekenpen door aan Laurent Verron) zowel tot de kinder-, als de familie-, als de dierenstrip.
Bij de avonturenstrips vinden we de science-fictionstrips, waarover we het dus al gehad hebben, de ridderromans (“De rode ridder”), de detectives (“Kuifje” behoort hier dikwijls toe), westerns (“Jerry Spring”, “Blueberry”, “De Blauwbloezen”) en oorlogsstrips (“Buck Danny”). Deze laatste is een goed voorbeeld van de veranderde mentaliteit: gestart in volle koude oorlog bevecht hij eerst ongecompliceerd de communisten in Korea, maar als in Vietnam een belangrijk deel van de bevolking toch is gaan twijfelen aan de heilzame rol van “de bevrijder”, worden Buck Danny’s avonturen in een ongedefinieerd Oost-Aziatisch land gesitueerd.
“De spookkoningin van Ghost Queen” (1978), het veertigste album over Buck Danny, is meteen het laatste geworden. Nog voor het op de markt verscheen overleed tekenaar Victor Hubinon op vrij jonge leeftijd – hij werd pas 55. Samen met zijn vaste scenarist Jean-Michel Charlier produceerde hij dertig jaar lang de beste pilotenstrip van Europa, zoniet van de wereld.
Hubinon was een van de meest prominente leden van de Belgische “realistische” stripschool. Zijn stijl is tot het laatste toe zeer nauw blijven aanleunen bij deze van de film, waardoor het “statische” medium dat het stripverhaal uiteraard is, toch een ongewone dynamiek meekreeg. Daarbij werd zijn tekenpen gevoed door een enorme documentatie. Zo pakte hij op een gegeven ogenblik tot in de details uit met een nieuw type vliegtuig dat in Amerikaanse legerkringen nog maar nauwelijks van het etiket “top secret” was ontdaan.
Jammer genoeg heeft dit buitengewone talent zich steeds ten dienste gesteld van wel zeer kwalijke zaken, zoals koude oorlog, racisme en verheerlijking van het (Amerikaanse) militaire geweld. Hubinon stond hierin overigens niet alleen. Dat heel wat striptekenaars een reactionaire kijk op wereld en leven propageren, is wellicht hieraan te wijten dat het genre eigenlijk ontstaan is in de schaduw van zeer behoudsgezinde kranten en kindertijdschriften.
We moeten wel toegeven dat Prof.Bolckmans gelijk had toen hij stelde dat de strips op dit vlak de “gewone” literatuur achterna huppelen (op die manier biedt “de rode ridder” zelfs aanknopingspunten met onze middeleeuwse ridder-epiek, waar trouwens ook niet het fantastische in ontbreekt en, in de latere dan, ook niet het erotische). Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat, als Dirk De Witte in zijn essay over “sport en literatuur” vaststelt dat vooral de autosport op de literatoren indruk maakt, Michel Vaillant voor een waardig tegenhanger zorgt op stripgebied.
De superhelden tenslotte kent iedereen wel bij naam (“Tarzan”, “Zorro”, “Batman”, “Superman”), maar ik heb de indruk dat buiten de Verenigde Staten (waar men alles nogal groot ziet) de populariteit niet indrukwekkend is (**). Dat belet echter niet dat vele series – om niet te zeggen àlle – “hun” superheld hebben. Eerst en vooral is dit een gevolg van het feuilletonprocédé: de held mag niet sterven. Dit leidt bij de schrijvers soms tot zulkdanige frustraties dat zij soms hun hoofdpersonage beginnen haten. Zij vinden dan enige opluchting door hem – dikwijls symbolisch – eens te “laten” sterven. Morris deed dat bijvoorbeeld in een Frans-Belgische speelfilm (uiteraard niet in een tekenfilm!) met Lucky Luke en buiten het stripgebeuren kennen we allen het verhaal van Agatha Christie die haar “held” Hercule Poirot een miserabele dood liet sterven in een roman, maar deze heel wijselijk (commercieel gezien uiteraard) in een kluis opborg tot na haar dood. Toch nog altijd een beter procédé dan J.R. die springlevend weer uit de douche stapt in “Dallas” of haar grote voorbeeld Arthur Conan Doyle die zijn Sherlock Holmes ook liet sterven, maar er later willens nillens moest op terugkomen.
