Pierre Benoit (1886-1962)

“L’Atlantide” van Pierre Benoit, geschreven in 1920 werd een jaar later reeds verfilmd door de Belg Jacques Feyder (1885-1948) met Stacia Napierkowska in de rol van Antinea. Het was de eerste Franse film die in natuurlijke decors (de Sahara) werd gedraaid en kende een groot populair succes, maar ook door de critici werd hij goed onthaald.

Het boek begint met een brief van luitenant Olivier Ferrières aan maréchal Châtelain, die hem wordt afgegeven wanneer Ferrières naar de Sahara is getrokken samen met de gids Cegheïr-ben-Cheïkh en kapitein André de Saint-Avit. In de brief staat dat ze niet meer zullen weerkeren. Er zit ook een manuscript bij de brief. Dàt vormt het eigenlijke verhaal.
Het begint met de benoeming van een nieuwe kapitein (Saint-Avit), van wie wordt verteld dat hij op een missie zijn collega Morhange heeft vermoord (haalde Michèle Morhange hier haar pseudoniem?). Door Ferrières ondervraagd geeft hij de moord toe, maar hij wil wel zijn hele verhaal doen. Morhange en hijzelf moesten nagaan of de Arabische woestijnnomaden zich nu al dan niet tot het christendom hadden bekeerd. Bij een zandstorm schuilen ze echter in een grot waar ze een Arabische transcriptie in kruisvorm van de naam “Antinea” vinden. Dit fascineert Eg-Anteouen, een 60-jarige reus die ze van de dood hebben gered. De gids Bou-Djema, die Eg-Anteouen herkent, komt om door vergiftiging. Eg-Anteouen stelt dan voor hun gids te spelen voor een gebied dat nog niet in kaart is gebracht. Na twee dagen bereiken ze opnieuw een grot met dezelfde inscriptie. Om licht te maken steekt Eg-Anteouen struikgewas in brand dat hasjies blijkt te zijn. Vooraleer ze helemaal worden bedwelmd, ontdekken de beide Fransen toch nog dat Eg-Anteouen in werkelijkheid Cegheïr-ben-Cheïkh is, de moordenaar van twee andere Franse officieren.
Zij ontwaken in een soort sprookjespaleis waar ze kennismaken met de geleerde Le Mesge, graaf Bielowsky en dominee Spardek. Le Mesge vertelt dat ze in Hoggar zijn, dat bestuurd wordt door Antinea, een afstammelinge van Neptunus, de laatste der Atlantiërs, die haar heeft gevraagd geen contact te hebben met de buitenwereld. Hoggar zou dan ook het enige zijn wat overblijft van Atlantis nadat dit eiland door het zand van de Sahara werd verzwolgen. Hij kwam op het idee dit te onderzoeken na het lezen van “Reis naar Atlantis” van Denys de Milet.
In Hoggar vindt men alle verloren gewaande werken uit de klassieke oudheid terug. In een rode marmeren kamer staan ook de mummies van alle ontdekkingsreizigers die hier zijn aangeland. Zij hebben zich alle zonder uitzondering gezelfmoord of zijn vermoord door een collega, nadat ze verleid waren door Antinea, die op die manier de smaad aangedaan aan haar beroemde voorgangsters wil uitwissen.
Op dat moment wordt Saint-Avit bij haar ontboden. Eerst wordt hij tot in de puntjes opgekalefaterd, nadien moet hij een paar vernederingen ondergaan (o.a. een schijngevecht met haar tamme luipaard). Als Saint-Avit Antinea ziet, is hij inderdaad een vogel voor de kat. Maar ’s anderendaags is het de beurt aan Morhange…
Ondertussen vertelt een dronken Bielowsky hoe hij zijn maîtresse Clémentine kwijtspeelde aan de sheik van Hoggar. Via een ring die als vrijgeleide functioneerde, is hij hier dan zelf geraakt. Morhange blijft langer weg dan gepland en Saint-Avit wordt ongerust. Als er twee Spaanse ontdekkingsreizigers worden gesignaleerd en Cegheïr-ben-Cheïk het bevel krijgt ze ongemoeid te laten, weet Saint-Avit dat Antinea verliefd is op Morhange. Dat is immers de eerste man die haar weerstaat (hij wil in het klooster treden).
