Op 22 september 1991 besloot de Californische Huntington Library zijn collectie van microfilms van de Dode Zee-rollen open te stellen voor geleerden. De Dode Zee-rollen omvatten een collectie handschriften van meer dan 900 documenten, inclusief ruim 200 handschriften van de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach (wat wij het Oude Testament noemen). Ze werden ontdekt tussen 1947 en 1956 in elf grotten in de buurt van de nederzetting van Qumran, een plaats aan de noordwestkust van de Dode Zee. De handschriften zijn geschreven in de Hebreeuwse, Aramese en Griekse taal. Ze dateren uit de periode ca.250 vóór Christus tot ca.50 na Christus. Waarschijnlijk zijn ze rond 68 na Chr. verstopt in de grotten. Deze handschriften zijn erg belangrijk, omdat ze een van de weinige geschreven bronnen zijn betreffende de joodse cultuur van ruim 2000 jaar geleden. Omdat ze dus lange tijd ontoegankelijk bleven voor kritische onderzoekers, ontstonden er speculaties dat de teksten van de Evangeliën hierdoor werden tegengesproken, maar volgens Wikipedia bleek na de openstelling ervan juist het tegenovergestelde…

Bijna twintig jaar geleden heb ik twee zogenaamde thrillers gelezen over de Dode Zee-rollen: “Het Judas Testament” van Daniel Easterman en “Het Qumran Mysterie” van Eliette Abécassis. Zoals gewoonlijk als ik voor het eerst een boek van een bepaalde auteur lees, haal ik vooraf een tekst van het internet om mijn eigen opmerkingen in een breder kader te kunnen plaatsen. Qua thrillergehalte waren beide boeken een sof, maar bij Easterman komt er nog bij dat wie (net zoals ik) de boeken zou willen lezen om op een ontspannen manier wat meer te weten te komen over de Dode Zee-rollen, zich nog beter tot het boek van Abécassis kan wenden. Wat toch wel merkwaardig is, want Abécassis is van vorming een filosofe, terwijl Easterman een echte specialist in de materie is…

Denis M.MacEoin is een voormalig docent islamstudies. Hij gebruikt de pseudoniemen Daniel Easterman (internationale thrillers) en Jonathan Aycliffe (klassieke spookverhalen in de traditie van Henry James). Zijn stijl doet denken aan die van Robert Goddard , maar bereikt niet hetzelfde niveau. Vooral zijn beschrijvingen zijn zo uitvoerig dat ze nauwelijks aan verveling ontsnappen en zijn romantische ontwijkingen zijn pijnlijk voorspelbaar. Omdat “Het Judas Testament” zich grotendeels in Rusland afspeelt, doet het ook denken aan het werk van Martin Cruz Smith, maar afgezien van het virulente anticommunisme is Easterman wederom de mindere van de twee. Halverwege het boek verandert de toon echter en wordt het een roman ter ondersteuning van de zogenaamde bevrijdingstheologie. Zelfs onze eigen vader Schillebeeckx wordt erin genoemd, p. 356 (*). Het feit dat alles wordt teruggebracht tot een Nieuwe Orde die wordt gepredikt door de extreemrechtse vleugel van de Katholieke Kerk is begrijpelijk, maar de Habsburgse monarchie daar bovenop plaatsen is een beetje vreemd, gezien wat ik heb geleerd over de Tempeliers (zoals uitgelegd in mijn tekst over “De aanbidding van het Lam Gods”). Maar ze zijn allebei rechts, daar bestaat geen twijfel over.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik “Het Judas Testament” überhaupt ben blijven lezen. Welnu, het begint allemaal met de reden waarom ik het kocht. Het was in 2006 en in die tijd was er een discussie gaande over een vijfde evangelie dat “ontdekt” zou zijn en dat geschreven zou zijn door niemand minder dan Judas Iskariot. Het boek “Het Judas Testament” (uitgegeven in 1994) heeft echter niets met dit evangelie te maken. Integendeel, het gaat over een ander “evangelie” (of zelfs meer: ​​een uitgebreide brief) geschreven door Jezus Christus zelf. Daarin onthult hij zichzelf als een joodse fanaticus, meer iets weg van het Judean Liberation Front van Monty Python dan van de zachtaardige “hippie” Jezus die we allemaal kennen. In die zin is het precies dezelfde tekst als in het boek van Eliette Abécassis, wat een buitengewoon toeval zou zijn, ware het niet dat Abécassis haar boek twee jaar na Easterman schreef…
Aan de andere kant is de reden waarom Eastermans boek de titel “Het Judas Testament” draagt ​​nergens te vinden. Eigenaardig genoeg krijgen we misschien een antwoord in het boek van Eliette Abécassis. De verdwenen Dode Zee-rol waar het in beide boeken om draait, vertelt immers hetzelfde verhaal, het verschil is alleen dat het bij Easterman in de ik-persoon is (m.a.w. dat we daar met een document zouden te maken hebben met Jezus’ handschrift) en bij Abécassis in de derde persoon. En dan lezen we p.402: “Op die bewust avond was Judas niet een verrader, maar de reinste, de gelovigste, de zoon van een zeloot, degene die het meest op de uiteindelijke Verlossing hoopte, degene die het meest geloofde in de Messiaanse overwinning.” Bij Abécassis blijkt Jezus Christus echter uiteindelijk niét de Messias te zijn en daarom dat “Judas, de geslachtofferde, de vrome, de sterke en oprechte, die in Jezus en God geloofde, die het begrepen had en die het geld teruggaf, niet aan de Essenen (**), maar aan de priesters, en zelfmoord pleegde.” (p.408)

