Bijna twintig jaar geleden zorgde uitgeverij Manteau voor enige verbazing door in haar misdaadreeks een roman uit te brengen van een Gentse schrijfster die zowaar bij een Franstalig-Zwitserse firma (Luce Wilquin) haar werk uitgeeft. Zo werd “Le jardinier de la solitude” van Michèle Morhange “De hof der eenzaamheid”. “Le piège” (“De valstrik”) en “Fausse note” (“Valse noot”) liggen nog op een vertaling te wachten.
Wanneer iemand Michèle Morhange ter sprake brengt, valt ook steevast de naam van de onlangs overleden grootmeester Georges Simenon. Woont de nieuwe Simenon dan in Deurle? Even aanbellen en gewoon vragen.
Maar eerst vraag ik in welke taal Michèle Morhange het gesprek wil voeren. “In het Nederlands natuurlijk!” zegt ze verontwaardigd… met een onmiskenbaar Frans accent. In de loop van het gesprek valt ze trouwens geregeld terug op Franse uitdrukkingen. “Stoort dat niet?” vraagt ze dan. “Integendeel,” antwoord ik, “dat zorgt voor een beetje couleur locale.”

“Simenon? Een prachtige auteur. Vooral zijn boeken die géén detectives zijn. Maar nog méér hou ik van Maupassant. Ikzelf wil echter geen Literatuur schrijven. Ik schrijf om mijn lezers te ontspannen. Ik heb zelf ondervonden hoe stresserend het werkritme kan zijn en daarom geef ik hen un moment de détente. Vandaar dat ik misdaadromans schrijf, al is voor mij de oplossing van de misdaad ondergeschikt aan de beschrijving van de sfeer. Suspense et atmosphère, zoals er op mijn eerste boek staat. En dat vind je natuurlijk ook bij Simenon. Maar dat ik de nieuwe Simenon zou zijn? Dat zijn zo van die reclameslogans… Ik vrees dat de arme man zich wel in zijn graf zal omdraaien, ik sta nog zo ver van hem af.”
Ik zeg niets maar ik denk dat Simenon het haar wel zou vergeven. Simenon vergaf àlle vrouwen. En zeker Michèle Coppieters, denk ik. Aan vrouwen vraagt men de leeftijd niet (het is oubollig, ik weet het, maar ik kan soms vreselijk oubollig zijn), zelf noemt ze zich op een bepaald moment “oud”.
22 eve ruggieriZe herhaalt ook steeds dat ze niet fotogeniek is. Maar voor mij heeft ze alleszins een charme die betoverend werkt. Als ze poseert voor de foto’s, zet ze haar benen zoals Eve Ruggieri (foto), mijn natte droom op Antenne 2. Ook nu voel ik nattigheid. Bij het buitengaan wijs ik trouwens op het zwembad en nodig mezelf uit voor deze zomer. “Dan krioelt het hier van de kinderen,” antwoordt ze. Een meer afdoende afwijzing bestaat er helaas in mijn ogen niet.
Maar dan is het interview gelukkig al afgelopen. Tijdens het gesprek ben ik wel under her spell, zoals de Amerikanen zouden zeggen. Tenslotte, voor hetzelfde geld zit ik me hier toch wel op te winden, zeker? Waar is immers de tijd dat we de franskiljons wilden buitenbonjoeren?
“Ik zit inderdaad in de traditie van Vlamingen die in het Frans schrijven,” zegt ze. “Ik ben op en top een Gentse, maar ik ben volledig in het Frans opgevoed. Mijn vader was un fils d’industriel die universiteit heeft gedaan, eerst in het Frans, pas na de oorlog in het Nederlands. Bijgevolg was het ook normaal dat ik in het Frans werd opgevoed. Maar dat verdwijnt stilaan. Wij spreken onder elkaar b.v. wel Frans, maar mijn dochter heeft in het Nederlands gestudeerd. Haar hogere studies heeft ze echter dan weer in het Frans gedaan. Ze is dus perfect tweetalig, maar ze dénkt in het Nederlands. Ik denk in het Frans. Dàt is het essentiële verschil.”