Uiteindelijk slaat Antinea’s liefde om in haat en ze overhaalt Saint-Avit om Morhange te doden. In een roes doet deze dat, maar wanneer hij het zich realiseert, keert hij zich tegen Antinea. Hij wordt overmeesterd, maar kan vluchten dankzij de steun van het slavinnetje Tanit-Zerga (die onderweg door uitputting sterft) en Cegheïr-ben-Cheïk. Deze laatste doet dat omdat Mohammed gebiedt dat men iemand die je het leven heeft gered ook moet helpen. Nu ze echter “quitte” staan, zal Cegheïr hem niet meer redden als hij terugkomt. “En terugkomen zal je,” voegt hij eraan toe. En inderdaad, als op het einde een touareg wordt gevangen genomen en het blijkt Cegheïr te zijn, vertrekken ze, met een nieuwsgierige Ferrières als derde man…
Stacia Napierkowska als AntineaIk zag de verfilming door Jacques Feyder pas in 2012, in een versie die door het Nederlandse filmmuseum was gerestaureerd. Uitstekend gedaan overigens, alleen jammer voor de vreselijk irritante muziek van Eric Le Guen die eraan werd toegevoegd.
Het merkwaardigste aan deze verfilming is dat ik pas nu “het licht” meende te hebben gezien. Morhange was namelijk homoseksueel! (*) Hij hield van Saint-Avit en daarom was hij immuun voor de verleidingskunsten van Antinea. Let op, deze “verlichting” drong niet tot mij door omdat Feyder dat zo zou hebben verfilmd, integendeel hij zet juist het religieuze motief dik in de verf.
Feyder is een grote naam in de filmgeschiedenis en, het is waar, er zitten heel mooie plans in de film en, vooral, de acteurs acteren heel “modern”, helemaal niet op de Hollywoodiaanse manier uit die tijd, waarbij zelfs ernstige films een komisch cachet krijgen. Maar tegelijk laat Feyder toch ook veel steken vallen. Vooral de figuur van Antinea gaat helemaal de mist in.
Of juist niet! Want dat is het nu juist: het mistige, het mysterieuze rond haar persoon is helemaal verdwenen. Het duurt overigens een eeuwigheid vooraleer Stacia Napierkowska in beeld komt en – of het zo gewild is, weet ik uiteraard niet – maar zij is de enige die op die “Hollywoodiaanse” manier acteert. De scène waarin ze uit de bol gaat omdat Morhange haar avances niet beantwoordt, is b.v. om te gillen.
Erotisch gezien komt ze echter wél goed uit de verf. Uiteraard moeten we hierbij afstand doen van de huidige “anorexische” opvatting van hoe een erotisch aantrekkelijke vrouw eruit ziet. In de tijd van Feyder mocht het “wel wat meer” zijn. In het geval van Antinea lijkt dit zelfs aannemelijk, want ze doet een hele tijd niks anders dan liggen. Maar goed, dit terzijde laat ze zich van alle kanten bewonderen, maar vooral haar voluptueuze boezem, waarbij de “cleavage” zo groot is dat haar borsten op elk moment haast uit haar kleed dreigen te rollen, zal op de toeschouwers destijds wel een heel, euh diepe indruk gemaakt hebben…
Na de verfilming door Jacques Feyder was Brigitte Helm in 1932 Antinea in de versie van Georg Wilhelm Pabst. En nog veel later was er “End of Atlantis” van Edgar George Ulmer (1961) met de Palestijnse Haya Harareet als Antinea (zij was Esther in de fameuze Ben-Hur verfilming). Eigenlijk is dit een Italiaanse film van Giuseppe Masini met als titel “Antinea, l’amante della citta sepolta”.