Het is precies omdat de held niet mag sterven dat de tekenaar hem ofwel een heel sterke kerel als bondgenoot geeft (Jerom, Obelix, Jan Spier) of een vernuftige professor (Adhemar, Barabas, Panoramix), die dan eventueel bijvoorbeeld een drankje kan bereiden om de held (Asterix is daarvan een goed voorbeeld) oersterk of onsterfelijk (dikwijls bij “De rode ridder”) te maken. Bij “Popeye the sailorman” (gecreëerd door Forrest “Bud” Sagendorf, 1915-1994) is dat dan doodgewone, ordinaire spinazie en dat heeft zo’n gevolgen gehad voor de spinazie-industrie dat men in het centrum ervan, namelijk in Crystal City in Texas, in 1937 een standbeeld voor hem heeft opgericht.
Het culturele ghetto en het commerciële
Nu, het culturele ghetto mag dan al erg zijn, het commercièle is het niet minder, zoals moge blijken door de producten die met de regelmaat van een klok door de firma Dupuis worden uitgebracht. Een tekenaar heeft een uitstekende poot, een scenarist een steengoed verhaal en hop ! daar gaat een nieuwe serie van start. En wanneer de kassa rinkelt, dan wil men dat liefst zo houwen, hetgeen wil zeggen dat tekenaars en scenaristen met een successerie moeten doorgaan tot de (artistieke) dood erop volgt. Sommige series — dit alles geldt niet alléén voor Dupuis uiteraard — zijn dan ook weinig meer dan een puinhoop, andere kennen ups en downs en weer anderen — maar die zijn hééi zeldzaam — kennen tot dusver alleen maar ups, zoals Yoko Tsuno biovoorbeeld.
Dit alles als aanloop om jullie te vertellen dat we niet enthousiast zijn over « De Wesp », zijnde de twaalfde aflevering van de mini-mensjes. Pierre Seron is als tekenaar een weinig originele adept van de grote Franquin en wat zijn verhaaltjes betreft, nou, zo gaan er inderdaad twaalf in een dozijn. Een aangename verrassing daarentegen brengen ons de ouwe rakkers Baard en Kale, al was het maar omdat ze niet langer a-seksueel blijken te zijn en dus wel degelijk gevoelig voor vrouwelijk schoon.
Met geestdrift begroeten wij ook stoeipoes Natasha, die in haar achtste album in de Verenigde Staten en in een science-fiction avontuur terecht komt — de decors van Jidéhem zijn fabuleus. Een nog jonge stripheld die vooralsnog alsmaar beter wordt is Dokter Zwitser. Niet dat de verhaaltjes van Wasterlain nu zo adembenemend zijn (hij lijkt me op het randje af een cabotin met zijn Jeanne d’Arc-geschiedenissen), maar als tekenaar creëert hij een sfeer die je alleen maar sprookjesachtig kunt noemen, en dit is in deze sombere tijden geen geringe verdienste.
Over nu naar de herdrukken, die bij Dupuis zowat de specialiteit van het huis zijn. Met trillende vingers gingen wij op zoek naar « Het geheim van de Donkerburcht », zijnde een avontuur van Jan Kordaat dat ons destijds volgens de beste Freudiaanse recepten onthouden werd. Eilaas, tekenaar Paape blijkt nu een hopeloze epigoon van Hubinon te zijn, terwijl het scenario van Charlier voor onze door de jaren verdorven geest ronduit simplistisch is. Waarom herdrukt men niet eens een avontuur van de heel ouwe Kordaat, een avontuur van toen hij nog onder de hoede van Jijé met Jefke stoeide ?
Teleurstellend is ook de herdruk van « Het geval van de juwelen », een avontuur van de detective Felix. Net als Kuifje heeft deze Felix een paar blunderende nevenfiguren die zich in zijn schaduw bewegen, maar helaas, vele gags worden opgezet doch weinigen blijken uitverkoren. Een verademing brengt dan weer Snoesje en haar kleine circus, waarin Macherot naar beproefd recept dieren ten tonele voert om ons een en ander wijs te maken over wat des mensen is — b.v. agressiviteit, arglist en bedrog, maar ook edelmoedigheid en dapperheid.