Franstalig ja, maar haar naam klinkt toch Vlaams. In haar boeken dragen de personages echter namen als Maurin, Chenaux, Guillaume, Maréchal, Delhaye, Pluvier…
“Ach ja, ik wil neutre blijven. Uiteindelijk schrijf ik toch in het Frans. En daarbij, ik sta daar eigenlijk niet bij stil. Cela vient comme ça. Soms vraagt men mij ook: welke taal spreken uw personages eigenlijk? Voor mij is dat gelijk. Ik laat de lezer vrij.”
Ja, maar schaadt het niet aan de geloofwaardigheid? In een bepaald milieu kan ik er misschien nog inkomen dat er Frans wordt gesproken, maar als zelfs in een Gentse frituur uitsluitend Jacques Brel wordt gedraaid…
“Oh maar dàt is realistisch hoor! In Gent heb je een Franstalige traditie in àlle milieus. Als wij dertig jaar geleden de tram namen, dan sprak de conducteur Frans tegen ons. En in de winkels sprak de helft van de mensen Frans. Pas later is daar reactie op gekomen.”
Dat Frans zal ook wel te maken hebben met het feit dat ze een gewezen “zakenvrouw” is, zoals steeds uitdrukkelijk op de kaft van haar boeken staat. Wat wil dat precies zeggen?
“Ik heb jaren aan het hoofd van een bedrijf in de voedingsector gestaan. Maar eerlijk gezegd, ik vind dat dit weinig belang heeft. Ik vind dat mijn uitgeefster er verkeerd aan doet dit steeds opnieuw naar voren te schuiven. Het was een heel ander leven, heel moeilijk, heel gestresseerd want het was een tamelijk groot bedrijf.”
Is ze er dan uitgestapt?
“Ik zeg altijd: door des circonstances extérieures à ma volonté. Maar toch door dezelfde circonstances intérieures. Ik bedoel: ik was daar niet voor bestemd, ik heb daar niet voor geleerd, ik ben daar gewoon ingetuimeld door les circonstances de la vie. En zo ben ik er ook weer uit-getuimeld. In beide gevallen heb ik de beslissing niet genomen: het moest zo zijn.”
Dit lijkt wel het verhaal van Jean-Pierre Van Rossem. Maar als die nu boeken aan de lopende band uitbrengt, komt dat omdat hij er massa’s klaar liggen heeft.
“Ik niet. Ik heb altijd veel gelézen, maar om te schrijven had ik geen tijd. Eerst waren er de kinderen, dan dat bedrijf. Toen ik gestopt ben, had ik echter zoveel ervaring opgedaan met de mannen van de sector (en dan bedoel ik heel expliciet de mannen, want ik was de enige vrouw), dat ik vond dat ik die moest opschrijven. Dat waren harde, moeilijke ervaringen. Als je niets kent van het bedrijfsleven en er dan plots middenin staat, is dat immers niet zo makkelijk. Ik ben in het midden van het jaar gestopt en op het einde van datzelfde jaar heb ik tegen mezelf gezegd: als ik niets doe, zal ik dit allemaal vergeten en dat zou spijtig zijn. En zo ben ik beginnen schrijven. Impulsief, intuïtief, maar onmiddellijk j’étais pris par le jeu. Ik voelde me zo goed terwijl ik aan het schrijven was! Zo heb ik het virus opgelopen. Want uiteindelijk is het zot, hé. Schrijven is veel werken en weinig verdienen. Maar ik kon niet anders meer, c’était plus fort que tout. Dus heb ik maar meteen twee boeken geschreven. Het eerste was verre van goed, vooral omdat ik te dicht bij mijn eigen ervaringen was gebleven. Ik had ze wel geromanceerd, maar toch… Uiteindelijk ben ik blij zowel dat ik het heb geschreven als dat het niet werd gepubliceerd. Enerzijds was ik ervan af en anderzijds werd ik mij ervan bewust dat ik beter wat verder zou kijken op zoek naar stof om over te schrijven. Je ziet tenslotte zoveel afschuwelijks om je heen. Als je tenminste je ogen en je oren wijdopen houdt. Maintenant j’ai tant d’histoires dans ma tête!”