In 1992 kwam er dan nog een Frans-Italiaanse TV-film in twee delen van Bob Swaim met Victoria Mahoney als Antinea. In het eerste deel laat deze enkel haar achterwerk zien, want daarin staat eerder Anna Galiena centraal als Amira, een vrijgevochten vrouw, waarop zowel Morhange als Saint-Avit verliefd zijn. De twist over wie haar mag “bezitten” zou een voorafschaduwing moeten zijn voor wat volgt, maar deze passage is (net als de hele film) zeer langdradig en totaal ongeïnspireerd uitgewerkt. Wie trouwens dacht dat zo een recente verfilming de erotiek wel explicieter in de verf zou zetten komt bedrogen uit. Het achterwerk van Victoria Mahoney fascineerde Bob Swaim blijkbaar wel, maar voor de rest krijg je niets te zien. Veel erger is echter dat Swaim er helemaal niet in slaagt de erotische aantrekkingskracht van Antinea gestalte te geven. In plaats van b.v. aangetrokken te zijn door Morhange omdat hij haar weerstaat, laat hij er haar als de eerste de beste bimbo hopeloos verliefd op worden. Dat heeft ook te maken met de “demystificatie” van het boek. Er wordt namelijk naar een “rationele” verklaring gezocht. Zo zou Antinea eigenlijk gewoon een onwettig kind van Bielowsky zijn, die door Jean Rochefort (als de gefrustreerde archeoloog Le Mesge) als godin wordt uitgespeeld. Een dergelijke poging tot verklaring vonden we ook reeds bij Pabst terug. Dat was ook nodig om de Arische trekken van Brigitte Helm te verklaren (ze zou de dochter van een Parijse revue-danseres geweest zijn), maar deze versie slaagde er toch nog in om een zekere geheimzinnigheid te blijven behouden.
Er zijn nog veel meer films te vinden op de Internet Movie Database met Atlantis of Antinea in de titel, maar ik wacht tot ik ze effectief heb gezien, vooraleer ze in dit overzicht op te nemen, aangezien ze allemaal in mindere, maar vooral in meerdere mate afwijken van het originele verhaal van Pierre Benoit. En dan heb ik het nog niet eens over de talloze verfilmingen van “She”, het intrigerende boek van Henry Rider Haggard (1856-1925), dat verscheen in 1886 en waaraan het werk van Benoit zeker schatplichtig is. Toch put Benoit, voor wat het “decor” aangaat, ongetwijfeld ook uit zijn eigen ervaringen, aangezien hij de zoon was van een legerofficier. Hij werd weliswaar geboren in Albi, de plaats waar zijn vader toen gelegerd was, maar na een jaar werd deze overgeplaatst naar Tunesië en enkele jaren later naar Algerije, waardoor Benoit zijn jeugd in Noord-Afrika doorbracht. Na zijn legerdienst in Algerije te hebben volbracht, trok Benoit in 1907 naar de Universiteit van Montpellier waar hij rechten en letteren studeerde. Omstreeks 1914 publiceerde Benoit zijn eerste dichtbundel Diadumène. En dix ans, il ne s’en écoulera que cinq exemplaires, vendus à un acheteur unique, le mécène André Germain, directeur de la revue poétique Le Double Bouquet.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd Benoit gemobiliseerd, maar hij werd ziek, bracht maanden door in het ziekenhuis en werd na zijn ontslag gedemobiliseerd. Cette expérience du front aura toutefois été suffisamment traumatisante pour transformer en pacifiste convaincu le jeune homme qui, dans une lettre qu’il envoyait à sa mère en 1914, lui confiait son enthousiasme à l’idée de participer à une « guerre sainte ». Il fonde une association « Le Bassin de Radoub », qui se propose notamment de récompenser le plus mauvais livre de l’année. Le prix en est, pour l’auteur de l’ouvrage primé, un billet de train pour rejoindre sa terre natale accompagné d’une lettre où il lui est demandé de ne plus jamais en revenir. En 1919, l’ouvrage choisi, à l’unanimité, est une œuvre collective : le Traité de Versailles. En 1922, son faux enlèvement par des membres du Sinn Féin (denk bij ons aan het voorval met Jules Croiset) scandalise une partie de ses amis conservateurs, qui voyaient déjà d’un mauvais œil ses nombreuses aventures galantes.
“L’Atlantide” was zijn tweede boek. Zijn debuut was Kœnigsmark dat, ondanks de uitgave bij een kleine uitgeverij, een succes werd. De roman gaat over de liefde van een jonge Franse professor voor een Duitse prinses. Het werk werd genomineerd voor de Prix Goncourt, maar Benoit greep net naast de prijs. De roman werd later verscheidene malen verfilmd en in 1953 gekozen als eerste werk in de literaire collectie Le Livre de Poche in pocketformaat.
De schrijverscarrière van Benoit was vanaf het verschijnen van L’Atlantide gelanceerd. Vanaf dat moment publiceerde hij ongeveer één roman per jaar en in totaal een 45-tal avonturenromans bij de Éditions Albin Michel. Hij schreef ook meer diepgaande literaire werken zoals Mademoiselle de La Ferté uit 1923, over de vriendschap tussen twee vrouwen. Ce livre est comme son chef-d’œuvre.
Opvallend is dat de heldinnen uit zijn romans steeds namen dragen die beginnen met de letter A: Allegria (Pour Don Carlos), Aurore (Kœnigsmark), Antinéa (L’Atlantide) enzovoort (**). Aucune d’entre elles en tout cas n’est inspirée de personnes réelles qu’a connues Pierre Benoit, exceptée Alcmène, l’héroïne des Amours mortes (1961), évocation de la propre épouse de Benoit, qui venait de disparaître. Certaines héroïnes sont pourtant librement inspirées de personnages historiques, telle Athelstane, la Châtelaine du Liban, librement inspirée d’Esther Stanhope.
Benoit wilde eigenlijk werk waarbij hij veel kon reizen. In 1923 ging hij daarom (et aussi pour se libérer de sa compagne de l’époque Fernande Leferrer) voor de krant Le Journal werken als journalist en buitenlands verslaggever. Benoit doorkruiste zowat de hele wereld en interviewde Mustafa Kemal Atatürk in Ankara en verder onder andere Haile Selassie, Benito Mussolini en Hermann Göring (l’interview, au cours de laquelle le dignitaire nazi n’évoque que ses œuvres d’art, ne sera pas publiée). Les reportages qu’il en tire sont également le moyen de défendre, à chaque fois que l’occasion s’en présente, l’Empire colonial de la France, défense qui prend moins la forme d’une apologie de l’aventure coloniale que celle « d’une amitié franco-exotique », et est souvent associée à une solide anglophobie.
Aan zijn reis naar Syrië hield hij o.m. het boek La Châtelaine du Liban (1924) over. Mêlant l’aventure et un certain érotisme, il a créé un type nouveau d’héroïne troublante, qu’il qualifiait lui-même de « bacchante » ou d’« amazone », qui hypnotise les personnages masculins et les pousse au crime ou à leur perte comme Antinéa dans L’Atlantide. Het plot van La Châtelaine du Liban dan ook gelijkaardig als dat van L’Atlantide, alleen heeft het mysterieuze karakter van het vrouwelijke hoofdpersonage (la comtesse Orlof) deze keer niks magisch of “bovennatuurlijks”, maar gaat het over spionage. De twee mannen die naar haar hand streven, zijn deze keer dan ook geen vrienden, maar tegenstanders. Het gaat namelijk over de verantwoordelijken voor de spionagediensten van resp.Frankrijk (de verteller kapitein Domèvre) en Engeland (majoor Hobson). Dat ze in de woestijn met de hulp van Koerden, Druzen of welke volksstam hen juist van pas komt elkaars leger uitroeien, belet overigens niet dat de twee gezamenlijke drinkebroers zijn in de deftige kringen van Beyroet. (Ik wist overigens niet dat er tussen de twee wereldoorlogen een bloedig conflict werd uitgevochten tussen deze twee landen? Maar misschien is het allemaal slechts officieus, de moorden worden immers gepleegd door “inboorlingen”.)
