Amerikaanse volksmuziek

Als men spreekt over Amerikaanse volksmuziek, dan denkt men natuurlijk in de eerste plaats aan country and western. Of wie de voorkeur geeft aan de muziek van de zwarte Amerikanen, die zal natuurlijk met blues komen aandraven. Maar dé volksmuziek van Amerika zou natuurlijk de muziek van de indianen moeten zijn. Maar hoe grondig de Noord-Amerikaanse indianen wel “geciviliseerd” zijn – lees vooral: uitgemoord – blijkt uit het feit dat er in de Verenigde Staten haast niets overblijft van hun muziek.



Dat in tegenstelling tot Zuid-Amerika waar nog verschillende Indiaanse culturen, dus ook muziekstijlen, zijn overgebleven. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Peru, niet toevallig het land van de Inca’s. En wat Mexico betreft doet het me ontzettend veel plezier om te kunnen zeggen dat een aantal Vlaamse lekebroeders (met name Jan Dekkers, Jan Auwera en vooral Pieter van der Moeren alias Pedro de Gante) hierbij een belangrijke rol hebben gespeeld. Akkoord, hun bekommernis gold niet op de eerste plaats de bestaande cultuur, maar het aanleren van de West-Europese religieuze muziek, maar om de indianen gewoon maar toe te laten hiertoe te kùnnen komen, hebben ze er toch toe bijgedragen dat de meedogenloze uitroeiing zoveel mogelijk werd gestopt.
De Noord-Amerikanen echter hebben de ethnische muziek van de Indianen steeds genegeerd. Ook nu nog krijgt die muziek enkel “wetenschappelijke” aandacht, commercieel heeft men er nooit iets van gezien. Enkele Indianen hebben zich via grote toegevingen op een bepaald moment wél een plaats in de hitparade veroverd (Link Wray, Redbone), maar meestal moest de “ontdekking” via Engeland gaan (Buffy Sainte-Marie bijvoorbeeld dankt haar doorbraak aan Donovan met zijn “Universal soldier”, waarna ook haar “Until it’s time for you to go” vooral in cover-versies succes had), waar – ongetwijfeld onder invloed van een romantische vlucht in het primitivisme – sinds het begin van de jaren zestig steeds muzikanten belangstelling hebben gehad voor de oer-ritmen van de Indianen. Gegniffel omdat het hier onder andere The Shadows (Apache), Fleetwood Mac (Ramblin’ Pony) en Mike Oldfield (Incantations) betreft, is volstrekt uit den boze (*).
Maar de bekendste indiaanse artiesten zijn dus Link Wray, Buffy Sainte-Marie en Redbone (**). Deze laatste groep, die eigenlijk “halfbloed” betekent, had een tiental jaren geleden een groot succes met het nummer “We were all wounded at Wounded Knee” (“We werden allen gewond bij Wounded Knee“), dat in ons land echter niet mocht worden uitgebracht (in diezelfde periode werd ook “Turks Fruit” in beslag genomen, men kan zich met recht en rede afvragen in wat voor land we toen leefden? In de CVP-staat, zeker?). Wounded Knee is een plaatsje in de VSA waar de laatste grote opstand van de indianen heeft plaatsgehad, het is ook bekend door het boek van Dee Brown “Begraaf mijn hart bij Wounded Knee”. Men verweet Redbone toen het indiaanse probleem te gebruiken om veel geld te verdienen. Toch is de groep echt geëngageerd in de strijd voor de verbetering van de levensomstandigheden van de indianen. In de tijd van de opstand van Wounded Knee bijvoorbeeld, traden zij op met de bedoeling geld te vergaren om wapens te kopen! Ook muzikaal hielden zij het indiaanse erfgoed levendig, zoals men o.m. kan horen in “Niji trance”.
Geregeld werden er door de “American Indians Tribal Organisation”, een organisatie die de belangen van de Indianen behartigt, benefietshows georganiseerd, waaraan vele andere country-artiesten, onder andere Johnny Cash, June Carter, Roger Miller en Ray Price, belangeloos meewerkten. Niet toevallig omdat ze ook indianenbloed in hun aderen hadden waarschijnlijk. Ondertussen zijn zij echter bijna allemaal overleden.
Toch spreekt het vanzelf dat de zogenaamde “beschavers” oorspronkelijk gewoon hun muziek van het vasteland importeerden. De Ieren, de Engelsen en de Schotten waren het best vertegenwoordigd en muzikaal kan men dat ook heel duidelijk horen. Maar er waren natuurlijk ook Fransen, Spanjaarden, Duitsers en Oostenrijkers, Italianen, ja zelfs Vlamingen. Ook die hebben allemaal hun steentje bijgedragen tot het tot stand komen van een nieuwe Amerikaanse volksmuziek.
De Amerikaanse dirigent Michael Tilson Thomas is afkomstig uit de theater- en amusementswereld. Tegen Lukas Huybrechts in “Knack” van 8/5/1996 verklaarde hij: “Toen ik één van de Charles Ives-symfonieën deed in de Verenigde Staten, met al zijn citaten uit de volksmuziek, hymnen en ragtime, toen ontdekte ik dat bijna geen enkele van de orkestleden nog dat repertoire kende. Terwijl die muziek in de tijd van Ives de mooiste melodieën waren. Het zijn jonge Amerikanen van midden in de twintig. Ik moest toen een soort klas oprichten om hen al die oude liedjes te leren zingen. Het fenomeen doet zich voor over de hele wereld. Door de muzikale cultuur van nu kennen de jonge mensen geen volksmuziek meer. Ze kennen alleen de top veertig en ook de stukken die keer op keer worden herhaald.” (***)
In de Verenigde Staten leven ook veel mensen van het zuidelijke type in ellendige omstandigheden, zoals Portoricanen en Mexicanen. Wellicht juist daarom hebben zij een belangrijke bijdrage geleverd tot de Amerikaanse protestmuziek. Zelfs Leonard Bernstein heeft deze problematiek uitstekend verwerkt in zijn musical “West Side Story”, vooral dan in het cynische lied “I like to be in America”.
Dit laatste werd in het begin van de jaren zestig tot een wereldhit gemaakt in de versie van Trini Lopez, een Hispano-Amerikaan die op die manier ook Pete Seeger (met “If I had a hammer”) en Woody Guthrie (met “This land is your land”) nog een behoorlijk pensioen heeft bezorgd. Ook Arlo Guthrie, de zoon van Woody, zingt over Mexicanen die de grens over willen om in Amerika een beter bestaan op te bouwen, maar die dan opgepakt worden en weer over de grens gezet (“Deportees”).
De eigenlijk muziek van deze Texaanse Mexicanen is natuurlijk erg Spaans beïnvloed, maar het meest opvallende is echter het gebruik van de accordeon. Deze muziek noemt men “norteno“, eigenlijk “noordelijke muziek” dit dan ten opzichte van de “echte” Mexicaanse muziek.
Die accordeon vind je ook terug bij een laatste groep die een nog kleinere minderheid vormt, maar die daarom toch niet minder onze belangstelling verdient, daar deze mensen gedurende honderden jaren overal vervolgd werden. Het betreft hier namelijk de cajuns, Franstalige Amerikanen die in de moerassen van Louisiana wonen. Oorspronkelijk zijn dit arme Fransen die zich gingen vestigen in Canada. Velen van hen werden uitgeroeid toen dit landsgedeelte onder Engels bewind kwam. Een klein deel lukte erin, met de hulp van de Indianen, de grens van wat nu de Verenigde Staten is, te bereiken. Van daaruit trokken zij naar Louisiana dat toen nog Frans was. Maar ook daar waren zij niet welkom. De enige woonplaatsen die zij toegewezen kregen lagen in de moerassen (bayous). Daar leven zij nu nog, dikwijls uitsluitend van jacht en visvangst. Zachary Richard schreef in 1976 zowat de enige “protestsong” in cajun: “Réveil”. Daarin wordt eigenlijk de tragische geschiedenis van de cajuns verhaald, maar nu kan hij dat niet meer zingen, zegt hij, want dat doet te veel pijn. Dat is trouwens ook de reden waarom de cajuns bijna uitsluitend dansmuziek hebben: “Onze geschiedenis is zo triest, dat we wel vrolijke muziek moeten hebben om ze te kunnen verdragen.” Hun muziek heeft wel een belangrijke invloed op de blues gehad (met name de zogenaamde zydeco).

Ronny De Schepper

(*) De “Roll and tumble blues” van Hambone Willis Newbern uit 1929 zal ook nog een hele geschiedenis doorlopen. Eerst zal city blueszanger Muddy Waters het op zijn repertoire nemen, zogezegd als een eigen compositie. In die vorm nemen de Cream het dan ook eens over. Maar Peter Green van Fleetwood Mac denkt: als ik er een andere tekst op maak dan kan ik net zo goed beweren dat het een compositie van mij is. En dàt wordt dan “Ramblin’ pony” dat Fleetwood Mac in twee versies zal opnemen. Het fameuze Moondog-personage begint overigens haast elke eigen compositie met dit aan een indiaanse regendans ontleende ritme.
(**) Bonnie Jo Hunt is misschien niet zo bekend, maar ook zij verdient een vermelding, aangezien ze (bij mijn weten) de enige operazangeres is van Indiaanse afkomst (tenzij mijn theorie over Shirley Verrett zou kloppen natuurlijk).
(***) Michael Tilson Thomas was dirigent van het London Symphony Orchestra van 1988 tot 1995 en componist van “From the Diary of Anne Frank” dat in 1991 in Londen werd gecreëerd met Audrey Hepburn als recitante.



Referentie

Ronny De Schepper, Amerikaanse muziek voor Oost-Vlaamse middenstand, Het Laatste Nieuws 8 januari 1994



Een gedachte over “Amerikaanse volksmuziek

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.