Al deze kwaliteiten zijn natuurlijk met hopen in ’t Wilde Westen voorradig. Dat zelfs een man als Jijé wel eens een zwak moment had, bewijst “Pancho en de bandiet”, een avontuur van Jerry Spring. En hier hebben we het vanzelfsprekend niet over de tekenaar — de hand van de oude meester heeft nooit gebeefd — maar, eens te meer, over het verhaal. Akkoord, de wild-west thematiek is tot op de draad versleten, maar ligt ook hierin niet de uitdaging ? Dit gezegd zijnde is het waar dat de komische western heel wat meer mogelijkheden biedt, zoals Morris zo schitterend bewezen heeft. Van hem brengt Dupuis het vierde luxe-album, waarin de verhalen “De Blauwvoeten op het oorlogspad”, “De bende van Joss Jamon” en “De neven Dalton” (!).
POPULARITEIT
In het Koninklijk Atheneum van Dendermonde hield ik eind jaren zeventig een beperkte enquête bij de leerlingen, waarbij ik wilde peilen naar de verschillende voorkeuren. Zo o.a. van de jongens tegenover die van de meisjes. En inderdaad: er vielen opmerkelijke verschillen te noteren.
Jongens
1. Asterix 18%
2. De Rode Ridder 16%
3. Michel Vaillant 9%
4. Lucky Luke en
Suske en Wiske 6%
6. Nero 5%.
Meisjes
1. Suske en Wiske 28%
2. Kuifje 15%
3. Jommeke 13%
4. Nero 10%
5. Asterix en
De Rode Ridder 7%
Zoals we onderhand wel weten, bewijzen enquêtes niets, daarom onder alle mogelijk voorbehoud, deze conclusies: dat jongens meer aandacht hebben voor geweld en sensatie (“De Rode Ridder”, “Vaillant”) dan meisjes ligt misschien wel voor de hand, maar dat zij blijkbaar ook meer de fijne woordhumor appreciëren (“Lucky Luke”, “Asterix”) komt wellicht meer als een verrassing over. De meisjes hebben van hun kant blijkbaar veel minder bezwaar tegen zedenlessen dan jongens (“Suske en Wiske” en “Kuifje” zijn beiden berucht om hun moraliserende toon) en stellen ook geen al te hoge eisen aan het peil van het verhaal (“Jommeke” mag beschouwd worden als één der flauwste strips). Maar misschien is de belangrijkste conclusie dat er voor meisjes nauwelijks specifieke strips bestaan en dat zij noodgedwongen die voor een jongenspubliek moeten lezen en dan moeten zij “Bianca Castafiori” of “tante Sidonie” er dan maar voor lief bij nemen…
Als men de stemmen nu samentelt (wat niet het samentellen van de percentages is, want de verhouding was bijna twee jongens voor één meisje), bekomt men het volgende totaal:
1. Asterix en Suske en Wiske 14%
3. De Rode Ridder 13%
4. Kuifje en Nero 7%
6. Michel Vaillant en Jommeke 6%
En ook hier stellen we weer iets opmerkelijks vast. We vroegen namelijk de indrukken van Marc De Decker, in die tijd bibliothecaris bij de stedelijke bibliotheek in Sint-Niklaas, en deze stipte aan dat er toen een Smurfenrage heerste, die hier dus nergens te bespeuren zijn. Gewoonlijk mogen ook “Suske en Wiske”, “Nero” en “Jommeke” zich in een behoorlijke populariteit verheugen, maar het meer fijnzinnige werk als “Asterix” en “Lucky Luke” bijvoorbeeld is op dit ogenblik uit de gratie van het jonge volk. De enige (maar wellicht juiste) verklaring die we voor dit verschil kunnen vinden is dat het stripontlenende publiek jonger is dan de middelbare scholieren die gepolst werden.
ANALYSE
Heel anders ging ik een jaar later te werk in het Vrij Technisch Instituut van Aalst. Hier woog ik zes stripverhalen tegen elkaar af op grond van verschillende criteria. De reeksen waren bepaald door hun populariteit en omdat ze allen in kleur waren (dus weinig of geen vormverschil), de bestudeerde titels echter waren op het goedvallen uitgekozen in de hoop dat ze representatief zouden zijn voor de hele reeks. Het ging hier om:
“De toornige tjiftjaf” (Suske en Wiske)
“De verdwenen Ming” (Nero)
“De blauwe Lotus” (Kuifje)
“In het spoor van de Daltons” (Lucky Luke)
“De smurfin” (De Smurfen)
“Het ijzeren schild” (Asterix).