Maar eigenlijk wil ik het vooral hebben over de omslag van het boek (in “Livre de Poche”). De roman wordt er immers aangekondigd als “rapide” en “avec une force irrésistible de torrent”. Nu, ik vind juist dat de roman heel erg traag op gang komt. Akkoord, een tekst op de omslag is eigenlijk een pure reclametekst en misschien moeten we het allemaal niet te ernstig nemen, maar ik denk toch dat het vooral aangeeft hoezeer de tijden zijn veranderd. Zelf kan ik bepaalde films nu niet meer volgen omdat het voor mijn oude ogen allemaal veel te snel gaat, maar wat romans betreft ben ik blijkbaar toch al gewoon aan het jachtige ritme van onze tijd in tegenstelling tot het bezadigde tempo van Benoit en de zijnen in het Interbellum…
In 1931 werd Benoit verkozen tot lid van de Académie française et il s’intéresse de façon plus régulière au septième art. Ainsi il collabore à la mise en images de ses œuvres et écrit les dialogues de La Châtelaine du Liban de Jean Epstein (1933). Il signe également une adaptation du Tarass Boulba de Gogol (réalisé par Alexis Granowsky en 1936), puis au cours de l’Occupation, celles de deux œuvres de Balzac : Le Colonel Chabert (René Le Henaff, 1943) et Vautrin (Pierre Billon, 1943). Verscheidene van zijn romans werden verfilmd en bewerkt voor ballet, opera of toneel. Zo schreef in 1954 Henri Tomasi een opera op basis van L’Atlantide.
Pierre Benoit roerde zich op politiek gebied door zijn verzet tegen het Volksfront. Homme de droite, nationaliste et réactionnaire, Pierre Benoit reflète un aspect du monde intellectuel de l’entre-deux-guerres, qu’il a marqué par son œuvre romanesque.
In september 1944 werd Benoit gearresteerd op verdenking van collaboratie met de Duitsers. Na zes maanden gevangenschap werd hij in april 1945 vrijgesproken, maar hij kreeg wel een publicatieverbod opgelegd. Door bemiddeling van Jean Paulhan en Louis Aragon (***) werd Benoits naam geschrapt van de zwarte lijst. Met de roman Agriates die in 1950 verscheen, knoopte Benoit terug aan met het succes. In 1957 werd de verkoop van het vijf miljoenste exemplaar van zijn romans gevierd.
Entretemps, en 1947, Pierre Benoit, « las des aventures tempétueuses, épous[e] une jeune femme de la grande bourgeoisie provinciale. » (Georges Simenon). Malade depuis des années, Marcelle, la femme de Pierre Benoit, décède le 28 mai 1960. Pierre Benoit est accablé, et ne parvient pas à se remettre de cette disparition : il écrit un roman à sa mémoire, Les Amours mortes (1961, le dernier livre qu’il ait achevé), avant de mourir à son tour le 3 mars 1962 à Ciboure dans sa villa baptisée Allegria comme l’héroïne de son roman Pour don Carlos.

Ronny De Schepper

Referentie
Johan DAISNE, Pierre Benoit of de lof van de roman romanesque, 1960
Georges Simenon, « Le grand amour de Pierre Benoit », 1962

(*) Of zou het toch enkel “amitié, virile et pure” zijn, zoals Pierre Benoit schrijft in “La châtelaine du Liban” (p.237). Hoe dan ook, “Elle rachète bien des choses de leur vie, pour ceux qui ont su la goûter, la saveur de ces baisers d’hommes.” (idem, p.236)
(**) Benoit heeft zelf gezegd dat het louter toeval was dat zijn eerste heldinnen (Aurore, Antinéa, Allegria, Annabel) met A beginnen. Later speelden lezers hem vaal namen met A toe waarvan hij er enkele gebruikt heeft. (Johan de Belie)
(***) Aragon aurait lui-même rayé le nom de Pierre Benoit des listes d’épuration pour que L’Atlantide puisse paraître en feuilleton dans Ce Soir, le quotidien communiste. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.