De geboorte van het theater

Volgens de Gazet van Antwerpen is het vandaag exact 2545 jaar geleden dat het theater wordt geboren. Volgens de Griekse geschiedschrijving (vooral Aristoteles) was ene Thespis van Icaria de allereerste acteur die op een podium een rol speelde in een toneelstuk. Volgens Aristoteles zong koorleider Thespis vooral dithyramben (in het Oude Griekenland een extatische lofzang op Dionysos, de god van de wijn en de vruchtbaarheid). Hij zorgde dus voor een vertoning en werd gezien als de eerste acteur ofwel de protagonist of hypocritès.

Het ontstaan van de Griekse tragedie is terug te voeren op de Gouden Eeuw van Athene, wanneer Griekenland (na de slag van Marathon in 490 en die van Salamis in 480 voor Christus) haar onafhankelijkheid tegenover het buitenland heeft veilig gesteld en Athene via het handelsverdrag van de Delisch-Attische zeebond haar suprematie ten overstaan van de andere stadsstaten heeft bevestigd. Men spreekt dan ook van de wieg van de democratie (zij het enkel voor de “politai”, de burgers), maar in feite is er nog altijd een alleenheerschappij van Perikles (460-428). Er heerst wel een grote welvaart, wat zich o.m. uit in de bouw van de Akropolis door Fidias. En naast de wijsbegeerte en de wiskunde bloeit ook de geschiedschrijving met Thucydides en Herodotos. Van nog vroeger dateren het epos (Homeros, 800 voor Christus) en de lyriek (Sappho, 7de-6de eeuw voor Chr., en de “Olympische oden” van Pindaros, einde 6de, begin 5de eeuw).
De Griekse tragedie is ontstaan uit de Dionysos-cultus (de komedie daarentegen uit de vruchtbaarheidscultus van Demeter; volgens Eric Bentley ontleent de mens zijn tragische of komische situatie immers aan het feit dat hij ergens zweeft “tussen god en dier”). De theatrale tegenhanger van de Olympische Spelen was dan ook het jaarlijkse Festival van Dionysos, ingesteld door de tiran Peisistratos in het midden van de zesde eeuw, waarvan we de uitslag nog kennen van de zogenaamde “didaskalieën” (op steen). Ten tijde van Peisistratos werd er enkel een feestlied (dithyrambe) naar één van de Dionysische sagen uitgevoerd door een koor, waarbij de koorleider (de koryfee) soms als solist optrad. In 534 voegde de dichter Thespis een personage toe (de hypokriet) die met het koor of met de koryfee zou kunnen dialogeren. Op die manier wordt lyriek tot drama.
Net zoals bij de Spelen werden er telkens drie prijzen uitgereikt, maar het verschil was wel dat er hier ook maar drie deelnemers waren. Zij waren aangeduid door de belangrijkste archoon en kregen elk een dag volledig tot hun beschikking. Daarop moesten zij drie tragedies (eventueel een trilogie), één saterspel en één of twee komedies brengen, die telkens een goed uur duurden en waarvoor ze ook de muziek (die verloren is gegaan) moesten komponeren. Hierover is niet veel bekend, alleen dat ze eenstemmig was (de instrumentale begeleiding volgde m.a.w. de gezongen melodie).
De klassieke Griekse tragedie begint met een prologos, die niet noodzakelijk een monoloog hoeft te zijn. Daarna volgt de parados, een lied van het binnenkomende koor. Daarna volgen drie tot zes epeisodia (bedrijven), telkens onderbroken door stasima (koorliederen). En tenslotte is er de exodos, een slotbedrijf dat volledig op zichzelf staat en dat dus naast dialoog, ook een kommos (treurlied, waarbij men zich ten teken van rouw op de borst klopt) en de zogenaamde slotanapesten (kort-kort-lang) horen. Binnen de epeisodia komen ook steeds een paar traditionele scènes terug. Zo b.v. de agoon (twee antithetische toespraken), de stichomythie (een levendige dialoog met telkens één vers per personage) en het verhaal van een bode. De hoofdacteur werd de protagonistès genoemd en zijn tegenspeler de antagonistès. De tritagonistès speelde meestal verschillende rollen. De acteurs droegen lange slepende gewaden met rijke versieringen. Ze werden opgevuld met borst- en buikkussens, droegen kothurnen (nu zou men zeggen: plateauschoenen) en grote maskers. Ze werden dus “uitvergroot”, enerzijds omdat ze “grote helden” voorstelden, anderzijds ook omdat men door de bouw van de theaters op hen neerkeek. Maar van mimiek of veel dynamiek kon er uiteraard geen sprake zijn. De nadruk kwam dus te liggen op de tekst. De gebruikte taal daarbij was het Attisch en men gebruikte jambische trimeters (wat dicht bij de omgangstaal staat). Het koor gebruikte echter het Dorisch en een veel gevarieerder metrum (b.v. anapesten).