Ronny De Schepper

(*) Acht jaar later pas zou ik het boek “De Dode-Zeerollen en de verzwegen waarheid” van Michael Baigent & Richard Leigh lezen, dat eigenlijk al in 1991 was verschenen en wellicht aan de oorsprong lag van beide hier besproken werken. Baigent & Leigh zijn ook de auteurs van “Het Heilige Bloed en de Heilige Graal”, waarover ik het vooral hier heb. Welnu, ook in hun boek komt pater Schillebeeckx ter sprake (p.129) en dan vooral de manier waarop hij werd tegengewerkt door de toenmalige voorzitter van de Bijbelcommissie, met name kardinaal Joseph Ratzinger, die later paus Benedictus XVI zou worden.  “Kardinaal Ratzinger is ook hoofd van een ander roomskatholiek instituut,” schrijven Baigent & Leigh, “de Congregatie voor de Geloofsleer. Deze instelling, daterend uit 1965, is vrij nieuw en waarschijnlijk bij de meeste leken nog onbekend. Maar ze is de voortzetting van een veel ouder instituut met een unieke en veelbesproken geschiedenis die teruggaat tot de 13de eeuw. In 1542 werd dit instituut officieel bekend als het Heilig Officie. Daarvoor werd het de Heilige Inquisitie genoemd. Kardinaal Ratzinger is dus in feite de huidige grootinquisiteur van de katholieke Kerk.” (p.128)

(**) Zowel bij Easterman als bij Abécassis vindt men de stelling dat Christus tot de sekte van de Essenen behoorde. De sekte overigens die de grotten van Qumran bevolkte, waar de fameuze Dode Zee-rollen zijn gevonden. “Het verband tussen het essenisme en het vroege christendom is al gesignaleerd door de achttiende-eeuwse filosofen, die zeiden dat het christendom een gedaanteverandering van het essenisme was. Koning Frederik II schreef in 1770 aan D’Alembert dat Jezus eigenlijk een Esseen was.” (p.130) Daar staat tegenover dat op p.148 en 149 het standpunt wordt ontwikkeld dat Christus niet de “Leraar der Gerechtigheid” is waarover de Esseense rollen spreken, maar wel dat hij geïnspireerd is op een andere rabbi wiens bestaan onomstotelijk vaststaat, namelijk Mithras. De bewijsvoering hiervoor is ontzettend interessant, omdat ze historisch bewijsmateriaal aandraagt voor de stelling van o.a. professor Vermeersch dat het christendom veel van de Mithrascultus heeft overgenomen. De god Mithras is uit een maagd geboren, staat na drie dagen op uit de dood, zijn verering vond plaats met een gezamenlijke maaltijd. En zijn naamdag is… 25 december. Indien we Abécassis op dit vlak dus zouden mogen geloven, is er zelfs geen sprake van “overnemen”, maar vallen het christendom en de Mithrascultus dus volledig samen. De twee standpunten kunnen worden verzoend, aangezien Christus in het boek van Abécassis uiteindelijk dus niet de Messias blijkt te zijn. Dan is hij immers ook niet de “Leraar der Gerechtigheid” waarop de Essenen nog altijd zitten te wachten. Dat uitblijven van de komst van de Messias (in het begin van het boek wordt er overigens nog een andere rabbi vermoord, die dacht dat hij de Messias was, p.17) na al die duizenden jaren frustraties oproept, doet me terugdenken aan de vraag die ik destijds op die wandeltocht door de joodse wijk in Antwerpen aan dat meisje stelde: namelijk of dit sommige joden niet aan het twijfelen zet of ze met Christus misschien tóch de Messias hebben gedood (“Maar ze hadden hem laten doden. Dat vervulde hen van zo’n schaamte dat zij plechtig zwoeren de ware geschiedenis van Jezus voor zich te houden”, p.417). De begeleider van die uitstap, Ludo Abicht, vloog toen zo hevig uit dat ik niet eens meer weet wat dat meisje daarop heeft geantwoord. Maar ik weet wel nog wat ik ter mijner verdediging aanvoerde, namelijk dat dit een thema is bij Leonard Cohen. Waarop Ludo Abicht misprijzend uitriep: “Leonard Cohen!”

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.