De sociologische structuur van de taal

Het debat over het taalgebruik in het Hoger Onderwijs wordt gevoerd vanuit verschillende bezorgdheden. Enerzijds is er het marktgerichte denken van universiteiten en hogescholen dat het Engels als onderwijstaal ziet als instrument voor de internationalisering, anderzijds is er de zorg van de burger om voor zijn kinderen een hogere opleiding in de moedertaal gegarandeerd te zien.
De KANTL, vanuit haar bezorgdheid over kwaliteit en functionaliteit van het Nederlands als gebruikstaal in alle maatschappelijke domeinen, ook dat van de wetenschap, wil dat de overheid aan de bescherming van de moedertaal meer dan alleen lippendienst bewijst. Daarom dringt ze aan op een charter voor het Nederlands: een reeks van maatregelen die de toekomst van het Nederlands als taal van wetenschap en onderwijs veilig stellen.
De volledige tekst van dit KANTL-standpunt gaat mee als bijlage, en is te vinden op http://kantl.be/index.php?pag=141.
Voor meer informatie:
Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
Koningstraat 18, B-9000 Gent
info@kantl.be
http://www.kantl.be
Of bij de voorzitter (foto): willy.vandeweghe@telenet.be

1.Taal is een sociaal verschijnsel
Mensen die in gemeenschap leven hebben behoefte aan taal. En dat is dan op de eerste plaats…
a) Gebarentaal
Elementair bij de gewone mens. Een aantal gebaren zijn conventioneel en plusminus internationaal, zoals ja en nee knikken, wuiven, schouder ophalen, stampvoeten…
Meer uitgebreid bij mensen die stom of doofstom zijn, omdat dit eeuwenlang het enige communicatiemiddel was van deze mensen. Deze gebarentaal is uitsluitend op de praktijk gericht, dit in tegenstelling tot…
– De geraffineerde gebaren bij voordrachtkunstenaars, mimespelers, toneelspelers of redenaars.
(Tussen 1 en 2 bevindt zich de gebarentaal zoals die bijvoorbeeld door indianenstammen werd gehanteerd om de verschillen tussen de dialecten te overbruggen.)
b) Geschreven taal
Een evolutie van beeldschrift (hiëroglyfen) naar letterschrift.
Begonnen als noodzaak omdat men de nood aanvoelde om mededelingen te doen aan personen die in tijd of ruimte afwezig waren.
c) Gesproken taal
Zie: gevoelswaarde, sociale taalkringen…
2.Taal is een uiting van een gemeenschap
In een taal komt het volkskarakter tot uiting.
Niet juist is: “De taal is gans een volk” (Prudens Van Duysse)
Dan zou een bewust volk als het Zwitserse dat vier talen spreekt geen volk zijn.
Dan zou een bewust volk als het Ierse geen volk zijn, want zij hebben de taal van de bezetter overgenomen (Engels i.p.v. Iers, dat een soort van Keltisch is).
Wel juist is dat de taal zeker een duidelijk element is van een volk.
De Baskische of de Bretoense beweging zou ondenkbaar zijn zonder de ruggesteun van de Baskische of Bretoense taal.
3.Taal is sociologisch gecontrueerd
A.De familiale of leeftijdstaalkringen
1.De kindertaal (tot zes jaar)
(1) De kleutertaal (tot drie jaar)
– Het eerste jaar is er nog geen sprake van echte taal. De eerste verre aanduiding daarvoor is schreien en lachen, ook al zijn dat aanvankelijk slechts ademhalingsoefeningen. Een kind heeft immers geen orgaan om te spreken, wel om te horen, te zien of te ruiken, maar niet om te spreken. Om te kunnen spreken moet men verschillende organen (mond, stembanden, keel, tong, longen, enz.) leren gebruiken. Naderhand kunnen schreien en lachen als resp. slechte of goede “mededeling” worden opgevat.
Na zo’n twee maanden begint het lallen of tateren: een soort voorbereiding op het spreken. Eerst komen de keelklanken, daarna de lipklanken en tenslotte de tongklanken.
– In het tweede jaar doen zich drie belangrijke verschijnselen voor:
* de namenhonger van het kind: een verlangen om meer te kennen, het willen weten hoe de dingen heten. Die woorden zijn meestal éénlettergrepig ofwel met verdubbeling: “kiekien” (kind), “boeboe” (hond), “broembroem” (auto), “tuuttuut” (trein);
* het maken van éénwoordzinnen (ellipsen): een woord staat in de plaats van een volledige zin. B.v. “pop” kan zowel betekenen: “ik heb een pop” als “waar is mijn pop” of “mijn pop is mooi”;
* de analogie: het kind is bijzonder consequent en zal heel gemakkelijk nieuwe woorden maken op basis van woorden die het al kent. Soms geeft het daarbij blijk van een enorme verbeeldingskracht. Zo zou een kind ooit “schaduw” hebben gezegd als het voor het eerst een echo hoorde. Deze neiging tot analogie vormt ook de aanleiding voor het feit dat de sterke werkwoorden de neiging hebben te verdwijnen ten voordele van zwakke. Zo zegt een kind b.v. zuigen, zuigde, gezuigd, waardoor dit ook in het volwassen taalgebruik zo wordt voor het woord “stofzuigen” als dit als neologisme is ontstaan. Een ander voorbeeld is “zweefvliegen”. Werkwoorden als “varen”, “jagen” of “waaien” hebben nu naast hun sterke vorm zelfs “officieel” ook een zwakke vorm. Iets vergelijkbaars is er aan de hand met meervoudsvormen. Als het over vreemde woorden gaat dan krijgen die ook het meervoud uit die taal, b.v. museum/musea; catalogus/catalogi. Maar naast deze Latijnse vorm duiken dus meer en meer “Nederlandse” meervoudsvormen op zoals “museums” en “catalogussen”. Voorlopig is dat nog fout, maar tot voor kort was dit ook het geval bij Griekse woorden als thema/themata of schema/schemata, maar nu is het niet alleen toegelaten, maar zelfs aangeraden om “thema’s” en “schema’s” te zeggen! (*)
– In het derde jaar verovert het kind de structuren van kleine, bescheiden zinnen (rol van de omgeving!)
(2) De dreumestaal (tot zes jaar)
– contaminatie: door elkaar halen van verschillende woorden waaruit een nieuw woord ontstaat: ik voel het gewaar, automotief (ook bij volwassenen: onmeedogenloos, plotsklaps, mistoestand, geen stap verzetten)
– associatie: soms zeer levendige verbeelding
b.v. de moeder van het hondje (de vrouw die een hondje uitlaat)
de Jan van de geburen (de knecht heet Jan, dus iedere knecht heet Jan)
de wijzers van een fiets (de pedalen)
eenden varen en schepen zwemmen
– volksetymologie: moeilijke woorden worden vervormd tot ze herkenbaar zijn
b.v. familiepudding (vanillepudding)
lepeltraan (levertraan)
Etymologie is de naam van de wetenschap die de oorsprong en ontwikkeling van de woorden bestudeert, maar als de gewone taalgebruiker op eigen houtje vreemde woorden gaat interpreteren en aanpassen noemt men dat volksetymologie. Sommige woorden hebben hun weg gevonden naar het officiële taalgebruik. Voorbeelden:
scheurbuik (scorbut)
hangmat (hamaca)
zondvloed (zindvloed = grote vloet)
muizenissen (musen = nadenken)
lintworm (lindeworm, waarbij lind = draak, slang)
Andere vormen bleven enkel in het dialect overeind:
tantist (dentist)
bloemekee (bouquet)
soeptrien (soepterrine)
2.De jongens- en meisjestaal (6-12) en de knapen- en bakvisjestaal (13-17)
Invloed van de omgeving, vooral dan de kameraadjes en de school.
De taal is nogal enthousiast (en de termen wijzigen om de zoveel jaar): tof, knal, fantastisch, kei…
Taaleconomie: TV (televisie), PC (personal computer), d’unief (universiteit). In het Frans is dit zelfs een pest geworden met allerlei woorden op -o: intello (intellectuel), facho (fascist, hier is er zelfs geen “winst” in lettergrepen!)
Rollenpatroon: jongens gebruiken veel krachttermen en superlatieven, meisjes eerder diminutieven en sentimenteel taalgebruik.
3.De taal van de volwassenen
Invloed van de beroepsomgeving en van lectuur.
