Vandaag in de Volkskrant de zaterdagse column van Bert Wagendorp met als kop “Wunderkind”. Ik ben meteen getriggerd, want in mijn belevingswereld van de wielerhistorie is er maar één Wunderkind. Maar daarover gaat het bij Bert niet. Nee, the new kid on the block, is voor hem Paul Seixas. Negentien jaar jong en als een komeet aan het wieler firmament verschenen: een echt fenomeen. Nou zijn er al heel wat nieuwe sterren ontstaan en weer als supernova’s uitgedoofd. Zo gaat dat nu eenmaal met hemellichamen én ook wel vaker met sportsterren.
De eerste en enige renner met de koosnaam Wunderkind waar ik ooit van vernam was Bruno Salzmann. Bruno wie…? Bruno Salzmann (Heidelberg 2/7/1883) was de zoon van de Duitse chemicus Dr. Salzmann die in Holland emplooi had gevonden als technisch directeur van de Amsterdamsche Chinine Fabriek. Niet bepaald onbemiddeld dus onze Bruno, maar wel geobsedeerd door het spektakel op de Amsterdamse wielerpiste. Nou niet direct het milieu waar pa en ma hun zoontje graag zagen. Bruno wurmde zich onder dat juk vandaar en begon zijn sportieve carrière samen de al min of meer ervaren Piet Dickentman als tandemkoppel.

Diezelfde Piet, die in latere decennia als stayer bergen Goudmarken verdiende en die uiteindelijk door de vooroorlogse Duitse hyperinflatie weer in rook zag vervliegen. Maar dat even terzijde.
Piet weet al heel vroeg dat het grote geld op de, volop florerende, Duitse banen is te verdienen. Hij overtuigt Bruno – dan achttien jaar jong – en in 1901 vertrekken ze als tandempaar naar Berlijn-Friedenau en winnen gelijk de baankoers over 25 kilometer. Bruno stapt meteen ter plekke over naar de demi-fond, het stayeren achter zware motoren. De tweede plaats op het WK voor amateurs, is meteen het signaal om een proflicentie aan te vragen. Hij is maar klein en best tenger (schmächtig zeiden ze daar) vandaar dat hij vanwege zijn prestaties het predicaat Das Wunderkind opgeplakt krijgt.

Vanaf 1902 tot 1913 rijdt Bruno als professioneel rolrijder. Veelal op de Duitse banen, maar ook in Nederland laat hij zich gelden. Hij verdient als subtopper, met een rits van ereplaatsen, een dikke boterham. En met waarschijnlijk ook nog wat financiële back-up van thuis poseert hij vol trots in zijn “rennerskamer” in Amsterdam. Met zelfs twee gangmaakmotoren in eigendom en aan de wand wervende affiches van zijn optredens.
In 1906 trouwt hij volgens de burgerlijke stand van Berlin-Zehlendorf met Jansje Mulder, de zuster van Jan Mulder van de fameuze gelijknamige “quint Mulder”, waartoe ook Dickentman ooit behoorde (quint is een vijfzitter baanfiets; red.).
Van de werdegang van het echtpaar Salzmann-Mulder in de periode na 1913 is weinig concreets terug te vinden. Ergens is in de annalen sprake van een handeltje in Berlijn alsook een mogelijk vertrek naar Nürnberg met een job in een rijwielfabriek
Hoe het ook zij, de schittering van Bruno, Das Wunderkind is in de tijd op een natuurlijke wijze vervaagt. Hij mocht ten andere wel blij zijn dat hij al die jaren in de bloedige arena’s van die dagen, waar de coureurs én gangmakers bij de bosjes het leven lieten, heeft overleefd.
Theo Buiting, 22 april 2026