Het koor was gemengd, in tegenstelling tot de hoofdrolspelers die uitsluitend mannen waren, en telde twaalf tot vijftien leden. Als vertegenwoordiger van de burgers vertolkt het “de gangbare opinie”.
Uiteraard zijn moderne theatertermen terug te voeren op Griekse toestanden, maar ze hebben wel lichte betekeniswijzigingen ondergaan. Zo b.v. het woord theatron zelf al: dat waren oorspronkelijk de plaatsen voor de toeschouwers, terwijl het koor in het midden in het zogenaamde orchèstra evolueerde. De skènè waren immers de kleedkamers, die tevens de wand vormden voor het dekor. Daar dit meestal een paleis voorstelde, was er in het midden een deur. Daarvoor speelden dan de hoofdacteurs, m.a.w. op het proskènion. Bovenop de skènè werd er door de goden gespeeld. Dat werd dan het theologeion. Om die “god” daarop te plaatsen had men een mèchanè, een machina, een katrol nodig. Omdat de goden vaak voor de ontknoping moesten zorgen, vooral in situaties waar mensen op eigen kracht niet meer zou uitgeraken, krijgen we zo de uitdrukking deus ex machina. Daarnaast was er ook nog de ekkuklèma, een soort van draaischijf waarop men iemand toonde die in het paleis werd gedood.
Er was geen leeftijdsgrens. Zo werd Aristofanes reeds geselecteerd toen hij amper zeventien was en deed Sofokles nog mee toen hij reeds negentig was geworden. Voor de eigenlijke opvoeringen werden drie choregen aangesteld (het lot bepaalde welke choreeg voor welke auteur): “producers” die de acteurs, de hypodidaskalos (de regisseur), een fluitspeler en zelfs de toneelrekwisieten selecteerden. Wat de acteurs betreft, eigenlijk werd er per stuk maar één geselecteerd en die koos dan zelf zijn twee tegenspelers (die speelden verschillende rollen door diverse maskers te gebruiken en hun stemmen te veranderen). Vanaf 450 voor Christus werd er trouwens ook een speciale prijs uitgereikt aan de beste acteur. Van dan af speelt elke acteur ook in één van de stukken van alle drie de auteurs. Er werd ook een onderscheid gemaakt tussen komische en tragische acteurs. Typisch is dat van dan af de nadruk veel meer op de acteurs i.p.v. op de auteurs kwam te liggen. Typisch, zeg ik, omdat we hetzelfde b.v. vaststellen in het Engeland van na Shakespeare. Succesrijke acteurs weigerden ook onpopulaire rollen te spelen. Ene Theodorus van zijn kant wilde per se altijd vrouwenrollen spelen en hij moest ook altijd als eerste opkomen. Sommige acteurs profileerden zich dan weer eerder als goede zangers. Maar hoe dan ook, zelfs in de meest klassieke periode maakte men geen gebruik van koturnen of opgevulde kostuums, zodat het toneelbeeld veel beweeglijker was dan wij ons dat gewoonlijk voorstellen.
Om dit alles te betalen werden ook drie sponsors aangeduid, d.w.z. dat er een uitzonderlijke belasting werd opgelegd aan de drie rijksten. Soms boden zich echter vrijwilligers aan die deze sponsoring dan aanwenden als verkiezingspropaganda. Dit heeft geduurd tot 318 voor Christus. Een zeer zware economische regressie zorgde toen voor een vlucht uit Athene. Daarom nam van toen af de stad zelf de organisatiekosten van alle drie de dagen op zich, waardoor het concurrentieaspect wel afnam natuurlijk. De auteur is overigens altijd betaald geweest door de gemeenschap.
Deze zogenaamde Grote Dionysiën hadden plaats in maart en lokten ook zeer veel vreemdelingen. Het godsdienstige karakter werd beklemtoond door een processie, de pro-agoon in het Odeon waar auteurs, acteurs enz. aan het publiek werden voorgesteld en het brengen van offers. Pas daarna startte de eerste opvoering, d.w.z. onmiddellijk na zonsopgang. Om een goede plaats te hebben, kwamen vele mensen reeds de vorige avond afgezakt.
De landelijke Dionysiën daarentegen hadden een maand eerder plaats en niet in Athene zelf, zoals de naam reeds aangeeft. Hier werden ook soms vroegere successtukken heropgevoerd. In januari had dan het kleinschalige Lenaia-festival plaats, waarop geen vreemdelingen aanwezig mochten zijn (de scheepvaart lag toch stil), zodat hier ook stukken werden gebracht met autokritische inslag.