4.De taal van de ouderen
Conservatief taalgebruik: afkeer voor nieuwe woorden of neologismen, handhaven van oude uitdrukkingen (archaïsmen), verouderde uitspraak, trager ritme.
B.De sociale taalkringen
Vele termen die in bepaalde vakken of beroepen worden gebruikt zijn technisch, het zijn vaktermen. Maar wanneer zij buiten de kring van het beroep worden gebruikt, krijgen zij vaak een figuurlijke betekenis.
1.De zeemans- en de visserstaal
– de spuigaten uitlopen: spuigaten waren gaten in het scheepsdek om het schrobwater buiten boord te vegen (te spuien)
– geld bij de vleet hebben: de vleet was een haringnet van zeer grote afmetingen
– iemand de loef afsteken: de loef wordt gevormd door de zeilen van het schip waar de wind op staat, het komt er dus op neer van het voordeel van de wind te bekomen (zie ook: de wind uit de zeilen nemen)
– volhouden: komt oorspronkelijk ook van de zeilen vol wind houden
– een kop (kleur) als een boei krijgen: een boei is een ton, meestal rood, die de vaargeulen aanduidt, die als baken dient
– een bakbeest: een zwaar anker of een schip dat niet goed gestouwd is, vandaar een zwaar en log voorwerp of een domme kerel (volgens sommigen komt het uit de boerentaal – zie verder – namelijk een varken dat in de bak gevoederd wordt)
2.De herbergiers- en winkelierstaal
– in het krijt staan: men schreef de schulden die iemand maakte met krijt aan de balk, want men betaalde op bepaalde feestdagen (pacht op kerstavond b.v.)
– met dubbel krijt schrijven: iets te veel of te hoog berekenen
– het gelag betalen: het gelag is het samengelegde geld (de “pot”, zoals we nu nog in het dialect zeggen), wie het gelag betaalt, draait op voor de schuld van anderen
– het is daar berekend gelag: men kan er juist of nauwelijks rondkomen
– iets op de kerfstok hebben: de kerfstok was een soort van liniaal waarop met kerfjes werd aangeduid hoeveel pinten melk, hoeveel ponden brood enz. men had meegekregen; eigenlijk waren het altijd twéé kerfstokken: één voor de winkelier en één voor de consument; via de uitdrukking “veel schulden hebben” uiteindelijk tot “iets mispeuterd hebben”
– iets in de doofpot steken: de doofpot was de pot waarin men gloeiende kolen deed om zonder gevaar te kunnen uitdoven
– een boom opzetten: hoogstwaarschijnlijk ontleend aan het kaartspel; kan gemilderd worden tot “een boompje opzetten” of “een gezellige boom opzetten”
3.De bakkerstaal
– de broodkorf hoger hangen: verwijst naar een oud gebruik om het brood in een mand aan het plafond te hangen opdat de kinderen en de muizen er niet zouden bijkunnen, vandaar “het rantsoen kleiner maken”
– brood op de plank hebben: verwijst naar een hoog schap met dezelfde bedoeling
– het is brood van de koude bakker: iemand die geen oven hoeft heet te maken, hij verkoopt m.a.w. gewoon het brood, hij bakt het zelf niet; figuurlijk is dit stilaan gaan betekenen: minderwaardig brood
– tegen een oven kan men niet gapen: tegen iemand die sterker is, kan men het niet opnemen
– hij heeft al voor hetere vuren gestaan
– het is al koek van één deeg
– iets voor zoete koek slikken
– zij zijn van één baksel (zij lijken op elkaar)
– een halfbakken opinie
– iemand kan doorkneed zijn in zijn vak
– aan de bakkerstrog staan (zwaar werk doen)
4.De boerentaal
– iemand over het paard tillen: een geharnaste ruiter moest men helpen, maar men kon hem te véél helpen, zodat hij er langs de andere kant weer afviel, vandaar iemand te veel ophemelen
– het botert niet tussen die twee: de bereiding van de boter in de karn was afhankelijk van de kwaliteit van de melk en van het weer
– iets van haver tot gort vertellen: was oorspronkelijk “van aver te aver”, van de ene voorvader op de andere, m.a.w. van vader op zoon, maar de volksetymologie verstond onder die “aver” “haver” en voegde er een ander gewas aan toe (gort = gepelde gerst, denk aan: gortdroog); de betekenis wijzigde in “iets tot in de details vertellen”
– het gras voor iemands voeten wegmaaien
– de stier bij de horens vatten (in het idiolect van De Rode Vaan vervangen door “de stier bij de juiste horens vatten”)
– op de boer wonen
– het paard achter de wagen spannen
– op zwart zaad zitten
– de hand aan de ploeg slaan
– te veel hooi op de vork nemen
– weten hoe de vork aan de steel zit
– hij is aan de winakker: oorspr. “wendakker”, dat deel van de akker waar de ploegen gekeerd werden, vandaar “hij kan niet verder”
5.De kleermakerstaal
Een ellenlang betoog: met de el (eigenlijk de onderarm, zo’n 69 cm) werden de stoffen gemeten
Een redevoering met bombast: (technisch) ruwe katoen die gebruikt werd als vulling, b.v. schouderstukken; (fig.) met allerlei grote woorden zonder werkelijke inhoud.
Daar hangt de schaar uit: (oorspr.) alle beroepen werden aangeduid met een uithangbord of embleem. Bij de kleermakers hing de gulden schaar uit. Zij hadden wel een slechte faam omdat zij het niet zo nauw namen met de eerlijkheid. Men zei zelfs: “Het laken wordt door het oog van de schaar gehaald”, waarmee men bedoelde dat een deel van het laken dat ter bewerking werd afgegeven door de kleermakers zelf werd gehouden. Vandaar dat “daar hangt de schaar uit” nu betekent: het is daar te duur.
Een rare kwast: (oorspr.) strik, versiering; (nu) een zonderling heerschap. Let op: het zou ook uit de wereld van de timmerlui kunnen komen, want daar is een kwast hetzelfde als een knoest, d.i. een hard plek in het hout.
De lakens uitdelen: (oorspr.) wie in huis de lakens uitdeelde had het beheer over de linnenkast en derhalve over de gehele huishouding; (nu) ergens baas zijn.
6.De godsdienstige taalkringen
Paradijs: het aards paradijs, een hemel op aarde, het volmaakte geluk.
In adamskostuum: naakt zoals Adam, de eerste mens.
Eva: de eerste vrouw, de vrouw tout court, het typisch vrouwelijke.
In het zweet ons aanschijns: de straf voor Adam en Eva na de zondeval (het eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad), werken voor je bood
Benjamin: de jongste zoon van Jacob, de jongste zoon tout court.
Het getij doen keren: Christus kon de storm bedwingen; de zaken een andere loop doen nemen. (Het kan ook van Mozes komen die het water van de Nijl stroomopwaarts deed lopen om de Farao te overtuigen de Joden te laten gaan.)
Het land van belofte: Palestina, Israel; na de ballingschap in Egypte leidt Mozes het Joodse volk naar het land dat hun door God is beloofd; veralgemeend: een zeer vruchtbaar land met een aangenaam klimaat.
Aartsvader: erenaam voor de eerste stamvaders van het Israëlitische volk (Abraham, Izaak, Jacob enz.); wijze, oude man.
Met twee maten meten: partijdig zijn (Izaak die z’n jongste zoon Jacob verkoos boven de oudste, Ezau).
Farizeeër: Joodse godsdienstige leider; schijnheilige; witgekalkte graven (mooi van buiten, rot van binnen).
Hemel en aarde bewegen: de Engelen “doen” dit voor God; een verschrikkelijke inspanning leveren.
Z’n handen in onschuld wassen: Pilatus veroordeelt Christus maar zegt dat hij er in feite niets mee te maken heeft; onschuldig pleiten.
7.De geheimtalen (het Bargoens)
nota: “slang” (Eng) of “argot” (Fr) is ruimer zijn dan een “geheimtaal” (denk maar aan de studententaal, de soldatentaal of de matrozentaal)
Initiële bedoeling: voor oningewijden een onverstaanbare taal spreken (hoofdzakelijk door boeven, leurders, marktkramers, landlopers). Etymologisch weet men niet precies waar het woord Bargoens vandaan komt. Sommigen denken aan een Bretoense afkomst: bara (brood) + gwin (wijn). Anderen aan het Hebreeuws: Barûkh ha (“ba” = gezegend wie daar aankomt).
Verspreiding: de dieventaal is vrijwel uitgestorven, restanten vindt men bij de Zelenaars, de bezembinders (Eeklo), de Buschkanters (het Vrijbos in West-Vlaanderen), de Nieuwmarktenaars (klerenverkopers in Roeselare), de “Turken” in Meulebeke, de Marollen in Brusseln en de Teuten (grensbewoners) in Limburg. Let wel: die “restanten”, dat was in de tijd van AvW (jaren zestig). Ik twijfel eraan of daar nu nog veel van overblijft.
Een groot aantal woorden zijn in de algemene taal overgenomen. Ze zijn op zeer verschillende manieren tot stand gekomen.
a) door afleidingen van werkwoorden
zitterik: stoel
flakaard: kaars
dekker: hoed
dieperik: kelder
trederik: trap
terterik (metathesis): voet
pafferik: sigaar
vliegerik: vogel
b) woorden overgenomen uit bepaalde dialecten
keet: woning
krottig: armoedig
leep: doortrapt
maffen: slapen
poen: geld
dokken: afgeven
mep: slag
tof: flink (afkomstig van de soldaten die in Beverlo gekazerneerd waren, vanwaar het liedje afkomstig is “Endatteme toffe jongens zijn…”)
c) afgeleid van vreemde talen (begrijpelijk, aangezien veel van die dievenbenden opereerden in grensgebieden, enerzijds omwille van de smokkel, anderzijds omdat zij op die manier een veilig onderkomen konden vinden, zeker indien het vijandige gebieden betrof)
Uit het Frans:
batteren: vechten
paï: land
venen: komen
deus (uit te spreken als éénklank, niet als tweeklank): twee
grandig: groot
Uit het Duits:
foesel: borrel
gewerben: kameraad
Uit het joods:
gannef: dief
goochem: slim, handig, sluw
gojem: christen
d) ontstaan uit een visuele indruk
slang: horlogeketting
spits: regenscherm
sneeuw: cocaïne
kruif: verwaande kerel
de groene deken: grasveld
reep: mond
een kraak zetten: inbreken
schuit: schoen
tikker: horloge
pij: jas
piepen: verraden
bazaar of winkel: politiebureau
winkelhaak: bochel
C.De geografische taalkringen
De dialectologie: de wetenschappelijke studie van het dialect, vooral het opsporen van de voornaamste verschillen tussen het dialect en de algemene taal (b.v. prof.Johan Taeldeman en prof.Magda De Vos).
a) idiotica of dialectwoordenboeken
Amaat Joos, Het waasch Idioticon, 1900.
Lodewijk Lievevrouw-Coopman, Het Gents Woordenboek, 1950-51.
Leonard Lodewijk De Bo, Westvlaamsch Idioticon, 1870-73.
P.J.Cornelissen en J.-B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899-1939.
b) isoglossen of dialectatlassen
Opzoeken waar bepaalde woorden en uitspraakvormen terugkeren
Jan G.M.Notten, Limburgse dialecten: golvend als het landschap (artikel in reisgids/naslagwerk “Op ontdekkingstocht door Zuid-Limburg”), 2003.
Gunther De Vogelaer, Van het centrum van de linguïstiek naar de periferie, en terug: de dialectgeografie, 2009.

Ronny De Schepper

(*) Datzelfde verschijnsel doet zich ook voor bij het tot stand komen van neologismen. Zo is een boot een “vaar-tuig”. Als er in het begin van vorige eeuw dan een tuig wordt uitgevonden dat vliegt, wordt dat dan een “vlieg-tuig”. Maar nog straffer: men sprak in het eerste geval van “zeevaart” en dat wordt dan in het tweede “luchtvaart”, alhoewel er hier helemaal geen sprake is van “varen” natuurlijk! Idem wat zeehaven/luchthaven betreft. Als nog later dan ook nog helicopters worden uitgevonden, dan wordt dat “helihaven”. Deze neiging tot gelijkvormigheid wordt uiteraard ten zeerste toegejuicht door anderstaligen die Nederlands proberen leren (vooral wat werkwoordsvormen betreft).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.