Het is wel opvallend dat in beide boeken alle belangrijke personages een soort van renteniersbestaan leiden…
“Dat klopt. Maar in ‘Fausse note’ is dat absoluut niet het geval. Integendeel, dat gaat over twee vrouwen die leven voor hun werk. Ja, dat is de huidige generatie, hé. De gouden jaren zestig zijn voorbij. Er zijn wel mensen die aan die periode een fortuin hebben overgehouden en daarvan leven.”
Maar ze vertelt er niet bij dat ze het in “Fausse note” over een balletdanseres en een celliste heeft, waarvan de laatste dan nog gehuwd is met een rijke zakenman die hedendaagse kunst collectioneert. Ze wonen in een ‘loft’ (het woord alleen al) aan de kaaien van Brussel, waar ze op een bepaald moment een zwembad aanleggen om ‘de kleine’ te plezieren. Daarvoor verkopen ze dan maar een buitengoed dat ze nog hier of daar liggen hadden. Haar eigen leven reflecteert zich op deze manier dan toch nog in haar boeken?
“Het gaat zo. Ik begin met een thema dat ik in mijn hoofd heb. Voor ‘Le jardinier’ was dat ‘un homme sans foi ni loi’ zoals men in het Frans zegt.”
Zonder God noch gebod.
“C’est ça. En de andere personages die komen dan spontaan tot leven. Neem nu Marthe (een Gentse weduwe). Ik heb eens zo’n vrouw gezien. Haar blik. Dat was Marthe. Ik heb die vrouw maar één keer gezien. Ik heb twee zinnen tegen haar gesproken. Maar haar blik, die zal ik nooit vergeten. Die ligt aan de oorsprong van dat personage. Maar je kan anderzijds niet beweren dat die vrouw Marthe is, versta je? Een ander voorbeeld: Sir Reginald (een Engelse homofiel). Ik heb eens iemand met zo’n fysiek gezien op een strand. Ik heb dat nooit opgeschreven. Maar twee of drie jaar later komt dat dan weer naar boven.”
Een merkwaardige fysiek weliswaar. Ik neem aan dat onze homofiele vrienden haar dat niet erg in dank zullen afnemen. Haar beschrijving van Sir Reginald is bijna naturalistisch, in die zin dat zijn innerlijke perversiteit zich veruiterlijkt in zijn rotte tanden, zijn slechte ogen, zijn bleke huid.
“Hij is totaal gedegeneerd, zeker. Hij is dus ook geen ‘gewone’ homofiel. De homofielen hoeven zich daar dus echt niet aan te storen. In ‘Le Piège’ komt trouwens ook een homoseksueel voor, Oscar, een heel sympathiek personage.”
Sympathiek misschien wel, maar hier krijgen we dan weer de karikatuur van de perfecte huisvrouw, ook al draagt hij een butlervestje. En anderzijds legt Michèle Morhange er toch wel heel sterk de nadruk op dat de advocaat Eric Sanders, bij wie hij als vriendendienst tewerkgesteld is, zeker geen relatie met hem heeft. Daarbij maakt ze zelfs gebruik van een papegaai die elk wezen van het vrouwelijk geslacht dat de kamer binnenkomt toeroept: “C’est Sandy pour les dames!” Merkwaardig dat papegaaien in boeken altijd zo goed kunnen praten. Als ikzelf zo’n beest tegenkom, dan kan het ten hoogste “Coco” zeggen en dan zegt de eigenaar fier dat hij toch zijn naam al kan zeggen. Ik heb echter de indruk dat op die manier mijn hond ook zijn naam zou kunnen zeggen als ik hem Wafwaf zou noemen!
Maar terug naar Sir Reginald, of beter gezegd naar de mannen in “Le jardinier”. Want ook van het hoofdpersonage Maurin geeft Michèle een beschrijving “om er met geen tang naar te pakken”. Over de doden niets dan goed, maar af en toe moest ik aan Serge Gainsbourg denken. (“Ik niet, maar net als Gainsbourg laat Maurin zich gaan, dat is juist.”)