Plato hield niet van het theater. Hij vond tragedies eigenlijk maar bedrog en verweet de jury te zeer in te spelen op de smaak van het publiek, wat eigenlijk normaal was, want de jury bestond uit doorsneeburgers. Dat waren er twintig per file, dus tweehonderd in totaal. Dit grote aantal was bedoeld om omkoperij te vermijden. Vlak voor het begin van de wedstrijd werd dan één man per file uitgeloot en die werden afgezonderd van de buitenwereld. Na de wedstrijd maakten die dan elk hun top drie, waarna er vijf werden uitgeloot en de vijf andere stembiljetten onmiddellijk werden vernietigd. Ondanks al die voorzorgen slaagde Alkibiades er b.v. toch in de jury te intimideren. En ook was het niet altijd de beste die won. Het befaamde “Koning Oedipus” van Sofokles b.v. heeft niet gewonnen. Toch is hij (ook al wegens zijn hoge leeftijd) de succesrijkste auteur. Niet minder dan 24 keer op 30 deelnames heeft hij gewonnen en van de zes keren dat hij niet heeft gewonnen, was hij nooit derde (de enige “vernederende” plaats). Hij was uiteindelijk zo populair dat hij zelfs tot strateeg werd benoemd. Ter vergelijking: Aischylos won dertien keer de lauwerkrans (letterlijk) en Euripides zelfs slechts vier keer, waarvan dan nog twee keer postuum. Deze laatste was dan ook de meest gecontesteerde vooral omwille van zijn gewaagde onderwerpen (b.v. het Putifar-motief, d.i. een stiefmoeder die verliefd wordt op haar stiefzoon) en zijn kritiek op de Atheense politiek (ook al was hij wel anti-Sparta). Hij was bij leven en welzijn dan ook niet erg geliefd bij zijn medeburgers, zodat collega’s zoals Aristofanes in hun werk wel eens de spot met hem dreven. Hij was wel geliefd bij de Macedonische vorsten Philippos en zijn zoon Alexander, die dol waren op treurspelen. Zo werd Euripides bij hen aan het hof uitgenodigd. Na zijn dood (verscheurd door honden?) weigerden ze zelfs zijn gebeente af te staan aan de Atheners. Deze richtten daarom een cenotaaf (grafmonument) op, want dankzij zijn jongste zoon, die een aantal van zijn spelen opnieuw liet opvoeren, werd hij postuum toch nog één van de populairste Griekse auteurs. Euripides is ook de eerste mens van wie bekend is dat hij een bibliotheek had…
Het publiek had immers wel inspraak, zowaar zelfs via de volksvergadering na iedere opvoering. Zo b.v. Demosthenes, toen hij tijdens een voorstelling een oorveeg had gekregen van een toeschouwer. In de volksvergadering was zijn voornaamste tegenstander, Aisthines, trouwens een ex-toneelspeler. Uiteindelijk zou Demosthenes worden verraden door een acteur, die daarna zelfmoord pleegde.
Kinderen en vrouwen waren wel toegelaten, maar ze werden gescheiden gehouden van de mannen en het werd niet echt aangemoedigd, de eersten “omdat ze zouden kunnen sterven van de schrik” en de laatsten omdat ze (om dezelfde reden) een miskraam zouden kunnen hebben… Ook de sociale klassen werden apart gehouden, al dient gezegd dat de toegang oorspronkelijk volledig gratis was, meer zelfs: rijke choregen lieten gratis wijn en gebak bedelen (al is het niet zeker dat dit voor de armsten bedoeld was). Later, toen de kosten de pan begonnen uit te swingen, bedroeg de toegang twee obolen, zijnde een derde van het dagsalaris van een ongeschoolde arbeider. De armsten konden zich dit echter niet veroorloven en daarom paste de staat dit bedrag in hun geval bij!
Bijval werd toen reeds geuit door “bis” te roepen, afkeuring echter werd getoond door met de hielen tegen de zetels te schoppen. En ook wel door met fruit en andere attributen te gooien, zodanig zelfs dat de argoon soms de vertoning moest laten stopzetten. Zo werd in 494 de minder bekende auteur Frynichos beboet omdat zijn relaas van de val van Milete (stad in Klein-Azië die op steun van Athene rekende maar hem niet kreeg) iedereen tot tranens toe bewoog. Dergelijk inspelen op de actualiteit was echter niet gebruikelijk, al deed ook b.v. Aischylos het soms wel eens. Meestal ontleende men de gegevens echter aan oude Trojaanse of Thebaanse heldensagen (Oedipus, Antigone). Als totaal verzonnen stuk is er maar één bekend: Aristofanes die zijn kritiek op treurspeldichters verwerkte in een eigen stuk (“De kikkers”).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s