Eerst en vooral werden de strips op puur materialistische basis vergeleken (want men wilde om zo te zeggen “de beste koop” bepalen): aantal bladzijden, de prijs en dergelijke. Daarna trachtte men op een bijna wetenschappelijke manier de graad van de humor te meten. In werkgroepen las men een stripverhaal (voor de eerste keer uiteraard) en men maakte een aanduiding telkens als men een lachreactie had. Daarna werd het gemiddelde van de werkgroep genomen en dan tegen mekaar afgewogen (voor de belangstellenden: dit onderdeel werd gewonnen door “Nero” voor “Asterix”, “De Smurfen”, “Lucky Luke”, “Kuifje” en “Suske en Wiske”). De andere maatstaven waren natuurlijk niet steeds zo precies meetbaar, men moest dus maar op het resultaat van discussie betrouwen om een rangschikking te bepalen volgens de veelzijdigheid van de behandelende thema’s, de maatschappelijke relevantie, de karakterschetsen, de kwaliteit van de tekeningen, het aangepast zijn aan de beoogde leeftijdsgroep, het voorkomen van geweld en de houding tegenover de meisjes (de bevraagden waren namelijk allemaal jongens). Ook het taalgebruik wilde men onderzoeken maar dit leverde enige moeilijkheden op omdat vier van de zes strips uit het Frans vertaald waren. Men vergeleek dan maar de twee Vlaamse, waarbij Marc Sleen ruimschoots het onderspit moest delven, zijn strips wemelen immers van de dt- en andere fouten! Maar zie! In “Zebra”, het literaire tijdschrift uitgegeven door Manteau, wordt Sleen juist geprezen om z’n “echt Vlaams”, terwijl zij Vandersteen zijn kameleonisme verwijten (denk aan de verandering van “Schalulleke” in “Schanulleke”, van “Sidonie” in “Sidonia”…).
Als men nu deze en nog wat minder belangrijke criteria samentelt, welke rangschikking krijgt men dan?
1. Kuifje en Suske en Wiske 45 punten
3. Nero 47 punten
4. Asterix 64 punten
5. Lucky Luke 67 punten
6. De Smurfen 68 punten.
(Het komt erop aan het minste punten te hebben, aangezien men per onderdeel de top zes heeft opgeteld in de zin van 1 tot en met 6.)
Met andere woorden wanneer we de uitslag die deze jongens na een zo objectief mogelijk onderzoek hebben bekomen, vergelijken met die van Dendermonde dan blijkt dus… dat zij sterk de voorkeur van de meisjes benaderen. Hebben zij het dan bij het rechte eind of deugt dit onderzoek niet? Of was het gewoon toeval en dus te wijten aan dàt specifieke nummer? Allemaal vragen, waarvan we niet moeten wakker liggen.
Misschien is dat nog het grootste voordeel van de huiver die scholen aan de dag leggen ten overstaan van het stripverhaal; laten we de strip uit die academische sfeer weghouden, anders wordt het misschien nog net zoals de poëzie. “We kill to dissect” zei William Wordsworth, we doden om te kunnen ontleden.
In 1995 publiceerden Patrick van Gompel en Ad Hendrickx “Strips aha!”, waarin ze een top tien van de best verkochte Europese strips opnamen. Die zag er dan zo uit:
1.Lucky Luke 270 miljoen verkochte exemplaren;
2.Kuifje en Asterix (190)
4.Bessy (140)
5.Suske en Wiske (130)
6.Jommeke (40)
7.Guust Flater (25)
8.Nero (23)
9.Billie en Bollie en Robbedoes (20)
Op één uitzondering (Asterix) na dus allemaal Belgische strips en dan nog wel netjes communautair verdeeld (vier Franstalige, vijf Vlaamse, alhoewel de in het Frans opgevoede Kortrijkzaan Morris zijn origineel in het Frans schrijft). Toch is er iets merkwaardigs aan dit overzicht, want niet-vertaalde strips als Nero en Jommeke, die zelfs in Nederland niet aanslaan, zouden dus in totaal al beter verkocht hebben dan Robbedoes die in 15 landen werd uitgebracht.
En inderdaad, als begin 2007, dus meer dan tien jaar later er in Het Nieuwsblad een nieuw overzicht staat, dan blijkt Nero plotseling gedaald te zijn tot tien miljoen verkochte exemplaren op 59 jaar tijd (het gaat hier over een totaal van 217 albums). Dat zal dichter bij de waarheid zijn. Voor de volledigheid geef ik ook nog de andere vermelde cijfers:
F.C.De Kampioenen: 3 miljoen op 10 jaar (45 albums);
Kiekeboe: 25 miljoen op 30 jaar (112 albums) en
Suske & Wiske zit ondertussen aan 180 miljoen exemplaren op 61 jaar (226 albums).
Toch is er ook hier weer een merkwaardigheid, want dit kadertje heeft als titel “Kuifje heeft nog veel voorsprong”, maar met 200 miljoen exemplaren op 72 jaar (26 albums) komt Kuifje dus nog bij lange na niet aan de verkoopcijfers van Lucky Luck van tien jaar geleden (de huidige worden niet in dit kadertje vermeld).

Ronny De Schepper
(met veel dank aan Jan Mestdagh)

(*) Door de merchandising heeft men nu de indruk dat dit een heel “schattige” strip is, maar in feite was Schulz een zeer zwartgallig tekenaar. Hij had er ook de pest in dat men buiten zijn weten om de strip “Peanuts” had gedoopt, wat het effect minimaliseerde.
(**) Er is natuurlijk een groot verschil tussen Superman, die van een andere planeet komt en dus letterlijk Super-man is, en de drie andere die wel degelijk menselijk zijn. Dus ook Batman, al gaat dat onderscheid af en toe verloren. Batman werd als strip gecreëerd door Bob Kane (1915-1998) in 1939. De idee van de “masked avenger” haalde hij uiteraard bij Zorro, maar het uiterlijk was vooral gebaseerd op de roman “The bat” van Mary Reinhart, die door Avery Hopwood tot een toneelstuk werd bewerkt. In 1926 was het ook verfilmd, met een sequel in 1930 (“The Bat Whispers”, later, met name in 1959, zou het nogmaals worden verfilmd met Vincent Price in de hoofdrol), en het is vooral hierop dat Kane zich inspireerde. Omdat de strip uitdrukkelijk voor kinderen was bestemd, mochten er geen wapens in worden gebruikt. Daarentegen zaten er een paar merkwaardige erotische ondertonen in het verhaal. Zo was er altijd al de erotische spanning tussen Batman en Catwoman, maar toen Batman zich in 1940 ontfermde over het weeskind Robin, gingen de roddels plotseling een andere richting uit. Wellicht om daar voorgoed komaf mee te maken, liet Kane Catwoman tot inkeer komen en na een gepaste gevangenisstraf treedt ze dan ook in het huwelijk met Batman. Ze krijgen zelfs een dochter!

Selectieve bibliografie
Steef Davidson, Beeldenstorm, de ontwikkeling van de politieke strip 1965-1975, Amsterdam, Van Gennep, 1978.
Guido Eeckhoudt, Het beeldverhaal gestript (gesprek met Daniël Jansens), De Rode Vaan nr.33 van 1979.
Lukas De Vos & Gilbert Van Hoeydonck, De Uitbeelding aan de macht. Analyse van strips, Antwerpen/Amsterdam, Manteau, 1980.
Edgar P.Jacobs, Un opéra de papier (mémoires).
Rik Pareit (red.), Geheimzinnige sterren, over het Belgische stripverhaal, Antwerpen, Dedalus, 1996.
Jan Segers, Een halve eeuw stripverhalen in België, De Voorpost, 23 juni 1978.
M.Sheridan, Comics and Their Creators, 1942.

96-stripconventies

Stripconventies…

Een gedachte over “Gestript, gebonden en genaaid: het babbelende beeldverhaal

  1. Alweer volkomen verbluft door de immense vaardigheid en kennis van de heer Ronny de Schepper [hoezo toch die naam ? hij schept commentaren;-) ] een dank aan hem waarover ik ook iets ga lezen, kunst in allerlei vormen, politiek etcccccc Merci workaholic, en een gemend compliment. we kennen onze klassiekers , 11:30 20-1- zondag

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.