En dan is er Alain Chenaux. Fysiek een prachtige man, maar toch wordt die misschien nog het ergst van al beschreven. Zijn levenswijze als gigolo wordt immers in de hevigste bewoordingen afgekeurd. Dat zijn dus drie totaal verschillende mannen, die telkens zeer negatief worden beschreven. Heeft Michèle dan zo’n negatief beeld over dé man?
“Nee, absoluut niet. Dat is puur toeval. In ‘Le piège’ zijn er surtout de terribles femmes, die mannen om hun vinger winden. Dat komt gewoon, parce que les gens sont comme ça. Ik moet je trouwens iets zeggen: als ik over mijn personages spreek, bestààn die echt voor mij. Ik zie die voor mij, zoals ik jou nu voor mij zie. La pensée est créatrice. Sommigen geloven dat werkelijk. Je denkt wat et les ondes qu’on émet krijgen une forme. Une forme subtile, die je niet ziet. Wel, voor mij is dat ook zoiets. Ik zie die personages voor me zoals een foto. En het zijn les lieux die ze doen bewegen. Ik ga ter plaatse en daar zie ik hoe het allemaal in zijn werk gaat. Dan is het plots zoals een film. Mijn boeken zijn dus als het ware scenario’s. Alles is visueel. Of toch zintuiglijk. Want op een avond kom ik thuis en ik hoor voor het eerst ‘Max’ van Paolo Conte op de radio. Zou dat liedje drie minuten duren? Toch zeker niet langer. En nochtans flitste meteen het einde van mijn boek door mijn hoofd. C’est quandmême bizarre, n’est-ce pas?”
In vele personages leeft de vrees voor de eenzaamheid bij het ouder worden. Dan toch een beetje autobiografisch?
“Welnee. Ik ga nogmaals terug naar mijn thema: un homme sans foi ni loi. Nu, wat is er voor zo iemand het gemakkelijkst? Profiter de la solitude des gens. Le jardinier de la solitude is dus Chenaux, want het is een echte profiteur. Maar il n’est pas méchant. Hij geeft iets terug aan die vrouwen: sa gentillesse. Want zij hebben allemaal une frustration. Vandaar dat Chenaux deze jardin de la solitude cultiveert. Het is belangrijk voor hem dat die mensen eenzaam blijven. Want je bent toch wat meer vulnérable als je alleen bent. Niet als je jong bent misschien, maar eens de dertig gepasseerd, il faut supporter la solitude.”
Misschien vandaar dat het kindermeisje Amalia (ze is Portugese, nietwaar, ik wed dat haar familienaam Rodrigues is!) het sympathiekste karakter is uit “Fausse note”.
Alhoewel, ‘de kleine’ is dan wel de grootste etter die niet alleen in dit boek maar in vele andere boeken die ik al heb gelezen rondloopt. Een rol voor Macaulay Culkin als het ooit wordt verfilmd!
Maar die kans zit er allicht niet in, want dit boek dat zich grotendeels afspeelt in de Muntschouwburg (als Amalia de punktoer opgaat, lijkt ze trouwens verdacht veel op het meisje uit “De bochtenrijder van de opera”, zeker in haar verhouding tot de directeur) loopt leeg als een fletse ballon. Er is eigenlijk gewoonweg géén intrige. Er is zelfs geen misdaad, hoe kan je dan eigenlijk van een thriller of zelfs nog maar een detectiveromannetje spreken? Met de ellebogen voelt men reeds aan dat de talrijke personages (in elk hoofdstuk duikt er wel een nieuw op) die er worden bijgesleurd er eigenlijk niets toe doen, dat ze enkel dienen om een mistscherm op te trekken. Nee, “Le piège” was reeds heel wat minder dan “Le jardinier”, maar deze “Fausse note” is helemaal… wel, een “Fausse note”!

Referentie

Ronny De Schepper, “Suspense et atmosphère” in Deurle, De Rode Vaan nr.36 van 6 september 1991

IMG_0001

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.