Claude Coppens

De driejaarlijkse Cultuurprijs van de stad Gent werd in 1991 toegekend aan pianist-componist Claude Coppens ter bekroning van zijn artistieke loopbaan en vooral dan juist voor zijn composities die zich niet richten tot “mannetjes met een blauw kostuum“, zoals hij ze zelf noemt. Een geboren Gentenaar is Claude Coppens nochtans niet, aangezien hij op 23 december 1936 ter wereld kwam in Schaarbeek.

Al op heel jonge leeftijd studeerde hij piano aan de muziekconservatoria van Brussel en Parijs. Zijn virtuositeit op dit instrument kende een eerste bekroning in 1956, toen hij 8ste laureaat werd van de Elisabethwedstrijd. Eigenlijk is het nu vrij ongelooflijk dat hij daaraan ooit heeft deelgenomen. In De Gentenaar van 4/10/1991 vertelt hij aan Laurens De Keyzer hoe dat kwam: “Ik was toen op een dag in New York, ergens in de jaren vijftig. Daar komt zo een concertmanager bij mij, met een dikke directory onder zijn arm. Zegt die tegen mij, kijk meneer de pianist, in deze directory staan alle namen en adressen van pianisten die leven in New York. Hij sprak over groot New York, daar woonden toen zo’n tien miljoen mensen. Weet u hoeveel pianisten er in dat telefoonboek stonden? Dertigduizend… Dan kunt ge kiezen: u ophangen of u in de competitie storten.
Op de wereldtentoonstelling van 1958 ontmoet hij Xenakis, Berio, Boulez en Kagel. Coppens: “Ik geef les aan het Gentse conservatorium vanaf 1962. Natuurlijk probeerde ik mijn ontdekkingen aan de studenten mee te geven. Ik besefte niet dat er tegelijkertijd heel wat tegenkanting groeide. Vijftien jaar later werd mij verteld dat er collega’s een petitie rond lieten gaan om me te ontslaan, want ik propageerde Entartete Kunst. Nu beseffen we niet meer hoe scherp het er toeging in de jaren zestig. Het is niet voor niets dat mei ’68 plaats gehad heeft. We gingen de wereld veranderen. We hebben ze (sic) niet veranderd, maar er is wel iets veranderd. Toen waren er taboes. Nu kunnen we over alles spreken. Hoewel ik vrees dat er weer taboes opkomen de laatste tijden.” (tegen Frank Pauwels in “De Gentenaar” van 19/12/1996)
Nadat hij in 1960 het diploma van doctor in de rechten had behaald aan de VUB, vestigde hij zich in Gent, waar hij sedert 1969 piano doceert aan het plaatselijke muziekconservatorium. Daarnaast werd Claude Coppens vooral beroemd als componist van “seriële muziek”, na een atonaal en dodekafonisch debuut. Toch beperkt hij zich niet louter tot dit genre: de Oosterse muziek en composities met behulp van elektronische apparatuur en computers zijn hem evenmin vreemd. Het huldeconcert dat op de prijsuitreiking volgde, werd opgeluisterd door Luc Vaes, een oudleerling van Claude Coppens die nu in de Verenigde Staten woont.
De stad Gent had overigens nog een huldeconcert in petto, maar dan met Claude Coppens zelf aan de piano, waarop hij werk vertolkte van Franse componisten, met name Ibert, Ravel, Debussy en Roussel. Op 28 januari 1995 creëerde hij ook “Per C”, een avondvullend pianowerk van Boudewijn Buckinx. Het merkwaardige van dit stuk is dat het is tot stand gekomen in opdracht van een plaatselijke maecenas, de Gentse etspersconstructeur Filemon “Per C” Leybaert, die uiteraard eveneens aanwezig was op deze wereldpremière.
Op 10 maart vonden we Claude Coppens nogmaals terug in de Gele Zaal waar hij werk vertolkte van Galina Ustvolskaya, van John Cage, van hemzelf en ook nog van een andere Gentenaar, Geert Logghe. Daarna vertolkte hij een heel weekend lang in de Rode Pomp het complete oeuvre voor piano solo van Erik Satie. Van de 70 werken werden er nu 29 uitgebracht op een anthologie, die door de liefhebber naar waarde zal worden geschat. Het is een eigenzinnige keuze geworden, want ook de cabaret-artiest Satie werd niet vergeten. Zo werd b.v. ook de wals “Je te veux”, zo’n beetje de “Whiter shade of pale” van de eeuwwisseling, opgenomen.
In de Rode Pomp bevindt zich een reusachtige Bösendorfer, een prachtig instrument dat zich echter niet leent voor eender welke muziek. Integer musicus als hij is, zag ook Claude Coppens dit in en hij vertolkt het werk van Satie dan ook op een Erard uit 1894, geleverd uit de collectie van de familie Maene. Dit instrument, waarmee we ook al bij optredens van Jos van Immerseel konden kennismaken, is veel beter geschikt om de nu eens ingetogen, dan weer humoristische (de “postmoderne” citaten in “Espanana”, het slot van de “Podophthalma” enz.), maar altijd intimistische sfeer van de werken van Satie weer te geven.
Over Coppens zelf hoeven we het niet te hebben. Wie nog altijd behoefte heeft aan de vermelding dat hij laureaat was van de Elisabethwedstrijd van 1956, heeft daarmee wel een graadmeter voor het talent van deze Gentse pianist, maar gaat ondertussen voorbij aan de grote muzikaliteit en de tedere eigenzinnigheid van de componist-pedagoog, die in Gent als de peetvader van de nieuwe generatie mag doorgaan. In een jaar dat de grote Antwerpse dadaïst Paul van Ostayen wordt herdacht, is het passend en rechtvaardig dat zijn Parijse muzikale geestesgenoot met een dergelijk eerbetoon wordt gehuldigd. (Onuitstaanbaar is wel de cinemamuziek die Satie schreef voor het filmpje van René Clair dat tijdens de “Ent’Acte” van het ballet “Relâche” werd vertoond.)
Claude Coppens had als jurist ook bedenkingen in de Adviesraad voor Muziek bij de Engelstalige contracten van Megadisc. Niet alleen wegens het taalgebruik (waarvoor hij uiteraard wordt bijgevallen door de administratie), maar ook voor de bepaling dat men zich tot eender welke rechtbank in het buitenland kan wenden. Op die manier gaan de meesten naar Denemarken, zegt Claude, waar de uitgevers meestal in het gelijk worden gesteld, in het nadeel van de artiesten. En hij verwijst hierbij zowaar naar Simply Red, die hij weliswaar The Simple Reds noemde, maar wie had dat nu ooit van onze Clo-Clo gedacht!
Toch heeft hij zijn laatste woord nog niet gezegd. Of wat dacht u van deze uitsmijter? “In popmuziek steekt inderdaad voor wel negenennegentig procent afval, dat is waar, omdat ze nog meer dan andere muziek door de regels van ons economisch milieu gedicteerd wordt. Maar daarnaast is Zappa veel beter dan tachtig procent van onze ernstige componisten, onze papier-componisten, van wier werk alleen gezegd kan worden: ’t is goed geschreven. Maar dat is geen compliment. (…) Geef mij maar Monty Python of Kamagurka, dat gaat veel verder dan alle au sérieux van de wereld samen. Relativiteit, daar zit de sleutel.” (De Gentenaar van 4/10/1991)

Referentie
Ronny De Schepper, Claude Coppens opent, Het Laatste Nieuws, 27 september 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s