The Guns of Navarone is een Britse–Amerikaanse oorlogsfilm onder regie van J. Lee Thompson. Het scenario is gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1957 van de Schotse auteur Alistair MacLean. De film had een budget van zes miljoen dollar en was daarmee destijds een van de duurste films ooit gemaakt, maar de film was een kassucces en werd tevens onderscheiden met een Golden Globe voor de beste film.
Enkele duizenden Britse militairen zitten vast op het eiland Leros (uitgesproken als ‘Keros’ in de film). Ze hebben geen voedsel en voorraden meer en het is slechts een kwestie van tijd voordat ze door de Duitsers gedood of gevangengenomen zullen worden. Hun enige hoop ligt bij een reddingsoperatie vanuit zee. De Britse marine is vastbesloten de soldaten van het eiland te redden. Het probleem is dat ze door een nauwe zeestraat vlak bij het eiland Navarone moeten passeren. Op Navarone staan twee Duitse radargeleide superkanonnen. De nauwkeurigheid van de kanonnen is zo groot dat geen enkel schip de zeestraat kan passeren of zelf tijdig de kanonnen kan beschieten en uitschakelen. De kanonnen staan opgesteld in een grot in een berg met een overhangende rotsrichel, zodat het eveneens onmogelijk is om de stelling te bombarderen met vliegtuigen. De geheime dienst verzint een plan: een groep saboteurs wordt samengesteld om binnen zes dagen de kanonnen op te blazen. De groep bestaat uit Gregory Peck, Anthony Quinn, Anthony Quayle, David Niven, James Darren en Stanley Baker.
Producent Carl Foreman schreef ook het scenario voor de film. Foreman was een Amerikaan en stond in de VS op de zogenaamde zwarte lijst wegens vermeende communistische sympathieën. Omdat hij in Amerika door de filmstudio’s werd geboycot was Foreman uitgeweken naar Engeland. Het scenario van Foreman week op belangrijke punten af van het boek van Alistair MacLean. MacLeans boeken staan erom bekend dat er geen seks of romantiek in voorkomt. Ook ontbreken de vrouwenrollen vaak. De schrijver vond dat al die ‘romantische onzin’ het ritme uit zijn verhalen haalde. Foreman moest echter rekening houden met de vrouwelijke bioscoopbezoeker en introduceerde twee vrouwenrollen: Maria en Anna, en een romance tussen Andrea (Anthony Quinn) en Maria (Irene Papas). Het personage van de verrader werd ook gewijzigd en (let op spoiler!) waargenomen door Anna (Gia Scala).
Echte problemen ontstonden toen David Niven ernstig ziek werd tijdens de opnames. Hij had uren in een poeltje water gelegen en was onderkoeld geraakt. Hij moest met spoed naar het ziekenhuis en balanceerde op het randje van de dood. Tijdens de weken van zijn ziekbed maakte de regisseur allerlei opnames voor de scène in de grot, waar Miller en Mallory de kanonnen gaan opblazen. Omdat Niven hier een groot aandeel in had, kon een aantal scènes niet worden voltooid. Toen het er naar uitzag dat Niven zou overlijden werd zelfs overwogen het project te stoppen of Niven te vervangen door een andere acteur. Dat laatste zou betekenen dat alle opnames die al gemaakt waren met Niven overgedaan moesten worden. Niven herstelde echter op tijd en kon zijn plaats weer innemen.
Ondanks het feit dat zowel in het boek als in de film wordt gesuggereerd dat The Guns of Navarone op ware feiten berust, bestaat het eiland Navarone niet. Ook waren er geen grote radargestuurde kanonnen op de Griekse eilanden. MacLean baseerde zich op de Dodecanese campagne in de Egeïsche Zee in 1943, toen de Britse marine bezig was met de herovering van de Griekse eilanden. De slag om Leros stond model voor de reddingsoperatie van de ingesloten Britse strijdmacht.
In 1968 schreef Alistair MacLean een vervolg op The Guns of Navarone onder de titel Force 10 from Navarone. In 1978 werd ook dit boek verfilmd, deze keer door Guy Hamilton met Robert Shaw als Mallory en Edward Fox als Miller. Harrison Ford speelde een Amerikaanse officier. De film flopte in de bioscopen.
Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia)